Hebron 1929 – over de vergeten periode van het Palestijns – ‘Israelisch’ conflict

 Artikelen  Comments Off on Hebron 1929 – over de vergeten periode van het Palestijns – ‘Israelisch’ conflict
Oct 042009
 

49e jaargang – oktober 2009 – Artikel 3

Uit een terugblik in de geschiedenis blijkt dat het Palestijns-Israëlisch conflict in West-Palestina (het gebied tussen de Middellandse Zee en de Jordaanrivier) eigenlijk de verkeerde benaming heeft. Het conflict tussen Arabieren en Joden in het gebied begon al in het begin van de twintigste eeuw, tientallen jaren voordat de staat Israël gesticht werd.

Hebron 1929

Hebron 1929

De eerste landelijke geweldsgolf tegen de Joden in West-Palestina dateert van 1920. Palestina stond toen onder Brits mandaatbestuur en zou dat nog tot 1948 blijven. In de periode tussen maart en september 1920 werden in heel het gebied Joodse nederzettingen en woonwijken aangevallen. De in Noord-Galilea gelegen kleine nederzettingen Tel Hai werd door honderden Palestijnen en Syriërs onder de voet gelopen. Daarbij kwam onder andere de legendarische Joodse leider Joseph Trumpeldor om het leven. Ook vier andere Joodse nederzettingen in Noord- Galilea moesten worden ontruimd. In Jeruzalem werden Joodse winkels geplunderd.

Onder druk van het geweld kondigde Londen maatregelen aan die de Joodse migratie naar Palestina moesten gaan beperken.
Moefti van Jeruzalem Vanaf 1920 is het in het gebied tussen de Middellandse Zee en de Jordaan niet rustig meer geweest. Op 22 augustus is het tachtig jaar geleden dat de tweede landelijke anti-Joodse geweldsgolf werd ontketend. De aanleiding was een reeks incidenten bij de Westmuur in Jeruzalem, in de zomer van 1929. Ondanks de toch al gespannen situatie tussen Joden en moslims had de moefti van Jeruzalem, Mohammed Amin al-Hoesseini, opdracht  gegeven voor het uitvoeren van herstel- en bouwwerkzaamheden in de directe omgeving van de Westmuur, in die tijd alleen toegankelijk via een steegje. Daardoor werd de toegang tot de Joodse heilige plaats verder bemoeilijkt. Tegelijkertijd werden in de aangrenzende Arabische wijk luidruchtige feesten georganiseerd, met de kennelijke bedoeling de bij de Westmuur biddende Joden te storen en te provoceren. De anti-Joodse pesterijen werden vergezeld door ophitsing van
de moslims, met antisemitische propaganda, complottheorieën en religieuze agitatie. Daarbij speelde Al-Hoesseini een hoofdrol. Op 16 augustus werden bij de Westmuur biddende Joden door moslims aangevallen en werden Torarollen in brand gestoken. De Joodse vertegenwoordigers beklaagden zich bij de Britse autoriteiten maar deze handelden niet. Op 22 augustus organiseerde de Joodse jeugdbeweging Betar een demonstratieve mars naar de Westmuur, waar zij volgens Britse ooggetuigen “met Joodse nationale vlaggen zwaaiden en zij een korte toespraak aanhoorden”. De dag daarop, na afloop van het vrijdaggebed, daalde een woeste Arabische menigte van de Tempelberg af en trok een spoor van geweld en verwoesting door de Joodse wijk in de Oude Stad. In de dagen daarna escaleerde het anti-Joodse geweld en verspreidde het zich over het hele land. Tussen 23 en 26 augustus werden door Arabische menigtes 133 Joden vermoord en 339 verwond. De overlevende inwoners van de Joodse wijken van Hebron (Judea), Peki‘in (Galilea) en Beit Shean (Jordaanvallei) vluchtten weg. Ook de Joodse nederzettingen Ramat Rachel (een kibboets ten zuiden van Jeruzalem), Beer Tuvia (Negevwoestijn), Hulda (nabij Jeruzalem) en Mishmar Ha’Emek (nabij Haifa) moesten worden ontruimd. Het aantal Joodse vluchtelingen bedroeg meer dan achtduizend. Bij het geweld kwamen ook 116 Arabieren om het leven. Daarvan werden er 110 door Britse veiligheidstroepen gedood en zes bij een Joodse tegenaanval in Tel Aviv. De rellen hadden een dusdanige intensiteit dat het Britse mandaatbestuur uit voorzorg alle kranten sloot en de telefoon- en telegraafverbindingen met het buitenland verbrak.
Ooggetuigenverslag Hebron
De Nederlands-Canadese journalist Pierre van Paassen was in die periode in Palestina. Hij schreef in zijn boek Days of Our years het volgende verslag over de verschrikkelijke gebeurtenissen in Hebron, die aan 67 leden van de kleine eeuwenoude Joodse gemeenschap het leven kostten. ‘Toen de Arabieren van Hebron op vrijdagavond 23 augustus hun gebedshuis verlieten, werden aan hen vervalste foto’s getoond van een in puin liggende Omar moskee [de zgn. Rotskoepel, WK] in Jeruzalem. Op de foto’s stond geschreven dat het gebouw door de zionisten was gebombardeerd. Een Jood die voorbij kwam op weg naar de synagoge werd met een mes doodgestoken. Toen hij over de moord hoorde, waarschuwde rabbijn Slonim (een man die in de stad geboren was en een vriend van de Arabische hoogwaardigheidsbekleders) de Britse politiecommandant. Maar hem werd gezegd dat hij zich met zijn eigen zaken moest bemoeien. Een uur later werd de synagoge door een bende Arabieren aangevallen en werden de biddende Joden afgeslacht.’ De volgende dag werd de jesjiva,het Joods theologisch seminarium, geplunderd en werden de aanwezige studenten vermoord. Daarop ging een delegatie van Joodse inwoners op weg naar het politiebureau, maar zij kwamen de lynchers tegen, keerden terug en zochten een toevlucht in de woning van rabbijn Slonim. Daar bleven zij tot de avond, toen een bende er voor de deur verscheen. Omdat ze er niet in slaagden de deur in te beuken klommen de Arabieren in de bomen achter het huis, sprongen van daaruit op het balkon en gingen door de ramen op de eerste verdieping naar binnen. Inmiddels was er bereden politie aangekomen – Arabische manschappen in overheidsdienst – en sommige Joden renden de trappen van Slonims huis af en de weg op. Ze klampten zich aan de paardennekken vast en smeekten de politiemannen om af te stijgen en hun vrienden en familieleden in het huis te beschermen.
Vanuit de bovenramen kwam intussen het verschrikkelijke geschreeuw van de oude mensen, maar de politiemannen galoppeerden weg, de jongens op de weg achterlatend. Die werden neergestoken door de Arabieren, die van alle kanten waren aangekomen om aan de bloedorgie mee te doen.’ ‘Wat er in de bovenkamers van Slonims huis gebeurd was, werd duidelijk toen wij daar binnenkwamen en zagen dat de drie meter hoge plafonds onder het bloed zaten. De kamers zagen eruit als een slachthuis. Toen ik de plaats bezocht stond het bloed in een grote plas op de enigszins verzakte vloer van het huis. Klokken, aardewerk, tafels en ramen waren aan diggelen geslagen. Van de spullen die niet waren geroofd was niets heel gelaten, behalve een grote foto van dr. Theodor Herlz, de stichter van het politiek zionisme. Rond de fotolijst hadden de moordenaars het in bloed gedrenkte ondergoed van een vrouw gedrapeerd. Op dezelfde dag van het bloedbad in Hebron waren er Arabische rellen in Jeruzalem waarbij ‘Dood aan de Joden’ werd geroepen en ‘De regering staat aan onze kant’.

Het feit dat Joodse gemeenschappen in het gehele land op hetzelfde moment waren aangevallen, werd door de krant van de moefti, Falastin, geïnterpreteerd als “bewijs van spontaniteit van de Arabische verontwaardiging”.’ Van de 562 Joodse inwoners van Hebron werden er 67 omgebracht en 60 gewond. Overigens werd een deel van de overlevenden door hun islamitische buren gered. Met het bloedbad van 1929 kwam een voorlopig einde aan de Joodse wijk van de stad waar Joden hebben gewoond sinds de dagen van koning Saul, de voorganger van koning David.
uit:

Israël Nieuwsbrief / www.cidi.nl

geschreven door Wim Kortenoeven, thans Kamerlid PVV
met in zijn portefeuille buitenland en ontwikkelingshulp

80 jaar na het bloedbad in Hebron

 Artikelen  Comments Off on 80 jaar na het bloedbad in Hebron
Oct 032009
 

49e jaargang – oktober 2009 – Artikel 4

De wortels van het conflict

Bij het samenvatten van het Palestijns- Israëlisch conflict komt men meestal uit bij twee jaartallen: 1948, het jaar dat de staat Israël werd gesticht en 1967, het jaar dat Israël de Zesdaagse Oorlog won en daarbij grondgebied op de Arabische buurlanden veroverde. Ook aan de orde komen dan de verschillende met die gebeurtenissen verbonden concrete (en beladen) vraagstukken, zoals ‘Palestijnse vluchtelingen’, ‘de Israëlische bezetting’, ‘Joodse nederzettingen’ en ‘Palestijnse onafhankelijkheid’.

Algemeen wordt gedacht dat het oplossen van deze vraagstukken, in het kader van het uitgangspunt ‘land voor vrede’, de sleutel vormt voor het bereiken van een duurzame vrede tussen de Joden en Arabieren in het gebied tussen de Middellandse Zee en de Jordaan. Als zodanig is ook de aandacht van de internationale politiek hierop gevestigd. De vraag is echter of hiermee niet aan een vorm van symptoombestrijding wordt gedaan (waarmee niet gezegd is dat genoemde vraagstukken niet zouden moeten worden opgelost).
Er zijn immers aanwijzingen dat de onderliggende oorzaken van het conflict, de werkelijke wortels ervan, van een geheel andere aard zijn. Daarbij moet men denken aan ‘onstoffelijke’ fenomenen zoals religieus geïnspireerde exclusieve territoriale aanspraken (van zowel Joden als moslims), identiteitsvraagstukken, en vooroordelen en islamitische dogma’s over Joden. De onstoffelijke conflictwortels liggen aan de basis van stoffelijke aspecten van het conflict, zoals oorlogen en opstanden. Palestijnse én Joodse vluchtelingenvraagstukken, terrorisme en draconische Israëlische veiligheidsmaatregelen.

Hebron en Jeruzalem

Hebron & Jeruzalem

Hebron & Jeruzalem

Exclusieve territoriale aanspraken en identiteitsvraagstukken gelden bijvoorbeeld in Hebron, waar in de ruim tweeduizend jaar oude Machpéla de aartsvaders en –moeders van Israël begraven zijn. Omdat de islam alle oudtestamentische sleutelfiguren (zoals de aartsvaders en -moeders en de profeten) met terugwerkende kracht een louter islamitische identiteit heeft toegedicht, worden de Joodse aanspraken echter geheel overschaduwd. Na de islamitische verovering van Palestina, in 638, werd de voor de Joden identiteitsbepalende Machpéla een moskee en werd de Joden de toegang ontzegd.
Pas in 1967, na de verovering van Hebron door Israël, werd dat toegangsverbod opgeheven. Exclusieve aanspraken en identiteitsvraagstukken gelden ook op de Tempelberg in Jeruzalem, de heiligste plek van het Jodendom en de op twee na heiligste plek voor de islam, waar islamitische bouwwerken zich op de plaats bevinden waar volgens de Joodse traditie ooit de Derde Tempel moet worden gebouwd. Het gaat ook hier om ‘gestolde plaatsgebonden identiteit’, in eerste instantie voor het Jodendom  en voor de zionistische beweging, die de politieke en organisatorische basis legde voor de stichting van de moderne Joodse staat Israël. Zonder Zion (een metafoor voor Jeruzalem, met als kern daarvan de Tempelberg) geen zionisme en geen legitimatie van de Joodse aspiraties om juist in Palestina een eigen staat te stichten en te handhaven.
Dat wordt ook door de tegenstanders van de Joodse staat ingezien. Zo verklaarde de ambassadeur van de PLO in Libanon Abbas Zake, op 7 mei 2009 in een interview met de Arabische tv-zender Arabic News Broadcast:“Zij spreken over een twee-statenoplossing […]Zelfs [de Iraanse president MahMoud Ahmadinejad] leider van het afwijzingsfront in de regio, heeft tegen aanhangers gezegd dat hij een tweestatenoplossing steunt. Niemand wordt hier voor de gek gehouden. Naar mijn mening zal Israël vanwege een tweestatenoplossing ineenstorten. Immers, als zij uit Jeruzalem wegtrekken, wat zal er dan worden van al dat gepraat over het Beloofde Land en het uitverkoren volk? Wat zal er worden van al die opofferingen die zij zich getroost hebben, als hen eenvoudig wordt gezegd te vertrekken? Zij kennen Jeruzalem een bijzondere spirituele status toe. De

Joden zien Judea en Samaria [de ‘West Bank’, WK] als hun historische droom. Als de Joden die plekken verlaten zal het zionistische ideaal ineen beginnen te storten. Het zal van binnenuit verzwakken. En dan zullen wij oprukken”. In Zaki’s uitspraak weerklinkt een van de werkelijke wortels van het conflict: de weigering (in dit geval verwoord door een functionaris van de als gematigd bekend staande PLO, die in 1993 Israël erkende) van een belangrijk deel van de Arabische omgeving om definitief met het bestaan van een Joodse politieke entiteit te leven.


Dhimma en Joodse soevereiniteit

Deze weigering kan voor een belangrijk deel worden verklaard vanuit het instituut van de dhimma, het door islamstichter Mohammed ingevoerde beschermings- en onderwerpingsstatuut voor de ‘volken van het boek’: Joden en christenen. Omdat de Joden na hun afwijzing van de door Mohammed verkondigde nieuwe religie werden gezien als de gevaarlijkste vijanden van de islam, is de in de dhimma geïnstitutionaliseerde discriminatie op hen het meest consequent toegepast. Het is vanuit het gedachtegoed van de dhimma onaanvaardbaar dat Joden duurzame politieke soevereiniteit zouden kunnen uitoefenen in enig deel van de wereld – die uiteindelijk voorbestemd is om volledig onder islamitische heerschappij te komen – laat staan in een gebied dat al onder islamitisch bewind heeft gestaan, in casu Palestina. De onstoffelijke conflictwortels predateren de stoffelijke aspecten van het conflict maar zij overstijgen die tegelijkertijd, omdat zij het conflict blijven voeden.

In de politieke dimensie en in die van de zich met conflict bezighoudende internationale en non-gouvernementele organisaties worden de werkelijke conflictwortels echter naar de achtergrond of naar de toekomst geschoven, naar moet worden aangenomen omdat het oplossen ervan problematisch en onder de huidige omstandigheden wellicht zelfs onmogelijk geacht. Het onderkennen van deze situatie en het benoemen van de werkelijke conflictwortels is echter van groot belang. Zo kan het helpen verklaren waarom het conflict, ondanks langdurige en intensieve internationale bemoeiingen en een sinds 1993 lopend vredesproces, nog niet is opgelost. Dat biedt wellicht mogelijkheden voor het vinden van nieuw oplossingsmodellen. Daarbij moet men vooral denken aan het waar mogelijk wegnemen, laten intrekken of op andere manieren deactiveren van oorspronkelijke uit de zevende eeuw daterende anti-Joodse doctrines en vooroordelen die in de moderne tijd via onderwijssystemen en media hun vredesondermijnende werk verrichten.
Het afdoen van Arabische agressie – tegen het zionisme en de Joodse presentie in Palestina – als een verzet tegen modernisering is achterhaald gebleken, want die agressie heeft de modernisering overleefd.

Systematische indoctrinatie
Het lijkt ondenkbaar dat een duurzame vrede kan worden gerealiseerd zolang Palestijnen en andere Arabieren systematisch worden geïndoctrineerd met uitspraken en oproepen die terugkoppelen naar de wortels van het conflict, uitspraken en oproepen die echo’s zijn van die van de moefti van Jeruzalem, voorafgaand aan de geweldsgolven die Palestina hebben geteisterd in de periode tussen 1920 en 1948. Zoals de volgende van de Egyptisch geestelijke Mohammed Hussein Ya’quob, gedaan op 17 januari 2009 in een preek op de tv-zender Al-Rahma: “Als de Joden Palestina aan ons zouden laten, zouden wij dan van ze gaan houden? Natuurlijk niet. Wij zullen nooit van hen houden. […] Zij zijn de vijand niet omdat zij Palestina bezetten. Ook als zij helemaal niets bezet zouden houden zouden zij onze vijand geweest zijn.[…] Wij moeten geloven dat ons gevecht met de Joden van eeuwige duur is. Het zal niet eindigen tot de laatste veldslag. Jullie moeten geloven dat wij de Joden zullen bevechten, zullen overwinnen en zullen uitroeien, tot er niet één Jood meer op de aardbodem overblijft. Ik ben het niet die dat zegt. De profeet [Mohammed] zegt: ‘De Dag des Oordeels zal niet aanbreken tot jullie de Joden zullen bevechten en zullen doden. De Joden zullen zich achter stenen en rotsen verstoppen en de stenen en de rotsen zullen uitroepen: Oh moslim, o dienaar van Allah, er zit een Jood achter mij, kom en dood hem’.” Dezelfde aan islamstichter Mohammed toegeschreven oproep tot genocide op de Joden, niet alleen die in Israël, staat in artikel 7 van het handvest van de Palestijnse Islamitische Verzetsbeweging Hamas. Hier ligt de basiswortel van het Palestijns Israëlisch conflict.

uit: Israël Nieuwsbrief /  www.cidi.nl

geschreven door Wim Kortenoeven, thans Kamerlid PVV
met in zijn portefeuille buitenland en ontwikkelingshulp

Boek aanbeveling: De kern van de zaak
‘Feiten en Achtergronden van het Arabisch-Israëlisch Conflict’ door Wim Kortenoeven is voor € 27,95 bij uw boekhandel of uitgever Aspekt verkrijgbaar.

Translate »