Oct 042010
 

PLO: geen vredesoverleg zonder bouwstop. Zo luidde één van de koppen in de vele berichten die op zaterdag 2 oktober als breaking news in de media verschenen…’De Palestijnse president Mahmoud Abbas moet stoppen met het vredesoverleg als Israel niet stopt met bouwen in bezet gebied. Dat heeft Abbas woordvoerder zaterdag laten weten. VN topman Ban Ki-moon heeft gezegd bezorgd te zijn over de ‘provocaties’ van de kolonisten. Ban benadrukt dat bouwen in bezet gebied volgens internationale wetgeving illegaal is.’

Pardon,… Mr. Ban Ki-moon u suggereert hier iets waarvan het internationaal (juridisch) recht u leert dat u uw huiswerk niet goed  gedaan heeft! Laat mij u op weg helpen om voortaan enige terughoudendheid inacht te nemen bij uw voorbarige conclusie(s) als u het heeft over het ‘illegale bouwen’ in bezet gebied volgens de normen van de internationale wetgeving.

(Internationaal recht is een prominent thema geworden in het debat over de Midden-Oostenproblematiek. Daarom wordt in dit boek de staat Israel vanuit dat recht bekeken. De auteur gaat uitvoerig in op de juridische betekenis van de onstaansgeschiedenis van Israel. Deze blijft in veel beschouwingen ten onrechte onderbelicht, met alle conseqenties van dien voor de beoordeling van het handelen van de Joodse staat. Binnen die context komen de nederzettingen aan de orde, evenals de bescherming van de internationale erkende mensenrechten. Ten slotte worden de regionale gewapende conflicten vanuit het internationaalrechterlijk perspectief besproken. Hieronder volgt een citaat uit: Israel: een staat ter discussie? (hoofdstuk 4…’Grenzen’) door Dr. Matthijs de Blois).

Algemeen

Een staat wordt in het internationaal recht onder andere gekenmerkt door aanwezigheid van een territoir waarover effectief gezag wordt uitgeoefend. Een territoir impliceert grenzen waarmee dat  territoir wordt afgebakend van andere gebieden, die vallen onder de soevereiniteit van andere staten. Als het om Israel gaat is er evident sprake van een territoir waaronder de staat Israel de soevereiniteit uitoefent. De vaststelling van de internationaalrechterlijke grenzen van Israel is in de huidige politieke constellatie in het Midden-Oosten problematisch. Overigens is de p0sitie van Israel wat dat betreft niet uniek. Geschillen over het precieze verloop van grenzen komen veel vaker voor. In het vervolg gaan we in op de vraag naar het verloop van de grenzen van Israel in de opeenvolgende fasen van zijn geschiedenis.

1920 - Palestina mandaat

1920 - Palestina mandaat

In de tekst van het Palestina Mandaat is evenmin als in de daaraan ten grondslag liggende resolutie van de San Remo conferentie, een omschrijving van de grenzen van het mandaatgebied opgenomen. Duidelijk is wel dat het oorspronkelijke territoir van het Palestina Mandaat zich uitstrekte van de Middellandse zee tot wat nu de oogstgrens van Jordanie is. De problemen rondom de afbakening van de beoogde mandaatgebieden Palestina en Syrie werden opgelost in onderhandelingen die leidden tot verdragen gesloten tussen Groot-Brittannie en Frankrijk. Het is interessant vast te stellen dat voor de Britse regering, met name voor premier Lloyd-George, bij de onderhandelingen daarover de Bijbelse notie van het land Israel ‘van Dan tot Berseba’ centraal stond. Dat is een aanduiding van het gebied bewoond door de Twaalf Stammen van Israel gedurende de tijd van de Eerste Tempel. Blijkens het Eerste Brits-Franse grensverslag uit 1920 omvat het mandaatgebied ook een deel van de Golan-hoogte. Bij een aanpassing in een nieuw verdrag, gesloten op 3 februari 1922 (in werking op 10 maart 1923), wordt de Golan overgedragen aan Frankrijk als mandataris van Syrie. Gesteld kan worden dat deze wijziging in strijd is met de bepalingen van het Mandaat dat in artikel 5 bepaalt dat geen grondgebied mag worden overgedragen aan een vreemde mogendheid. De Golan is vervolgens bij de onafhankelijkheid van Syrie in 1946 deel geworden van dat land.

Kort na het tot stand komen van het Mandaat besloot de Britse regering op 16 september 1922 gebruik te maken van het artikel 25 voorziene mogelijkheid om ten aanzien van het gebied ten oosten van de Jordaan de tenuitvoerlegging van mandaatverplichtingen uit te stellen of op te schorten in verband met de bestaande locale omstandigheden. De wens in Britse regeringskringen om vanuit het belang van het Britse imperium tegemoet te komen aan Arabische en Islamitische druk zal daaraan niet vreemd zijn geweest. De steun aan het Zionistische streven heeft vanaf het begin te maken gehad met deze massieve tegendruk. Het besluit van de Britse regering werd in 1923 goedgekeurd door de Raad van de Volkenbond. Door deze stap werd 76,9 % van het oorspronkelijke mandaatgebied onttrokken aan de mandaatverplichtingen. Het doel van de Britse regering was de totstandkoming van het onder Brits toezicht staande Emiraat van Trans-Jordanie mogelijk te maken. Dit is de voorloper geworden van het in 1946 onafhankelijk verklaarde Hasjemitische Koninkrijk Trans-Jordanie (nu Jordanie). De verplichting tot vestiging van een Joods nationaal tehuis gold voortaan tot aan de rivier de Jordaan. Overigens maakten de Britten ook de vestiging van Joden in Trans-Jordanie onmogelijk. Dit is op zichzelf in strijd met artikel 25 van het Mandaat dat uitdrukkelijk bepaalt dat bij de opschorting van mandaatsverplichtingen niet mag worden afgeweken van onder andere artikel 15. En artikel 15 bepaalt dat de vrijheid van godsdienst in het mandaatgebied zal worden verzekerd en ook dat niemand op grond van zijn godsdienst mag worden gediscrimineerd en of uitgesloten van het grondgebied van Palestina. Vestiging van Arabieren in het gebied ten westen van de Jordaan is steeds mogelijk gebleven. Gezien de blijvende betekenis van de rechten van het Joodse volk onder het Mandaat, zoals bevestigd in artikel 80 van het Handvest van de VN, zijn er sterke argumenten voor een soevereiniteitsclaim van Israel op het gehele mandaatgebied, in ieder geval tot aan de  Jordaan. Vastgesteld moet worden dat niet alleen de critici van Israel, maar ook de Israelische regeringen daaraan in de loop der geschiedenis mede onder druk van de benarde politieke en militaire omstandigheden niet onverkort hebben vastgehouden.

Het Verdelingsplan van de VN

In het door de Algemene Vergadering (AV) van de VN voorgestelde Verdelingsplan is voorzien in twee staten: een Joodse en een Arabische. De Joodse staat is teruggebracht tot een zeer beperkt onderdeel van het oorspronkelijke mandaatgebied. Dit Verdelingsplan is nooit gerealiseerd. Het werd niet zonder bezwaren aanvaard door het Joodse leiderschap, ook  vanwege de bestaande noodsituatie gevormd door de dreiging van de Arabische naburen en het belang van een opvang voor de overlevenden van de Shoah. Het plan werd echter onmiddellijk verworpen door de Arabische bewoners en de omringende Arabische staten. De in het Verdelingsplan voorziene grenzen hebben dan ook geen enkele internationaalrechtelijke betekenis.

Na de Onafhankelijksheidsoorlog

De Onafhankelijkheidsoorlog tegen de agressie van vijf Arabische staten heeft geresulteerd in de vaststelling in 1949 van wapenstilstandslijnen, overeengekomen tussen Israel en respectievelijk Egypte, Jordanie, Syrie en Libanon. In concreto betekende dit dat het door de staat Israel bestuurde gebied slechts een deel van het oorspronkelijke mandaatgebied omvatte. Egypte bezette de Gazastrook en Jordanie deed hetzelfde met Judea en Samaria inclusief Oost-Jeruzalem (met de Oude stad). In de wandeling worden deze gebieden vaak de ‘Westbank’ genoemd. Deze term is in 1950 ingevoerd toen Jordanie het gebied annexeerde. Het loslaten van de Bijbels-historische benamingen Judea en Samaria ondermijnt de Joodse aanspraken op deze gebieden. Bovendien is de term ‘Westbank’ ook taalkundig misplaatst, als we bedenken dat met ‘bank’ een rivieroever wordt bedoeld. De wapenstilstandslijnen van 1949 zijn blijkens de betreffende overeenkomsten overigens nooit bedoeld als internationale grenzen. Om een voorbeeld te noemen in artikel 2 lid 2 van de overeenkomst tussen Israel en (Trans-) Jordanie wordt bepaald dat niets in die overeenkomst ‘shall in any way prejudice the rights, claims and positions of either Party hereto in the ultimate peaceful settlement of the Palestine question.’ Jordanie heeft de hiermee strijdige en slechts door twee andere staten (het Verenigd Koninkrijk en Pakistan) erkende annexatie in 1988 weer ongedaan gemaakt.

Na de Zesdaagse oorlog

‘Bezette gebieden’ algemeen. Na de Zesdaagse oorlog in juni 1967 is het gebied dat onder Israelisch bestuur kwam aanzienlijk uitgebreid. Namelijk met de Sinaiwoestijn, de Gazastrook, Judea en Samaria, inclusief Oost-Jeruzalem en de Golanhoogte. Deze gebieden kwamen in Israelische handen na een oorlog waarin Israel zich moest verdedigen tegen agressie van de zijde van Egypte, Syrie en Jordanie. Door velen worden de genoemde gebieden sindsdien aangeduid als ‘bezette gebied’. Die kwalificatie vinden we niet alleen in resoluties van VN-organen, maar ook in het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 9 juli 2004. Daarin wordt zonder reserve de door de Algemene Vergadering gebruikte kwalificatie van ‘bezette gebieden’ overgenomen, als aanduiding van gebieden die liggen ten oosten van de zogenaamde ‘groene lijn’ – de in 1949 tussen Israel en Jordanie oveengekomen wapenstilstandslijn -. Het hof voegt daar uitdrukkelijk aan toe dat deze kwalificatie geldt ongeacht de ontwikkelingen, die zich ten aanzien van die gebieden hebben voorgedaan. Daarmee doelt het op het tot stand komen van de Jeruzalem – wet in 1980 (zie hieronder) en de sinds 1993 getroffen regelingen met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) betreffende Palestijns zelfbestuur. Bij het begrip ‘bezette gebieden’ zijn de nodige kanttekeningen te plaatsen. Verder is het interessant te kijken naar de betekenis van de vermaarde Resolutie 242 (1967) van de Veiligheidsraad (VR) die naar aanleiding van de Zesdaagse oorlog werd aangenomen. De in 1967 ontstane situatie geeft voorts aanleiding tot het maken van opmerkingen over een aantal specifieke gebieden en over de positie van de door Joden in die gebieden gebouwde nederzettingen.

Kanttekeningen

De veel gebruikte kwalificatie ‘bezette gebieden’ is naar mijn oordeel niet juist. Om te beginnen kan die term niet gebruikt worden gelet op de relevantie van het Mandaat, waarin de vestiging van het Joods nationaal tehuis sinds 1923 voorzien was in het gehele gebied tussen de Middellandse Zee  en de Jordaan (voor 1923 ook ten oosten daarvan). Israel heeft in 1967 zijn gezag alsnog gevestigd in tot het mandaatgebied behorende territoria. De gebieden maken in dit perspectief ipso facto deel uit van de staat Israel, die zoals wij gezien hebben de uitkomst is van de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht door het Joodse volk. Daarbij kan nog onderstreept worden dat met name Judea en Samaria, inclusief Oost-Jerzualem het historische ‘hart’ van het land van Israel vormen. Punt bij deze redenering is wel dat afgezien van Oost-Jeruzalem, de Israelische regering ten aanzien van de gebieden formeel geen soevereiniteitsclaim heeft laten gelden. Verder moet worden opgemerkt dat Israel toen het zich in 1967 opnieuw moest verdedigen tegen Arabische agressie niet het grondgebied van andere staten heeft ingenomen; het ging om gebieden die Jordanie en Egypte  in 1948 zonder rechtsgrond hadden bezet na een agressieoorlog en dus niet om territoir van genoemde staten. De in artikel 2 van de Vierde Geneefse conventie voorziene situatie van bezetting van een territoir van een Hoge Verdragssluitende Partij (in casu Jordanie of Egypte) door een ander Hoge Verdragssluitende Partij (Israel) deed zich dus niet voor. Hieraan moet nog worden toegevoegd dat het internationaal recht agressie veroordeelt (art.2 lid 4 VN-Handvest) en daartegenover geweldgebruik ter zelfverdediging toelaat (art. 51 VN-Handvest). Zowel Schwebel, ooit president van het IGH, heeft gesteld is het relevant om vast te stellen of een gebied verworven is in een agressieoorlog dan wel in een verdedigingsoorlog. Hij erkent het door de Veiligheidsraad in de bekende Resolutie 242 aangehaalde beginsel, dat het verwerven van territoir door middel van oorlog (‘the acquisiton of territory by war’) ontoelaatbaar is. Dit beginsel moet volgens hem echter beschouwd worden in samenhang met een ander nog meer algemeen beginsel, dat geen recht ontleend kan worden aan onrecht (‘ex injuria jus non oritur’). De samenhang van beide beginselen brengt Schwebel in verband met de door Israel ‘bezette gebieden’ tot de conclusie dat ‘where the prior holder of territory had seized that territory unlawfully, the state which subsequently takes the territory in the lawful exercise of self-defense, has against that prior holder, better title.’ Dat is een argument om aan te nemen dat, zelfs als wij zouden voorbijzien aan de op het Mandaat gebaseerde aanspraak, relatief gesproken de titel van Israel ten aanzien van de na de Zesdaagse oorlog verworven gebieden sterker is dan die van respectievelijk Egypte en Jordanie. Het is goed hierbij op te merken dat in de vredesverdragen van beide staten met Israel geen sprake is van een soevereiniteitsclaim van Egypte op de Gazastrook of van Jordanie op Judea en Samaria. Bij het in 1979 gesloten vredesverdrag met Egypte heeft Israel afstand gedaan van de Sinaiwoestijn. Daarmee is verreweg het grootste deel van de sinds 1967 bestuurde gebieden prijsgegeven. In het vredesverdrag dat Israel en Jordanie op 26 oktober 1994 gesloten hebben wordt het midden van de Jordaan aangegeven als de internationale grens tussen beide staten. In het verdrag is ten aanzien van de grens bepaald dat de vaststelling daarvan heeft plaatsgevonden ‘without prejudice tot the status of any territories that came under Israeli militairy goverment control in 1967.’ De status van de ‘bezette gebieden’ wordt nadrukkelijk open gehouden. Samenvattend moeten we ten aanzien van de in 1967 door Israel verworven gebieden concluderen dat de kwalificatie als ‘bezette gebieden’ niet op zijn plaats is. Het is daarom zuiverder te spreken van betwiste of omstreden gebieden. Het zijn gebieden waarover onderhandelingen gevoerd worden met de vertegenwoordigers van de Palestijnse gemeenschap en met Syrie. Tot op de dag van vandaag is de uitkomst daarvan onzeker.

Resolutie 242

Zelfs als wij zouden meegaan met de gedachte dat het bij Judea en Samaria, Gaza en de Golan om gewone bezette gebieden gaat, is nog niet gezegd dat daarmee automatisch is aangegeven dat Israel deze in het kader van een definitieve regeling zou moeten verlaten. De in de Preambule van de Resolutie 242 voorkomende stelling dat ‘the acquisition of territory by war’ ontoelaatbaar is moet zoals hierboven gesteld genuanceerd worden. De uitkomst van onderhandelingen kan heel goed zijn dat de gebieden of delen daarvan aan Israel toekomen. Na de Tweede Wereldoorlog heeft ook de agressor-staat (Nazi-)Duitsland aanzienlijke gebieden moeten prijsgeven aan bijvoorbeeld Polen. Duitsland kan daarop geen aanspraak meer maken met de stelling dat deze gebieden ooit door middel van geweld aan dat land zijn ontnomen. Agressie verdient het niet beloond te worden. Daar komt nog iets bij. In de bekende naar aanleiding van de Zesdaagse oorlog aangenomen Resolutie 242 uit 1967 formuleerde de Veiligheidsraad van de VN als uitganspunt dat de Israelische troepen zich zouden moeten terugtrekken uit de recente conflict ‘bezette gebieden’.’Het is van belang te onderstrepen dat in de Engelse versie van de resolutie, die gebaseerd is op een voorstel van de Britse regering, heel bewust het bepalend lidwoord ‘de’ of het woord ‘alle’ niet zijn gebruikt. Dat zou gelet op het tweede door de Veiligheidsraad geformuleerde beginsel ook niet goed mogelijk zijn. Dat erkent namelijk het recht van alle staten in de regio – dus ook Israel – om in vrede te leven. Tevens wordt gesproken over veilige en erkende grenzen. De geschiedenis van de staat Israel had in 1967 al overduidelijk aangetoond dat de wapenstilstandslijnen uit 1949 niet konden gelden als veilige grenzen. Denk alleen maar aan de dreiging waaronder vele Joodse burgers in Galilea leefden vanwege de Syrische militaire aanwezigheid op de Golan-hoogte.

Jeruzalem

In Resolutie 242 wordt – bewust – met geen woord verwezen naar Jeruzalem. De hereniging van de stad in 1967 is van enorme betekenis geweest voor Israel. Jeruzalem was onder koning David al hoofdstad en heeft sindsdien een centrale plaats ingenomen in het religieuze en culturele bewustzijn van het volk van Israel. Sinds ongeveer anderhalve eeuw heeft de stad (weer) een in meerderheid Joodse bevolking. De in het Delingsplan van 1947 voorziene internationalisering heeft nooit plaats gevonden. Eind 1949 verklaarde premier Ben Gurion dat Jeruzalem onverbrekelijk deel uitmaakt van de staat Israel en dat het zijn eeuwige hoofdstad is. Effectief betrof dit toen slechts West-Jeruzalem, aangezien het oostelijk gedeelte in 1948 werd bezet door Jordanie. Jordanie verdreef daarbij de Joodse inwoners uit de Oude Stad, terwijl de synagogen verwoest werden. Na de Zesdaagse oorlog in 1967 werden West-Jeruzalem en Oost-Jeruzalem feitelijk herenigd. In 1968 concludeerde volkenrechtsgeleerde Elihu Lauterpacht ten aanzien van Jeruzalem, dat het tot 1967 bestaande vacuum ten aanzien van de soevereiniteit over (Oost)Jeruzalem – dat immers door Jordanie zonder titel bezet werd gehouden- met recht door Israel kon worden opgevuld,  als uitkomst van een op grond van het recht op zelfverdediging gerechtvaardigde inname. Met enige aanpassingen geldt sindsdien (1967) het Israelisch recht in het geheel van Jeruzalem. Op 30 juli 1980 heeft de Knesset een wet aangenomen waarin wordt bepaald dat Jeruzalem de onverdeelde hoofdstad is van Israel. Deze wet werd door de VR in Resolutie 478 van 20 augustus 1980 scherp veroordeeld als strijdig met het internationaal recht. Gelet op het voorgaande ten onrechte. Aan de door de VR aan staten met een ambassade in Jeruzalem gedane oproep om deze te verplaatsen naar Tel Aviv is vrijwel algemeen gehoor gegeven, helaas ook door de Verenigde Staten en Nederland. Hierbij kan terzijde worden opgemerkt dat het Amerikaanse Congres op 23 oktober 1995 de Jerusalem Embassy Act heeft aangenomen, waarin Jeruzalem erkend wordt als de hoofdstad van Israel. De ambassade van de VS moet uiterlijk 31 mei 1999 hierheen worden verplaatst. Opeenvolgende Amerikaanse presidenten hebben gebruik gemaakt van de in deze wet gegeven mogelijkheid om de tenuitvoerlegging daarvan om redenen van nationale veiligheid op te schorten, zodat de Amerikaanse ambassade zich nog steeds in Tel Aviv bevindt. In de zogenaamde Oslo akkoorden die vanaf 1993 gesloten zijn tussen Israel en de PLO is (Oost-)Jeruzalem uitgezonderd van het regime waarbij Palestijns zelfbestuur wordt ingevoerd in Judea, Samaria en de Gazastrook. Aan de andere kant is voorzien dat de status van Jeruzalem deel moet uitmaken van de onderhandelingen over de definitieve regeling. In  het in 1994 gesloten vredesverdrag tussen Israel en Jordanie is bepaald dat in het kader van een definitieve regeling, hoge prioriteit gegeven moet worden aan de historische rol van Jordanie ten aanzien van de Islamitische heilige plaatsen in Jeruzalem (lees Tempelberg). Een en ander maakt het beeld heel complex. In juni 2009 heeft de Israelische premier Netanyahu verklaard dat hij vasthoudt aan Jeruzalem als ongedeelde hoofdstad, waar godsdienstvrijheid zal bestaan voor alle religies. Dit standpunt roept weerstand op. Nog steeds is de Israelische positie ten aanzien van Jeruzalem een steen des aanstoots voor de internationale gemeenschap. Dat geldt ook voor de Europese Unie. Zo verscheen in 2008 een rapport van de hoofden van EU-missies in Israel, dat het beleid van de Israelische overheid ten aanzien van Jeruzalem scherp bekritiseert.

Golan hoogte

Hiervoor hebben we gezien hoe de Golan-hoogte aanvankelijk wel en later weer niet deel uitmaakte van het mandaatgebied. Vanaf de Golan heeft Syrie jarenlang Israelische kibboetsen in Galilea bedreigd. Daar kwam na de verovering door Israel in 1967 een einde aan. Een deel van de hoogvlakte is in 1974 weer bij Syrie gekomen op basis van een troepenscheidingsovereenkomst. Ten aanzien van het deel dat onder Israelisch bestuur bleef heeft de Knesset in 1981 bepaald dat niet langer het militair recht maar de gewone Israelische wetgeving van toepassing is, hetgeen nog geen formele annexatie inhoudt. Intussen voeren Israel en Syrie besprekingen over de toekomst van de hoogvlakte.

Judea en Samaria en Gaza

Judea en Samaria vormen zoals gezegd historisch gezien het kerngebied van het Beloofde Land. Zij zijn samen met de Gazastrook  in 1967 door Israel ingenomen en aanvankelijk aan Israelisch militair bestuur onderworpen, waarbij Israel de facto de Vierde Geneefse Conventie (daarover meer hieronder) heeft toegepast. Met betrekking tot Judea en Samaria en de Gazastrook is in de vanaf 1993 door Israel en de PLO gesloten Oslo-akkoorden een complex regime voor het bestuur van deze gebieden afgesproken, waarbij belangrijke bevoegdheden ten aanzien van civiel bestuur en ordehandhaving in grote delen van deze gebieden zijn overgedragen aan de Palestijnse Autoriteit met behoud van de verantwoordelijkheid van Israel voor de externe veiligheid en bescherming van de Joodse nederzettingen. De afspraken met de PLO hebben het karakter van een overgangsregime dat in de toekomst plaats moet maken voor een definitieve regeling waarover onderhandeld moet worden. Die onderhandelingen hebben onder andere betrekking op de status van Jeruzalem, de nederzettingen en de grenzen. Van voortgang op dit punt is thans (najaar 2009) geen sprake. In 2005 heeft Israel zich teruggetrokken uit de Gazastrook en alle Joodse nederzettingen daar en enkele op de Westbank, ontruimd. Het civiele bestuur dat in handen was van de Palestijnse Autoriteit heeft inmiddels na een staatsgreep plaats moeten maken voor een door Hamas gedomineerd regime. Hamas is blijkens zijn Handvest uit op de vernietiging van Israel en van het Joodse volk. Israel beschouwt de Gazastrook nu als een vijandige entiteit. Het Israelische Hooggerechtshof heeft in een uitspraak van 30 januari 2008 vastgesteld dat sinds 2005 Israel niet langer effectieve controle uitoefent over de Gazastrook. Het meende dan ook terecht dat de bepalingen met  betrekking tot de verantwoordelijkheid van een bezettende macht onder het internationale humanitair oorlogsrecht niet van toepassing zijn op de Gazastrook. Overigens vindt de opvatting dat de Gazastrook ook in de huidige situatie als ‘bezet gebied’ moet gelden, nog steeds veel steun in internationaalrechterlijke kring.

Nederzettingen

Het voorgaande is van belang voor de status van de Joodse nederzettingen in de omstreden gebieden. Door de critici van Israel worden deze als een ernstige inbreuk op het internationaal recht gezien en als een voornaam obstakel op de weg naar vrede in het Midden-Oosten. Dat standpunt is niet terecht. We moeten vaststellen dat de nederzettingen zich bevinden op het oorspronkelijke gebied van het Mandaat dat was aangewezen voor de vestiging van het Joods nationaal tehuis. Hierboven heb ik reeds uiteengezet dat de rechten van het Joodse volk onder het Mandaat nooit zijn vervallen. Daartoe behoort ook het recht dat te vinden is in artikel 6 dat bepaalt: ‘The Administration of Palestine, while ensuring that the rights and position of other sections of the population are not prejudice, shall facilitate Jewish immigration under suitable conditions and shall encourage,(…) close settlements by Jews on the land, including State lands and waste lands not required for public purposes.’ Joden die zich onder deze voorwaarden vestigen of hebben gevestigd hebben in Judea, Samaria en Gaza kunnen zich op deze bepaling beroepen. Die vestiging is overigens door recente regelingen van de Israelische overheid ernstig beknot. Hierbij moet worden opgemerkt dat de tot dusverre met de vertegenwoordigers van de Palestijnse Arabieren gesloten akkoorden de nederzettingen niet illegaal zijn verklaard. Het in 1995 tussen Israel en de Palestijnse Arabieren gesloten interim-akkoord over de Westbank en de Gazastrook bepaalt uitdrukkelijk dat Israel verantwoordelijk is voor de veiligheid van de nederzettingen. Vooruitgrijpend op wat hieronder zal worden gezegd over het humanitaire oorlogsrecht sta ik tot slot stil bij de stelling van het IGH in zijn Advies van 9 juli 2004 dat de nederzettingen in het naar het oordeel van het Hof  ‘bezette’ gebieden, zonder meer als strijdig met het humanitair recht geoordeeld moeten worden. Zij zouden namelijk ingaan tegen het aan een bezettende macht opgelegd verbod om delen van zijn eigen bevolking te deporteren of te verplaatsen naar bezette gebieden (artikel 49 lid 6 van de Vierde Geneefse Conventie). Achtergrond van deze bepaling is de Nazipraktijk van massale deportaties gedurende de Tweede Wereldoorlog, waarbij delen van hun eigen bevolking naar bezette gebieden werden gedeporteerd om politieke en raciale redenen, of om die gebieden te koloniseren. Hierboven is al aangetoond dat er geen sprake is van ‘bezette gebieden’. Maar zelfs indien men daarvan zou moeten uitgaan, dan nog legt het Hof het verbod in artikel 49 lid 6 veel te ruim uit. Bij vrijwillige vestiging door Joodse ‘settlers’, die gebruik maken van het in het Mandaat gegeven recht tot vestiging is van een gedwongen deportatie of verplaatsing immers geen sprake. Het is gelet op de geschiedenis wel bijzonder bitter dat het IGH van Israel verlangt om de vestiging van Joden in de omstreden gebieden, inclusief het oostelijk deel van Jeruzalem, te verbieden en deze gebieden daarmee Judenrein te maken.

Samenvatting

Over de grenzen van de staat Israel is veel te zeggen. Aan de hand van historische ontwikkelingen hebben we in het voorgaande getracht om, vanwege de weerbarstige politieke praktijk, het zo ingewikkelde vraagstuk iets te verhelderen. De omvang van het mandaatgebied was nog redelijk duidelijk, afgezien van de verschuivingen rondom de Golan. De reductie van de mandaatverplichting in 1923 tot het gebied ten westen van de Jordaan bood ook nog houvast. Vanuit de fundamentele betekenis van het Mandaat ligt het voor de hand deze grenzen tot uitgangspunt te nemen bij de bepaling van de grenzen van Israel. Falend beleid van de mandataris en agressie van Arabische staten maakten het de staat Israel in 1948 onmogelijk hiervan uit te gaan. In 1949 werden de wapenstilstandslijnen afgesproken die uitdrukkelijk niet het doel hadden de uiteindelijke internationale grenzen te bepalen. In de politieke praktijk, die ook door veel juristen wordt gevolgd, hebben de wapenstilstandlijnen van 1949 echter een status toebedeeld gekregen die zij juridisch gezien uitdrukkelijk niet hebben. Vanuit deze door ons bekritiseerde visie worden de gebieden die in 1967 onder Israelische controle zijn gekomen als ‘bezet’ gekwalificeerd, ook al omvatten zij het hart van de Joodse staat: Judea, Samaria en Oost-Jeruzalem. Deze visie ontzegt ook ten onrechte aan de Joodse bewoners van de nederzetttingen in deze gebieden het recht om zich daar te vestigen…(einde citaat!)

De leiders van ‘The Yesha Council’, een Raad die werkzaam is in de lokale gebieden van Judea en Samaria hebben de eis ‘om te stoppen met bouwen in bezet gebied’ verworpen die de ‘Palestinian Authority’ hadden gesteld als voorwaarde voor voortgaande vredesbesprekingen. Zij zien deze eis als een onaanvaardbaar drukmiddel en beschouwen het als een ‘politics blackmail’!

Het zijn de enkelingen geweest die in de geschiedenis van Israel altijd weer hebben gewezen op de landbelofte. Deze gedane landbelofte  aan de aartsvaders Abraham, Izaak en Jacob staan ook vandaag nog onwrikbaar vast. De Torah en de Profeten zijn daar ook vandaag nog heel duidelijk over zoals beschreven in de volgende Schriftplaatsen: Gen.12:7,13:17,15:18,17:8,28:13,Joz.1:4,Lev.26:42.

Ezechiel 36:23

Ezechiel 36:23

Om die reden heeft de Eeuwige zich niet in het ongewisse gelaten om ons in deze tijd een belangrijke (blijde) boodschap mee te geven t.a.v. de zogenaamde ‘Westelijke Jordaanoever’ (Judea en Samaria) verhaalt door de profeet Ezechiel in de hoofdstukken 35 en 36. Deze hoofdstukken 35 en 36 zijn twee delen van één geheel. In Ezech.35:3 lezen we dat er geprofeteerd wordt tegen een berg, -het gebergte Seir-, en in Ezech.36:1 wordt er geprofeteerd aan of over de bergen van Israel! Interessant is te zien dat beide hoofdstukken eindigen met de zelfde belofte…‘en men zal weten dat Ik de Here ben’. Hier wordt heel duidelijk gemaakt dat niets Hem tegenhoudt, ook al spannen de wereldleiders in allerlei geopolitieke spelletjes samen, om dit ‘historische Bijbelse hartland’ te verdelen, wat uiteindelijk zal uitlopen op een verschrikkelijk oordeel:

‘En het land zal niet altijd verkocht worden worden, want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij’…(Lev.25:23).

‘Want zie, in die dagen en te dien tijde, wanneer Ik een keer zal brengen in het lot van Juda en Jeruzalem, zal Ik alle volken verzamelen en afvoeren naar het dal van Josafat, en ik zal aldaar met hen in het gericht treden ter oorzake van mijn volk en van mijn erfdeel Israel, dat zij onder de volken verstrooid hebben, terwijl zij mijn land verdeelden’…(Joel 3:1).

Gerard J.C. Plas

 

Van wie is het land Israël?

 Artikelen  Comments Off on Van wie is het land Israël?
Apr 052010
 

50e jaargang – april 2010 – Artikel 3

Het Land Israel

Het Land Israel

Het gevecht om het bezit van de kleine landstrook tussen de Jordaan en de Middellandse Zee, dat wij kennen als Israël, stamt van ver voor onze jaartelling. In de oudheid vochten Joden en Romeinen erom, daarna Byzantijnen en moslims, later kruisvaarders en Mameluken, daarna Turken en Britten en nu Palestijnen en Israël. Extra bijzonder wordt het als we beseffen dat het om een gebied gaat dat kleiner is dan Nederland; een land zonder bodemschatten (reeds zijn er gas en olievoorraden ontdekt, Deut.33:24,25 red.) geen olie zoals Saoedi-Arabië en geen goud en diamanten zoals Zuid-Afrika; een land dat voor zestig procent uit woestijn bestaat.

Wat is er dan zo begerenswaardig aan Israël? Is het misschien omdat het ’t Heilige Land wordt genoemd? Het land dat God heeft beloofd aan het nageslacht van Abraham, dus aan het volk Israël? Of is het meer? In Exodus 13:5 en Jozua 21:43 staat: ‘De Heer heeft de Israëlieten het hele land gegeven dat Hij hun voorouders onder ede beloofd had’.
In het Hebreeuws staat er eigenlijk dat God het slechts aan de Israëlieten heeft uitgeleend. Dat betekent dat het land Israël nog steeds van Hem is. Zo heeft God zich zijn ‘vetorecht’ voorbehouden. Over dit ‘vetorecht’ lezen we in Lev.26:27-35…‘Als jullie hierna nog niet naar Mij willen luisteren en tegen Mij in blijven gaan, zal Ik jullie onder vreemde volken verstrooien; je zult moeten vluchten voor het getrokken zwaard. Je land zal een woestenij zijn en je steden zullen in puin liggen. Dan zal het rusten ter vergoeding van de sabbatsjaren. Zolang het land braak ligt, heeft het de rust die jullie het, toen je er woonde, tijdens de
sabbatsjaren niet hebben gegund.
’ Wij zien hier dat de Joden het land van God alleen te leen hebben gekregen. Als zij hun pacht niet betalen, niet doen wat God wil, dan verdrijft Hij hen uit dit mooie land. Omdat wij nu weten dat Eretz-Israël in werkelijkheid Gods eigendom is, kunnen we erop vertrouwen, dat God zich zijn land door niemand laat ontnemen, of het nu buitenlandse machten of Israëlische politici zijn, die Gods land aan de Palestijnen willen afstaan in ruil voor vrede met de Arabische landen. Tot nu toe heeft God alle Israëlische regeringsleiders die Gods land willen verdelen in een Joodse en Palestijnse staat, van het politieke toneel laten verdwijnen. Het begon bij Yitchak Rabin met de Osloakkoorden, daarna Benjamin Netanyahu (eerste ambtsperiode), evenzo Ehud Barak, Ariël Sharon en Ehud Olmert; zij waren allemaal bereid Gods land in te ruilen voor vrede met de Palestijnen. Maar telkens greep God in voordat de tweestatenoplossing werd gerealiseerd. Want in werkelijkheid is dit niets anders dan een ordinaire verdeling: van één staat worden twee staten gemaakt. Maar God daagt iedereen voor het gerecht, die zijn land verdeelt of wil verdelen. Hij zegt letterlijk dat wat zij Israël hebben aangedaan op hun eigen hoofd zal neerkomen (Joël 3:1-4). Wij mogen niet vergeten dat God de volkeren beoordeelt naar hun houding ten opzichte van Israël!

EU-topdiplomaat Solana betrad een gevaarlijke weg toen hij de VN-Veiligheidsraad vroeg om de Palestijnse staat eenzijdig te erkennen in het geval Israël niet op de voorwaarden van de Palestijnen ingaat. Dit verzoek bewijst dat Solana aan de kant van de Palestijnen staat, en dat brengt de Europese Unie in direct gevaar. De Franse minister van Buitenlandse Zaken Kouchner beticht Israël van halsstarrigheid, omdat Israël geen afstand wil doen van Judea, Samaria en Jeruzalem. Vraag: zou Frankrijk afstand doen van de Elzas? Ook de meerderheid van de Nederlandse politici eist van Israël de tweestatenoplossing. Gods land moet verdeeld worden. Zelfs de Amerikaanse presiden Obama wil Israël dwingen om Judea, Samaria en de Oude Stad van Jeruzalem op te geven. Wat een hoogmoed tegen Gods wil. Maar hoogmoed komt voor de val.
Iran gaat nog een stap verder en wil dat Israël helemaal van de aardbodem wordt weggevaagd. De volken hebben deze dreiging nog nooit serieus genomen. Ook Zwitserland niet, maar toen de Libische leider Gadaffi dreigde dat hij de Verenigde Naties zou voorstellen om Zwitserland op te heffen en het Duitstalige deel bij Duitsland, het Franstalige deel bij Frankrijk en het Romaanse deel bij Italië te voegen, stonden de Zwitsers op hun achterste benen.
Israël daarentegen heeft de garantie van God dat het niet verdeeld of van de aardbodem weggevaagd zal worden, want God heeft Zelf gezegd in de profetie van Amos 9:15, die voor de eindtijd bestemd is: ‘Ik zal hen terugplanten in hun grond, en zij zullen niet meer worden weggerukt uit het land dat Ik hun heb gegeven – zegt de Heer, jullie God.’ De Israëli’s zijn al vaker uit hun beloofde land verdreven. Maar nu belooft God dat Hij hen niet meer uit Israël zal verdrijven. Met deze woorden garandeert God het eeuwige bestaan van Israël in het land van zijn voorouders, want het is tenslotte Gods land en Hij geeft het, aan wie Hij het geven wil. Dat Hij het aan het Joodse volk gaf, blijkt duidelijk uit Amos’ profetie over Israël. Het woordje ‘jullie’ geeft aan van wie het land is. Daarom kunnen we vol vertrouwen zijn. God Zelf waakt over Zijn land.
uit: Israël Today

Translate »