May 062012
 

De stad heeft in de christelijke traditie een slechte naam. Vooral de grote stad, de metropool; denk aan Sodom, Ninivé, Babel en Rome. Al deze in de Bijbel genoemde steden waren poelen van zonde en verderf.

En de grote metropolen van onze beschaving, bijvoorbeeld Parijs, Rome, New York en niet te vergeten Amsterdam, doen daar niet voor onder! Ach nee, we denken bij het begrip stad niet aan vriendelijke, kleine stadjes als Franeker, Woerden of Oudewater.

Toch beseffen we wel, dat het gekunsteld zou zijn, als we de grote steden alleen maar zwart zouden afschilderen en dorpen als toonbeeld van blankheid, braafheid en reinheid. De zonde heerst overal en bovendien dringt de geest van de tijd overal door en zijn de meeste van onze dorpen en kleine stadjes ook aan het verstedelijken. Het lijkt mij irreeel en onnut, een moraliserend betoog op te gaan zetten over de stadsmens en de dorpsmens, waarbij deze laatste er dan beter van af zou komen. Wel moet onder het oog worden gezien, dat de grote stad veel grotere verleidingen inhoudt; dat de zonde er veel brutaler op straat ligt.

Wij willen nu iets trachten te zeggen over de wezenlijkste en diepste achtergronden en beginselen van het schriftuurlijke begrip stad, als vorm en gestalte van menselijk samenleven. Het gaat nu dus om de stad als symbool, niet om het leven in de stad, want zowel in dorp als stad wonen gelovigen en ongelovigen, kinderen van God en kinderen van de wereld. En ook in bijbelse zin denken we dan weer niet aan allerlei voor de hand liggende historische motieven voor stedebouw, bijvoorbeeld de ommuurde nederzetting als bescherming tegen vijanden, en kleine stadjes als Bethlehem, die zich eigenlijk in niets onderscheiden van dorpen, dan door hun beschermende muren. Neen, wij willen ons graag bezinnen op de geestelijke achtergronden van de stad, als uitdrukking van de verhouding van de mens tot God.

Heeft de stad daar dan iets mee te maken? Als we doordringen in de schriftuurlijke verbanden, waarin over stedebouw en het verschijnsel van de stad gesproken wordt, zien we daarin een heel belangrijke ontwikkeling.

Voor ik tracht daar iets over te zeggen, moet eerst nog een en ander worden opgemerkt over wat er gebeurde voor de mens steden ging bouwen.

De geschiedenis van de mensheid begon niet met de stad; die begon met een grote tuin, de hof van Eden. Dat was de afgezonderde wereld van de eerste mens. Hij leefde daar in voortdurend contact met zijn Schepper, omringd door het planten en dierenrijk. Zou de mens niet van de Boom der Kennis hebben gegeten, dan zou de Boom des Levens voor hem toegankelijk zijn geweest en dan zou hij onsterfelijk van heerlijkheid tot heerlijkheid hebben kunnen leven. Door die Boom des Levens was hij immers verbonden met God en etende van de vrucht van die boom zouden hem alle geheimen van wereld en leven zijn geopenbaard.

Wat gebeurde er eigenlijk toen de mens ongehoorzaam was en van de vrucht van de Boom der Kennis at? Toen werd hij niet alleen gestraft met sterfelijkheid en veel moeite en ellende, met verdrijving uit het paradijs, maar de gevolgen van zijn daad waren ook wetmatig.

In die Boom des Levens kon de ziel van de mens zich verbinden met God en in die verbinding met God lag alle kennis van de wereld en alle ontwikkelingen al besloten. Die Boom des Levens is de wonderboom, want die Boom is al vrucht, die is al af,  daarin zit alle welzijn en zaligheid al besloten.

Toen de mens evenwel van de Boom der Kennis at, maakte hij zich één met een boom, die vrucht maakt, met een normale boom, zouden we zeggen, want wij kennen geen boom als de levensboom, die al vrucht is, waarin alles al klaar is. Toen de mens dus de vrucht van de Boom der Kennis tot zich nam en zich daarmee één maakte, betekende dat  onder meer, dat hij de weg ontwikkeling moest gaan volgen.

Dat fascineerde de mens: niet alles kant en klaar van God, maar zelf doen, ontwikkelen, spelen met de onbegrensde mogelijkheden van de schepping, het kennen van goed en kwaad. Daarom was de vrucht zo begeerlijk toen satan de vrouw verleidde.

Maar de mens begreep helemaal niet, dat er een dodelijk vergif in die vrucht schuilde, dat de ontwikkeling in de weg van de autonomie al verder van God afvoert en zich eindeloos vermenigvuldigt. De vrucht van de Boom des Levens voert de mens tot in het hart van God; de vrucht van de Boom der Kennis is in ongehoorzaamheid verworven en voert van God af. Deze boom maakt vrucht, steeds meer, en hoe groter de veelheid wordt, hoe krachtelozer de ontwikkeling, totdat aan het einde van de tijd de ontwikkeling explodeert. Dat gebeurde bij de zondvloed, dat gebeurde bij de torenbouw van Babel, met alle wereldrijken en dat zal ook met onze wereld het geval zijn. Als de maat der ontwikkeling vol is, als de veelheid van de vruchten tot ontaarding en verrotting leidt, dan blijkt de weg der ontwikkeling tot de dood geleid te hebben.

In dit hele proces neemt de stad een overheersende plaats in. De stad is een samenballing van menselijke kennis en kracht. Het beginsel vinden we al bij de toren van Babel, het prototype van elke stadsvorming en tot zijn uiterste gekomen in Babylon.

Van God vervreemd, laten we goed opletten, niet God-loos, niet a-theistisch, maar van God vervreemd, brengt Kain het verkeerde offer. Het is begonnen bij Kain. Hij was de eerste zoon van Adam en Eva, hij wist van God; hij stond nog dicht bij de schepping, bij het paradijs, er waren prachtige herinneringen van zijn ouders.

Hij was geen atheist; hij was religieus, want hij bracht offers aan God. Er zijn veel religieuze mensen, die in het bestaan van God geloven, maar die Hem niet werkelijk dienen. Kain had niet de rechte gezindheid jegens God. Dat verraadt de aarde van zijn offer: de vruchten van het veld. Hij besefte niet, zoals Abel, de ernst van de val; van de zonde, die slechts met bloed verzoend kon worden. Kain bracht het offer van de aarde; Abel het offer van de ziel, het leven. De valse religie wil God gunstig stemmen door Hem een cadeautje te geven; een vrucht van de ontwikkeling. God mag best ook wat hebben en je weet nooit wat nog oplevert.

Het geloof geeft God geen cadeautjes; Abel weet dat hij de ziel moet geven, het bloed, het leven. Alleen het bloed kan hem weer met de God van zijn leven verbinden. Kain gelooft wel in het bestaan van God, maar hij gaat zijn eigen gang en probeert gunsten van God te krijgen. Hij wil niet wezenlijk naar God terug; hij wil God gebruiken op de weg der ontwikkeling. God moet de eigengerechtigheid goedkeuren en Zijn medewerking er aan verbinden. God moet ‘Kulturfreundlich’ zijn.

Als hij zijn broer vermoord heeft, weet hij zich ter dood veroordeeld. Het bloed van Abel roept van de aarde en hij moet nu alles doen om die dood en die dode te ontvluchten. En Kain roept, dat hij zijns broeders hoeder niet is, hij vertegenwoordigt de latere wereld, die geen hoeder wil zijn van het zegenrijke Godsvolk in haar midden, die niet mee wil doen met het ware geloof, dat terug wil naar God.

Hij heeft de gelovige uitgestoten en de weg der ontwikkeling lief. Als God hem zegt, dat niemand hem mag doden, maar dat hij zal dolen en zwerven, denkt hij God te slim af te zijn. Hij bouwt een stad; hij kapselt zich in in de illusoire veiligheid en het illusoire comfort van het goede leven in een stad. Hij ontvlucht altoos de dood en hij tracht de dood te vergeten in de weg van ontwikkeling en kennis en zo vlucht hij in de cultuur. Zijn zonen zijn Jabal en Tubal-Kain. Jabal schept de muziek, de muze, de kunst. De mens ontwikkelt de scheppingskrachten van de geest, de zintuigen, de schoonheid. Tubal-Kain schept de techniek. De ontwikkelingskrachten gaan zich ontplooien en de concentratie, de inspirator en de stimulator van de ontwikkeling is de stad: een bolwerk tegen God en de dood. Het dolen en zwerven denkt Kain op te heffen door zich te vestigen; de stad is de nederzetting, daar zet de doler en de zwerver, de vluchteling voor de dood zich neer. Het lijkt wel of Kains straf  niet zo erg is en dat hij helemaal geen zwerver is. En toch is hij dat wel. Is het niet merkwaardig, dat de Hebreeuwse woorden ‘zwerver’ en ‘vluchteling’ omgekeerd het woord ‘Eden’ inhouden?

Daar was de eenheid met God, de harmonie; in de stad, die Kain bouwt is de veelheid der ontwikkeling. Teveel wegen, teveel mogelijkheden, een explosie van de veelheid, een opgaan in het uiterlijke, een roes van genot, die geen geluk is. Kain is toch op de vlucht, hij is toch een zwerver, want hij heeft de ziel gedood. Hij is de eenheid met God kwijt en al dat razend bouwen aan de stad, dat opgaan in de muze en de techniek, dat zich verliezen in genietingen, is vergetelheid zoeken in de cultus van het geschapene, stoffelijke en zintuigelijke. De ziel van Kain en al zijn navolgers is dolend en zwervend, ver van God waar haar enige rust en verzadiging is. De Kains zijn gesettelde zwervers, ziel-loze lichamen, die terecht de dood vrezen, want met de dood van het lichaam is alles voorbij. Voor het lichaam alleen is er geen toekomst. Ook de stad, die hij bouwt, is een lichaam zonder ziel, want het is een stad zonder levensboom, zonder tempel, zonder een huis waar God woont.

De steden staan vol met afgoden, maar dat zijn zelfs geen afbeeldingen van God, dat zijn afbeeldingen van supermensen, afbeeldingen van de vruchten van de Boom der Kennis, die door de mens tot goden gemaakt zijn. En nu moeten wij even goed de wezenlijkheid van de dingen vasthouden, dat gebeuren speelt zich niet alleen in de stad af, ook buiten, op het platteland. Die stad is overal waar de wereld zich ontwikkelt uit eigen wortel, uit de Boom der Kennis. Dat is het schriftuurlijke begrip  stad, de negatieve gestalte van de stad, want zoals we later zullen zien, is er ook een positieve stad. Het gaat heus niet omm het verschil tussen de stad en het dorp, tussen de steenhoop en buiten wonen. Dat is natuurlijk ook wel belangrijk (en de stad geeft veel meer prikkels tot zonde en verderf), maar wezenlijk gaat het om de aard van de stad; is het een goede of is het een verderfelijke stad.

De stad is altijd dienstbaar gemaakt aan de afgoderij, aan de babelse religie, aan de macht van de mens, aan de Boom der Kennis. De stad is de gestalte van de grote stedebouwers, die de wereld willen bezitten, haar doorgronden via de kennis der wereld, via de ‘ziende’ makende weg van de vruchten der kennisboom.

Ook Faust wilde de wereld bezitten. Hij wilde de wereld doorgronden op de stoffelijke weg, met wereldse maatstaven. De duivel geeft hem die wereld, maar vraagt in ruil zijn ziel. Als de duivel de mens de ziel van de mens heeft gevraagd, komt dadelijk de ontplooiing in kennis en macht, in welzijn en weelde, in genot. Dat is de Kainscultuur. Wie de wereld voor eigen gebruik wil benutten, moet eerst zijn ziel aan de duivel verkopen. Dat probeerde de vorst dezer wereld ook bij de Here Jezus, aan Wie hij alle rijken en steden aanbood. Maar bij Jezus, die de Levensboom Zelf is, lukte dat niet.

Het is altijd weer dezelfde grote leugen: eet van de Boom der Kennis en je zult als God zijn, je zult niet sterven. Bouw een stad tot in de hemel toe en er kan niets gebeuren. Spreek één taal, schep een volmaakte communicatie, klit allemaal op elkaar en alles wat je je voorneemt, zal je gelukken. We kunnen ons er zelfs in onze tijd nog nauwelijks een voorstelling van maken, wat de mens allemaal kan, als God niet als ‘spelbreker’ optreedt. Want dat spelbreken, dat door de wereld als zo hatelijk wordt ervaren, is pure genade.

De Amerikaanse theoloog Harvey Cox schreef een boek over de stad van de mens, een ludieke, speelse stad, een nieuw Babylon, sociologisch en psychologisch uitgedokterd. Volop vrijheid, blijheid. Het werd een bestseller. Denkt u maar niet dat het onmogelijk is. Denkt u maar niet, dat we op aarde geen luilekkerland zouden kunnen maken, zij het na krankzinnige offers.

Maar dat staat God niet toe. Dat zal Hij verijdelen, zoals Hij alle ontwikkelingen liet doodlopen. Waarom? Omdat het niet verbonden is aan Hem, omdat de ziel eraan ontbreekt en alles uitloopt op verderf, decadentie, krankzinnigheid en een massa robots, die geen mensen meer zijn. Wij zouden bezwijken als mens, als beeld Gods, om dan imitatie-mensen te worden, monsters zonder ziel, die alleen maar op mensen lijken, poppen met een geprogrammeerd computerje  erin.

De ontwikkelingskrachten voeren de mens steeds verder van God af. Aan de einder staat de superstad, waarin de mens zichzelf tot God zal maken. Alle kennis en macht moet zich in die stad samenballen. Het is een stad, die reeds voorbeelden had in Babel, in Rome. De heersers worden vergoddelijkt; alle wegen leiden naar Rome; in de ‘provincie’ imiteert men Rome; wereldlijk bestel en religie zijn ervan doordrenkt. Het hele leven wordt geboetseerd naar het model van Babel.

Het is tekenend, dat het geslacht van Kain steeds in steden woont. Daar concentreert zich alle kennis en macht; steeds weer proberen de beschavingen het spelbreken van God ongedaan te maken. Steeds concentreren zich de machten der ontwikkeling in grote wereld steden: Babel, Rome, Ninevé, New York, Tokio, Parijs, Moskou. Het gouden hoofd is Babel, daar schuilt het eigenlijke principe.

Bab-el, de poort gods, de valse tegenhanger van Jeruzalem, de stad Gods. De toren van Babel werd in de vlakte van Sinear gebouwd, aan de Eufraat; het grote Babel van Nebucadnezar verrees ook in de vlakte van Sinear en het laatste grote Babylon verrijst daar ook. De vrouw met de efa en de munt uit Openbaring, de grote hoer met de gewichtsmaat en de geldmaat van de koophandel, met de beker, die alle volken bedwelmt, verstigt zich in de vlakte van Sinear, aan de oevers van de Eufraat.

Natuurlijk dáár, want daar is vanouds de satan bezig al zijn krachten te concentreren op de ondergang van de mens. Daar lag ook het paradijs en daar begon Kain zijn stad te bouwen en later Nimrod, de vader van Babel. Ik volg nu de lijn van Nimrod, de grote stedebouwer na de zondvloed.

Nimrod was een geweldig jager voor het aangezicht des Heren. De arabische traditie noemt hem vooral een jager van mensen; hij was de eerste, die met geweld een staatsmacht vestigde. Niemand heeft ooit God brutaler uitgedaagd; voor het aangezicht van God ging hij zijn gang. Hij was de grote goddeloze, Bar-Chush, de zoon van Chamiet Cusch, Bar-Chush waaraan de naam Bacchus herinnert: de god van overvloed, voor wie wilde ommegangen gehouden werden. De kern van de opzet Babel te herbouwen was om zichzelf een naam te maken.

Dat moet niet alleen verstaan worden als een poging om zich bekendheid te verwerven, om beroemd te worden, want het ging daar om alle mensen, die zich een naam wilde maken. Nu is het hebreeuwse woord voor ‘naam’ SEM, d.i. merk, banier, teken van gemeenschap en eenheid, macht. En onder leiding van Nimrod, moet een gewelddadig gezag gevestigd worden tegenover de aartsvaderlijke ordeningen en de goddelijke instellingen. Het ging bij Babel om een tegen-naam. Het ging er bij Nimrod om de Naam van God te lasteren; het was rebellie tegen een God, die de valse eenheid niet wilde en die de ongebreidelde ontwikkeling van de Boom der Kennis niet wilde.

De volken onder Nimrod wilden dus een merkteken, een banier, een kenteken, waaruit hun grootheid en hun eenheid zou blijken. Een teken van ongeevenaarde grootheid en aantrekkelijkheid en hoogheid, dat is de taal van die tijd Sem-Rama. Waarschijnlijk is van Sem-Rama of Sema Rama de naam van de godin Semiramis afgeleid, de duif-godin, die in het vaandel stond van alle assyrische  vorsten, en overvloedig voorkomt als de Astaroth, de Astarte, de Venus van de Grieken en Romeinen. De traditie vertelt, dat zij Nimrods vrouw was en dat de volken, die onder dit teken leefden, grootheid en voorspoed hadden. De ontwikkeling onder Nimrod stond dus geheel in het teken van de anti-naam.

Wat houdt dit in, voor ons, mensen van deze tijd?

Babel is altijd een symbool gebleven van de anti-naam en zal ook uitmonden in het grote Babylon, de stad van de mens. In Babylon concentreert zich alles wat zich een grote naam wil maken tegen God. Ook de religie maakt zich daar groot tegen de Heer. Laten wij daar een ogenblik bij stilstaan. Wat gebeurde er in de volheid des tijds, toen Christus, de ware Naam, van de aarde opgeheven was?

De grote rijken die Daniel in Nebucadnezar’s beeld gevonden had:

  1. Babel
  2. Perzie
  3. Grieks-Macedonisch rijk

van Alexander, waren in stof vergaan, maar Rome stond op het toppunt van zijn macht. Onder de Romeinse banieren ontstond het christendom. De verwachting van de eerste christenheid, dat de Heer spoedig zou wederkomen werd niet vervuld. Paulus had in zijn brieven wel uiteengezet, hoe de gemeente, het Lichaam van Christus haar Heer moest verwachten, maar al spoedig trad de Kerk, vooral toen de onderdrukkingen en vervolgingen voorbij waren en Constantijn het christendom tot staatsgodsdienst verhief, als overwinnaar van het heidendom naar voren. Althans uiterlijk. Soms zonder de eis van wedergeboorte en bekering te stellen, werd het christendom vele Europese heidenen eenvoudig opgelegd. Jeruzalem was slechts korte tijd het centrum van de kerk, spoedig nam Rome die plaats in.

Bij de verwoesting van de tempel, in het jaar 70, werd Israels nationaal bestaan beeindigd, zijn huis woest gelaten, en de kerk die de tijdelijkheid van dit oordeel over Israel negeerde (Mt. 23:38 en 39) ging zich de leidster der volkeren wanen. Dat wil zeggen, dat in de kerk een hierarchisch besef ontstond, het besef, dat de kerk over de wereld mocht regeren en alle volken aan zich mocht onderwerpen.

De kerkvader Augustinus, die tot in onze tijd een geweldige invloed heeft, schreef zijn werk ‘De Stad Gods’, waarin ook hij stelde, dat het Koninkrijk Gods, zoals dit eens aan Israel en de volken was beloofd, thans in de kerk belichaamd was. Zo begon de kerk allengs meer en meer wereldlijke macht tot zich te trekken en zich met de wereld te verbinden.

Omdat de gemeente van Christus niet in haar zuiverheid bleef en tot een machtige kerkorganisatie werd, omdat meer en meer haar zuiver hemelse roeping vervangen werd door een aards machtsinstituut, begon de kerk de trekken van Babel te vertonen. De Romeinse geest legde beslag op haar, de geest van Nimrod. Niet God werd geeerd, maar de zogenaamde vertegenwoordigers van God, allereerst de bisschop van Rome, de Paus en een hele door Rome gecreeerde wereld van heiligen. De keizers trokken goddelijke macht aan zich, in navolging van de heidense keizers van Rome. Hoewel het Romeinse rijk gedeeld werd in een Westers rijk, waarin Rome het centrum bleef en een Oostromeins rijk met als centrum de stad Byzantium, bleef Rome tenslotte tot aan de Reformatie het babelse hart van het christendom. Het christendom in zijn geinstitueerde vormen, met zijn grote wereldlijke macht en talrijke heidense elementen in een massa mensen, die nooit wezenlijk bekeerd waren, heeft weliswaar de ware, gelovige gemeente van Christus altijd in zich besloten gehad, maar mag daar toch nooit mee worden vereenzelvigd.

De Reformatie had een grote, zuiverende werking, maar na de Franse Revolutie, de valse eenheids- en vrijheidsgedachte van Babel, is de kerk opnieuw sterk verwaterd. Thans beleven wij het, dat een groot deel der christenheid zich wederom verslingert aan horizontalistische heilsideeen, welzijn op aarde, politieke eenheidsgedachte en godsdienstige eenheid. In de afval van God gaat het christendom sterker dan ooit de trekken van Babel aannemen, in plaats van een stad Gods te zijn. Er is een monsterverbond in de maak tussen politieke en religieuze macht. De Boom der Kennis doet weer sterk van zich spreken. De vruchten van kennis en wetenschap komen in de plaats van de vruchten van de Geest; grote delen van de kerk vertalen Gods heil in termen van aards welzijn en roepen geesteswetenschappen, psychologie en sociologie te hulp om zelf het Koninkrijk Gods te construeren. Meer dan ooit is de mensheid bezig te toren van Babel te bouwen, en daarbij treden vele theologen als architecten op. De theologie wordt op grote schaal dienstbaar gemaakt aan de afgoderij van de supermens. De mens wil zich een grote naam maken, de God van het geloof is al dood verklaard en de afgoden vermenigvuldigen  zich. Enerzijds  de aanbidding van het materiele, de cultus van het lichamelijke, de cultus van de sex; anderzijds het occultisme in alle vormen, begeleid door druggebruik om zogenaamde godservaringen te hebben.

De ziel is uit het lichaam gerukt en genotzucht, gemakzucht, bloedstorting op huiveringwekkende schaal, abortus aan de lopende band, in- en verkoop van mensenzielen, dit alles wordt opgestuwd tot de ongekende hoogte van een nieuw Babel. Uitgezonderd het ware volk Gods, het volk, dat het Lichaam van de Messias vormt, is alles er bewust of onbewust op uit zich een geweldige naam op aarde te maken, de anti-naam, en straks verschijnt de anti-naam bij uitstek, de anti-christ, die heel dit satanische streven zal vertegenwoordigen en verder opstuwen tot de openlijke oorlog tegen de wederkomende Christus.

De Schrift leert ons, dat de hele wereld tenslotte één groot Babel wordt, dat, uitgezonderd zij, die het merkteken van Babel niet zullen dragen en die vervolgd en gemarteld en geboycot zullen worden, alle volken zich tenslotte zullen verenigen tegen God.

Dit zou een verschrikkelijk uitzicht zijn, de laatste consequentie van de vrucht van de Boom der Kennis, als er ook niet een ander beginsel werkte.

Babel wil niet, dat God komt. Dat is altijd al zo geweest. Daarom moest die toren tot in de hemel reiken. Babel is Utopia. Het zelfgemaakte godsrijk van de mens. De anti-naam. Daarom ook vervolgt Babel altijd het volk van God. Babel weet heel goed, dat de heiligen met de Messias Jezus over de aarde zullen regeren, dat als de Messias komt, alle afgoden verjaagd zullen worden en de eigengerechtige mens van de troon zal worden verstoten. Dat het dan uit is met de tyrannen en dat de zachtmoedigen de aarde zullen beeerven.

Babel weet, dat uiteindelijk de Messias komt om deze gehele wereld te richten en daarom doet Babel niets anders dan de volken verleiden in valse eenheidsstrevingen. Tegenover het scheiding maken van God, die licht en duisternis scheidt, dag van nacht en schapen van bokken, stelt Babel de grote stad, de mierenhoop in de strooppot, de illusie van een waanzinnig luilekkerland. Elementen, die niet bij elkaar horen, moeten allemaal in de gouden kooi van Babel, in de grote metropool en om al die tegengestelde elementen bij elkaar te kunnen houden, moet de ergste tyrannie worden uitgeoefend. Babel plengt de wijn van de grote hoer, als tegenbeeld van de heilige wijn, die de Messias schenkt, Zijn kostbaar Bloed. De beker van de grote hoer is van goud, voor het vleselijke hart. De volken worden verblind door die beker en de inhoud is vol van gruwelen van hoererij. Hoererij is in de Schrift altijd het beeld van afgodendienst, het dronken maken van de volken door de afgoden, niet alleen in het heidendom, ook in het christendom. Ja, die Vrouw uit de Apocalyps is zelfs dronken van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen en martelaren om de naam van Jezus. In haar is gevonden het bloed der profeten en der heiligen en van allen, die als martelaren op aarde gedood zijn.

Dat is het bloed van de grote stad, die op aarde heerst tot de Messias komt. En of wij nu in een stad of in een dorp wonen, dat heeft met deze wezenlijke dingen natuurlijk niets te maken. Het beginsel van Babel is overal, al concentreert het zich in de grote steden. Prijzen en loven wij dan de HERE, dat er ook een andere stad is en dat de ware hemelse Godsstad nog komt?

De heilsweg is begonnen toen de Here zich mensen verkoos, die Hem konden dienen en gehoorzamen. De heiligen uit de voortijd en tenslotte het volk Israel. En wat zien wij dan? Dan zien we, dat het volk van God een nomadenvolkje is, dat in tenten woont. Eerst zien we, dat het volk verlost wordt uit het eerste grote Babel, het veelgodendom van het diensthuis Egypte. Uit de wereld van het dodenrijk, de occulte wereld van Egypte, voert de Here het volk Israel in de woestijn, op weg naar Kanaan.

Zelfs God heeft geen vast huis in het midden van het volk. Ook Hij woont in een tent, die meegevoerd wordt, de tabelnakel. Het heilige gaat mee op weg met het volk. Als ballingen en vreemdelingen op aarde trekken de Israelieten door de woestijn. Zij moeten het doen met de dagelijkse portie manna, zij eten uit de hand van God. Geen luisterrijke stad, geen beschermende muren, geen materiele geborgenheid van de wieg tot het graf, maar arm in de barre woestijn, waar wél dagelijks brood regent en onder de wolk,  de sjechina van Gods tegenwoordigheid. De tempel wordt pas gebouwd onder Salomo, als het volk in het beloofde land is gevestigd. Dan verrijst het vaste gebouw. Zo is het ook met de gemeente van de Messias. Wij wonen in de aardse tent van ons lichaam en de Geest is in ons en reist met ons mee door de woestijn. Wij hebben daarbij echter grote zekerheden. Aan het einde van de weg ligt de stad welker kunstenaar en bouwmeester God Zelf is!

Tegenover de herrijzenis van Babel zal de Godsstad op aarde ook weer verrijzen. Tegen de valse eenheid en afgoderij van Babel zal de ware eenheid van de theocratie gesteld worden en tenslotte zal de Godsheerschappij Babel wegvagen en zich over de gehele aarde verspreiden. De Grote Koning zal wederkeren en heel Zijn volk zal roepen: gezegend is Hij, die komt in de naam des Heren. Hallelujah.

Israel zal de missie van God krijgen over de volken der aarde te heersen. De Here zal volgens Joel 3 Zijn geest uitstorten op alle vlees. Pinksteren was daar een voorvervulling van. Het gaat in ons geloofsleven om het volgen van de grote heilspatronen.

De gemeente van Christus is op weg door de woestijn. De ‘veertig jaren’ zijn bijna voorbij. De ‘tekenen der tijden’ laten zien dat onze Heer snel komende is. Wij zullen met Hem heersen, ja, wij zullen zelfs engelen oordelen. Looft God tot in alle eeuwigheden! En op deze gereinigde aarde, als Babel in een uur tijds verzonken is, komt Jeruzalem, de Godsstad. De gemeente is de tempel des Heren; zij is de woonstede van de Messias Jezus.

Wij leven in de laatste ure. Vliedt uit Babel, zegt de profeet, opdat gij geen deel hebt aan haar plagen. De wereldcomputer is in de maak, waarin allen geregistreerd zullen worden. Het merkteken van Babel is in de maak om opgedrukt te worden aan allen, die in heidendom en geestloos christendom de grote Nimrod van de eindtijd zullen volgen.

Laten we dat alles niet onderschatten. De ware gelovigen worden in het eenheidsstreven als afwijkenden beschouwd. Wij gaan de grote boycot tegemoet. Onderschat het niet: het zal ook een economische boycot worden. Alleen de mensen, die het merkteken van de ‘efa’ en de ‘munt’ zullen dragen; alleen de mensen, die de valse eenheidsreligie zullen belijden; alleen de mensen, die mee willen bouwen aan de godslasterlijke toren van Babel, zullen ‘stedelingen’ kunnen zijn. De getrouwen, het verachte volk, gaat de woestijn in met het dagelijks manna, het lichaam des Heren en drinkende van het bloed van de gekruisigde, onder de wolk.

Onderschat het niet, wat ons te wachten staat. De verlokkende ongerechtigheid van Babel zal een enorme betoverende uitwerking hebben, óók op de uitverkorenen. De eenheidsreligie zal smakelijk worden opgedist. De antichrist komt niet als een brute tyran, maar als een engel des lichts. Ook in het geestesleven. Laten we uiterst waakzaam zijn, want juist in het zo nabije Babel zal de toverij sprekend lijken op de charismata der gemeente. Ook de satanisten kunnen duivelen uitwerpen, ook zij kunnen in de Naam des Heren tekenen doen en hóe!

Er zal maar een haar verschil zijn tussen de werken der zonen Gods en tussen de werken van de satanskinderen. De geperfectioneerde drug van de valse geestesgaven is nauwelijks te onderscheiden van de gaven van de Geest. De verwarring der geesten, ook onder Gods kinderen is mateloos. De diabolos, de dooreenwerper, doet alles om de laatste, definitieve overwinning te voorkomen. De satan grijpt ons, na de mislukking van het atheisme, het liefst aan in onze religie. Zijn rijk is in zijn laatste gestalte super-religieus! Wij moeten steeds maar weer bidden om de gave van het onderscheid der geesten. De antichrist is de imitatie-Christus. Velen zullen in hem de messias zien. Ook in zijn voorlopers en prototypen. Er zijn hyena’s en wolven in de plaatselijke gemeente. Wij kunnen ons verbeelden Christus te zien en als het masker afvalt zie je de satan.

Toen Israel Kanaan naderde, stuitten de verspieders op de reuzen. Aan het einde staan altijd de reuzen om ons af te schrikken! Israel schrok ook en dat kostte hen veertig extra jaren woestijn. Laten wij niet terugschrikken voor de reuzen van Babel: de valse religie, de machtspolitiek, de satanisch aangewende wetenschap en techniek. Als wij alles maar onderkennen, als wij maar weten met wie wij te doen hebben. Het leven uit de Geest wordt alleen gevonden in volstrekte onderwerping aan het Woord van God. Zoveel geestesleven is eigen projectie, eigenwilligheid, zelfbedrog. Wij moeten de beginselen van Babel en Jeruzalem kennen, het grondmodel van de heilsgeschiedenis. In strikte gehoorzaamheid aan Messias Jesjoea kunnen we verder.

Of we nu in een grote stad of buiten leven, de stad Babel is overal. Maar ook de stad Jeruzalem is overal. Blijf binnen de heilige muren van Jeruzalem, ook al woon je in tenten in de woestijn. Waar de Heer is, is Jeruzalem, ook al moet alles nog tevoorschijn komen, al moet alles nog gestalte krijgen. Is dat niet juist de geloofsweg? Nog niet zien, maar toch weten, dat het komt?

Het boek Openbaring betekent de openbaring van Jezus Messias. Als de Heer komt, wordt alles openbaar. Eerst Babel, het rijk van satan, dat tot zijn uiterste komt. Ook het lang verborgen Israel, dat terugkeert, ook de gemeente, die met Messias Jezus geopenbaard zal worden. Apocalyps betekent populair gezegd: tevoorschijn komen. Als wij het rijk van satan zo angstwekkend zien oprijzen, behoeven wij niet te sidderen. Als we maar weten, wáár het is, want het is geraffineerd verweven met veel wat rechtvaardig en heilig schijnt. Wij zijn wonderlijk getroost in de wetenschap, dat als het rijk van satan in Nieuw-Babylon oprijst, dat dan ook het Godsrijk gestalte zal krijgen.

Onze aardse tent, in de woestijn, zal spoedig worden afgebroken. De doden zullen worden overkleed en de levenden in de Here zullen worden overkleed met het eeuwig heerlijke lichaam, Dat is onze stad.

Ja, en dan rest nog het heerlijkste, die wonderbaarlijke substantie van de hemelse stad, die niet met mensenhanden is gebouwd, die zal neerdalen uit de hemel.

Het hemelse Jeruzalem komt in de Apocalyps ‘tevoorschijn’. Een schitterend juweel met afmetingen van een maan. Geen zinnebeeldige voorstelling, beslist niet: het is de zeer reele openbaring van de grote heerlijkheid des Heren, die vanuit de hemel zal neerdalen en alles wat Babel heeft overleefd; de volken zullen in haar licht wandelen. In de woestijn moet je alleen maar aan Kanaan denken. Alleen maar God gehoorzamen, alleen maar Christus beminnen, want in Hem is alle heerlijkheid belichaamd. Straks komen al onze gebeden, al onze in Gods kruik geborgen tranen, al ons bloed en goed, vanuit de hemel gereinigd terug, in de eeuwige en heerlijke substantie van het Nieuwe Jeruzalem. Wij zullen nooit drinken uit de gifbeker van Babylon als wij volharden.

Nu leven wij eigenlijk nog in twee steden; in Jeruzalem en Babel. Meer en meer zullen wij geestelijk Babel moeten gaan ontvlieden. Het compromis wordt steeds moeilijker en steeds schuldiger. We moeten het wagen met de woestijn en met het manna. Alleen de nomaden, de tentbewoners, de ballingen komen in de Godsstad.

De leiders van Babel zullen er werkelijk in slagen tijdelijk welzijn en vrede te brengen. Dát is juist de verleiding die komt! Al zal het een korte schijnvrede zijn, die door de eindgerichten van de spelbrekende God verstoord zal worden, we gaan toch een periode tegemoet, waarin briljante leiders de mensen met hoop zullen bezielen.

De perfectie van de supermarkt, van de ongebreidelde consuptie en elk wat wils, zal ontaarden in een supermarkt van zielen. Straks kunnen we geluk en een harmonisch zenuwgestel kopen, in een pil, of door sensitivity-training, door schijn-christelijke, deels occulte magie. Het religieuze hobbyisme viert in onze dagen hoogtij. De geest wordt hier en daar al zo populair, dat hij straks in substantie te koop is, Er komt een wereldsupermark, waarin ‘de geest’ en gros en niet te duur te koop is. De grootste troef van satan is de occulte imitatie van de Heilige Geest.

Hij weet wel hoe wanhopig de mensen zijn, ook vele christenen, die uit een gesimuleerd christendom stammen en die verkommeren in dode letterknechterij. Ook christenen, die verbranden in het geestdrijverij. De geperfectioneerde technieken van indoctrinatie, hypnose, suggestie worden overal in de prediking van de geest toegepast. Een deskundige in de reclame-psychologie kan goud verdienen als hij in de gaven van de Geest gaat handelen. Dat komt, en het is reeds aan de gang.

Laten wij daarom smeken om het behoud en de uitbouw van het echte Pinksteren, dat in ootmoed en grote voorzichtigheid de weer ontluikende krachten van het Koninkrijk verkent en mag gebruiken. Laten wij in grote oplettendheid smeken om de gave des onderscheids, ook in onze eigen geesten, die zo vol zelf-suggestie en zo vol projecties zitten. Alleen in de voortdurende geloofsbinding aan onze Heer kunnen wij bewaard blijven voor de supermarkt van satan, waar in zielen wordt gehandeld.

Deze dingen zijn niet te concretiseren. Het kind van God is, laten we goed begrijpen, een kind. Dat is heerlijk en goed. De ‘zonen’, de volwassenen, hebben echter een ontzagelijke verantwoordelijkheid. Zij dragen de geheimen Gods en moeten melk óf vaste spijs uitdelen naar de behoefte van Gods volk. Bij dit alles zullen onze handen echter niet slap worden en onze knieeen behoeven niet te knikken. De garantie van alle liefde en genade Gods is, dat niets ons kan schaden als wij in Hem zijn. De laatste troost is, dat niets ons kan scheiden van de liefde van onze Here Jezus Christus.

De stad is onderweg. Ontmasker Babylon, ontvlied haar; Here Jezus, kom haastig. Wij kunnen bijna niet meer wachten op de bruiloft.

uit: DE BOOM DER KENNIS – variaties op een thema – dhr. Huib Verweij

DE ONTHULLING – tussentijd tussen Handelingen 28 en Openbaring 1

  • ‘Voorwaar, U bent een God Die Zich verborgen houdt, de God van Israel, de Heiland’ (Jes. 45:1).

God is niet verborgen om dat altijd te blijven. Al is in God meer begrepen dan we ooit zullen kunnen bevatten en waarover we niet één verstandige opmerking kunnen maken, toch is Zijn eigenlijke veborgenheid iets dat duidelijk op openbaring, onthulling wacht, wat Apocalyps moet worden, vandaar dat de profeet Jesaja zijn profetieen onderbreekt met een lofzang (Jes. 45:15-25).

Het is de God Die Zich verborgen houdt, Die de VERLOSSER IS!

‘Ben Ik het niet, de HEERE? Buiten Mij is er geen andere God, een rechtvaardige God, een Heiland; er is niemand behalve Ik. Wend u tot Mij, wordt behouden, alle einden der aarde, want Ik ben God en niemand anders’ (Jes. 45:21b-22).                                                                                                                                                        Dit alles moeten we bedenken, als we het laatste bijbelboek lezen. Het is niet de bedoeling aan de vele verklaringen van dit boek er nog een toe te voegen. Hoe nuttig dat misschien ook zou zijn, omdat de meeste verklaringen te “kerkelijk” zijn. Zonder de sleutel Israel is het boek Openbaring niet te lezen. Niet slechts omdat er zoveel heenwijzingen naar het Oude Testament in voorkomen, maar omdat het in dat boek over Israel (én de wereld) gaat, dus niet over de kerk of het christendom. Daarom gaat het ook niet over de tijd van de kerk, doch over de zg. eindtijd: het einde van deze boze aioon (Gal. 1:4).

Het lijkt wel alsof dit laatste Bijbelboek de Apocalyps ongeveer aansluit  bij het plotseling afbreken van de bijbelse geschiedenis in Handelingen 28 in het jaar 62-63 A.D. aan het eind van de 67e jaar week. De tussentijd van nu reeds meer dan 1950 jaren wordt gewoon overgeslagen. In de Handelingentijd leefde de verwachting van een spoedige Wederkomst van de Messias, hetgeen ook uit de brieven van die tijd blijkt, (Matth. 26:24, Hand. 17:31, Rom. 13:11-12, 16:20, 1 Kor. 7:26, 15:51-52, 1 Thess. 4:15-17, Jac. 5:8-9, 1 Petr. 4:5 en 7, 1 Joh. 2:18). Hiermee gaat het boek Openbaring gewoon verder, dus ook de gemengde  Joods-niet-Joodse gemeenten uit de Handelingentijd, die na de zg. tunnelperiode verdwenen waren, zijn er opeens weer; in Openbaring 2 en 3 zien we er zeven (let met name op 2:9 en 3:9).

Dit blijkt uit het roepingsvisioen. De apostel Johannes was op het eiland Patmos, en mogelijk op een zendingsreis. Of Johannes naar Patmos was verbannen is allerminst zeker. Het kleine eiland was in die tijd belangrijk als doorreisstation. Volgens de traditie heeft Johannes ook andere plaatsen in de omgeving bezocht, o.a. Efeze (Asia) en Phillippi (Macedonie). Hoe dan ook, op Patmos krijgt hij een visioen. Hij bevond zich in geest in de Dag des Heren (aldus 1:10 letterlijk vertaald). Met “Dag des Heren” wordt in het Nieuwe Testament nergens de zondag bedoeld, zijnde een uitvinding van latere tijd. Het is in die zin onbegrijpelijk dat de kerkelijke uitleggers elkaar allemaal klakkeloos napraten door van de “Dag des Heren” een Zondag te maken. Ook het tekstverband is eschatologisch (= leer des laatste dingen).

Dus met andere woorden gezegd is de “Dag des Heren” de kenmerkende uitdrukking voor de eindtijd (vgl. Hand. 2:20, 1 Thess. 5:2, 2 Thess. 2:2, 2 Petr. 3:10; in aansluiting op het OT: o.a. Jes. 2:12, 13:6, Jer. 46:10, Ezech. 13:5, Joel 2:1, Amos 5:18, Zef. 1:14, Mal. 4:5). Het is een dag van afrekening!

God gaat de wereld oordelen. Dit wordt ingeleid met het blazen van de sjofár. Er wordt een gewichtig dokument een ‘lossersakte’ met zeven zegels geopend. Dit geschiedt naar Mozaische wetgeving (Lev. 25:8-10, Openb. 5:1 – 8:1, Jer. 32:6-15). Daarna komen zeven engelen met de bazuinen (sjofár) van het gericht, als onderscheiden in: de 7 zegels, de 7 bazuinen, de 7 schalen. De gerichten hebben opvallend veel overeenkomst met de plagen van Egypte, die toen (net als in Openbaring) aan de bevrijding vooraf gingen.

Als nu de zevende engel gebazuind heeft, dan zal de verborgenheid van God teneinde gebracht zijn, zoals Hij aan Zijn dienstknechten, de profeten, heeft verkondigd: …

  • ‘Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer die op de bazuin zal blazen, zal ook het geheimenis van God volbracht worden, zoals Hij aan Zijn dienstknechten, de profeten, verkondigd heeft’ (Openb. 10:7).

Het zwijgen van God is voorbij, Hij zal opstaan tot de strijd en op bovennatuurlijke wijze ingrijpen in de voortgang van der geschiedenis. Te tijde van Israels ongehooraamheid gingen de profeten in beelden spreken (Ezechiel, Daniel, Zacharjah); dit hield altijd een oordeel in, opdat alleen de getrouwen Gods weg en werk zouden verstaan; de rest werd versterkt in hun horende-doof en ziende-blind zijn (Matth. 13:13-15, Joh. 12:40, Hand. 28:26-27). Zo sprak ook Jesjoea in de gelijkenissen van de verborgenheid van het Koninkrijk der Hemelen (Matth. 13:1-58).

In de tweede gelijkenis groeien het goede zaad en het onkruid tezamen op; dit naast elkaar opgroeien is eigenlijk het raadsel van de wereldgeschiedenis. Maar nu is de oogst daar; het raadsel wordt opgelost. Hiervan hadden de profeten gesproken, ook al hadden ze er zoals wij nog niet alles van begrepen. Ze wisten dat de wereldgeschiedenis op een crisis zou uitlopen, als de ongerechtigheid der wereld haar hoogtepunt had bereikt.

Johannes moet een boekje, van de engel ontvangen, opeten: …

  • ‘En ik nam het boekje uit de hand van de Engel en at het op, en het was in mijn mond zoet als honing, maar toen ik het opgegeten had, werd mijn buik bitter. En Hij zei tegen mij: U moet opnieuw profeteren over vele volken, naties, talen en koningen(Openb. 10:10-11).

Dit is beeld-taal voor het in zich opnemen en verwerken van de profetische boodschap op de meest radikale wijze. Het is eerst zoet (om tot deze taak geroepen te worden en te weten dat het uiteindelijk goed zal aflopen) maar daarna bitter (in zijn uitwerking vanwege alle gevolgen). Daarna wordt Johannes geroepen om nog meer te profeteren tegen volken en koningen. Want al zijn de verborgenheden Gods geopenbaard, er moet nog veel meer gebeuren, meer dan de profeten hadden verkondigd.

Niet alleen is het de verborgenheid Gods, die hier geopenbaard wordt, ook de verborgenheid van het kwaad komt aan het licht. Dat kwaad is as het ware samengetrokken in Babel, de grote tegenhanger van Jeruzalem (Openb. 17:5 en 7). Het is het rijk van de Anti-christ (de onbekeerde mens), de tegenhanger van het Rijk van de Messias, de Zoon des mensen (= de mens naar Godsbeeld). De verborgenheid  van Babel is de schone schijn, zo tegengesteld aan haar wezen, waardoor het altijd veel aanhangers heeft getrokken; ook Johannes verwondert zich daarover. Het kan bogen op schitterende cultuurprestaties, klinkende wapenfeiten, zelfs allerlei maatschappelijke hervormingen ten bate van velen. En het heeft een godsdienst die veel belooft en weinig van de mens vraagt. Behalve dan dat het, net als alle dictaturen, in korte tijd ontaardt. In naam van het goede wordt het een toenemend dwangstelsel: één mensheid, één rijk, één leider, één religie; wie niet meedoet wordt terzijde geschoven of vernietigd.

Het rijk van Babel en de Anti-christ geeft alles, behalve de ware bevrijding tot het waarachtig mens-zijn. Want het is gegrond op het machtsbeginsel, niet op het liefdesbesginsel. Het is alleen maar mannelijk; alles wat vrouw of vrouwelijk is moet in dienst komen van het mannelijk voortbestaan: kracht en heerszucht.

In tegenstelling tot de andere wereldrijken, die alle na korte of lange tijd verdwenen, is Babel “eeuwig” vgl. Jes. 47:1 en 7, d.w.z. de gehele duur van de huidige boze aioon uit (Gal. 1:4). Althans bijnaHet rijk komt op dadelijk na de zondvloed (het begin van deze aioon) en zou zich eindeloos voort willen zetten, een status-quo zonder einde, alsof er geen volgende aioon nodig ware: …

  • ‘opdat Hij in de komende eeuwen (aioonen) de allesovertreffende rijkdom van Zijn genade zou bewijzen, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus’ (Efz. 2:7).

Dat het tussen Handelingen 28 en het einde van de eindtijd waarmee Openbaringen 1 begint lange tijd volslagen onbelangrijk is geweest, doet niet terzake.

Wat is nu Babel?

In de eerste plaats is Babel de stad van die naam, zoals in het Oude Testament en die in de Nieuw Testamentische tijd nog een belangrijke plaats was. Ook de apostel Petrus is daar geweest [1 Petr. 5:13 … Er is geen doorslaggevend argument aan te voeren dat hiermee Rome zou zijn bedoeld. Het verzet van het Jodendom te Babel was nog groter dan te Jeruzalem. En ondanks de prediking van Petrus heeft het geloof in Jezus als Messias er geen voet aan de grond gekregen. Integendeel: aldaar is de Talmoed ontstaan, die enerzijds het voortbestaan van het Jodendom bewerkstelligde, doch anderzijds dat zelfde Jodendom al die tijd ontoegankelijk maakte voor het aanvaarden van Jezus als Messias].

Joden hebben er altijd gewoond. Hoewel als stad nu nog onbelangrijk in onze dagen, is de streek als oliewinplaats thans en in de toekomst na het Gog en Magog debacle voor de hele wereld van belang (Ezechiel 38 en 39)! Na dit echec van Rusland en Iran met in haar gevolg de radicale islamitische coalitie uit (38:2-4;39:1-2); dringt zich vervolgens de vraag op wie in het onstane vacuum van die tijd in die altijd veranderende wereld van het Midden-Oosten zich zal aandienen als de verlosser, en naar islamitische begrippen de 12e Imam Mahdi! (Openb. 6:2).

[Prophetic implications? Hard to say at this point. Vladimir Putin comes back to power as president (read: czar) of Russia on May 7 and coplay throw his weight in against an Israeli strike. We’re that to happen, that could suggest we are moving towards the “War of Gog and Magog” described in Ezekiel 38 and 39. We also need to keep in mind the coming fulfillment of the destruction of Damascus as foretold in Isaiah 17 and Jeremiah 49. Does that happen before or after the Magog war? The Scriptures do not say so I don’t know. But we need to be prayerful, proactive and prepared for these and other scenarios, especially given the growing alliance between Russia and Iran and the evel of the Assad regime. Leaders reap what they sow, and the leaders of these nations – tragically – are poised to reap a whirlwind]

In de tweede plaats is Babel een stelsel: dat van macht. Daarmee is Babel geworden tot het symbool van het principiele verzet tegen de God der goden. Weliswaar niet van alle zonden (met name die in het persoonlijke vlak; men moet niet teveel willen systematiseren); wel van dat verzet dat niet het Messiaanse Rijk naar Gods bestel wil, maar een ander “heilsrijk”: volgens door de mens ontworpen wetten, dus iets wat het doel van Satan, Gods tegenstander is. Dat was de reden, dat hij die stad liet bouwen, (Gen. 11:1-9).

In de derde plaats kan met Babel ook in overdrachtelijke zin Jeruzalem bedoeld worden, voorzover daar door een vervalsing van het ware God-dienen in wezen het babylonische stelsel wordt bevorderd en dus het tegendeel van wat hetgeen moet zijn. Ook Jeruzalem heeft zich maar al te vaak schuldig gemaakt aan wat Babel ook deed: het doden van profeten …

  • ‘En ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed der heiligen, en van het bloed van de getuigen van Jezus. En ik was bovenmate verwonderd [ik verwonderde mij met grote verwondering] toen ik haar zag’ (Openb. 17:6).

Dus als een stad zijn rechtvaardigen verdrijft, kan zelfs God er niets goeds meer van maken; daarom wordt Jeruzalem ook wel Sodom genoemd: …

  • ‘En hun dode lichamen zullen liggen op de straat van de grote stad, die in geestelijke zin genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook onze Heere werd gekruisigd’ (Openb. 11:8 – vgl. Jes. 3:9).

In elk geval wordt Jeruzalems tempel de zetel van de Anti-christ … (Dan. 8:11, 11:31-36, Matth.24:15, 2 Thess. 2:4, Openb. 13:7 …

  • ‘En het beest werd macht gegeven om oorlog te voeren tegen de heiligen en om hen te overwinnen, en hem werd macht gegeven over elke stam, taal en volk.’

en als het beest uit de afgrond valt, wordt tegelijk gezegd dat BABEL valt (Openb. 14:8 …

  • ‘En een andere engel volgde, die zei: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, de grote stad, omdat zij alle volken van de wijn van de toorn van haar hoererij heeft laten drinken’ (Openb. 18:4).

Er is nu eenmaal een grote samenhang tussen Babel (het anti-rijk van de ongehoorzame wereld) en het vooralsnog ongehoorzame Israel (waar tenslotte de anti-messias zal zijn). Deze samenhang van Babel en het valse Jeruzalem als tegenhanger van het ware Jeruzalem is ook de verborgenheid van Babel, de moeder van alles wat kwaad is op aarde (Openb. 19:5).

Zelfs Johannes verbaast zich hierover, hoewel ook hij had geweten dat de anti-christ altijd werkte, …

  • ‘Kinderen, het is het laatste uur, en zoals u gehoord hebt dat de antichrist eraan komt, zijn er ook nu al veel antichristen gekomen, waaruit wij weten dat het het laatste uur is’ (1 Joh. 2:18).

Wat Babel in elk geval niet is, is de valse kerk of dergelijke (netzomin als met Jeruzalem in de Bijbel de ware Kerk wordt bedoeld). Ook al heeft de kerk vaak getracht de afgebroken toren uit Genesis 11 te voltooien, met allerlei machtsstreven en hemelbestorming, door de zodoende ontstane grenzeloze spraakverwarring is ze niet verder gekomen dan allerlei verspreid stukwerk. In feite is de kerk te klein en niet slecht genoeg om ooit Babel te kunnen wezen. Zo is de Kerk van Rome hoogstens bevrucht door een stroom uit Babel, maar zelfs in haar zwartste dagen niet “de moeder van alle hoererijen (= afgodendienst) op aarde”. De val van Babel wordt vooral beschreven met het oog op de volken (met haar stelsel behept), die in haar val worden meegesleept (Openb. 18:9, Jer. 51:7, Jes. 13:11 (tijdens de Dag des Heren, vs. 9). De ondergang geschiedt snel en volledig: …

  • snel … ‘Zij blijven van verre staan uit vrees voor haar pijniging en zeggen: Wee, wee de grote stad Babylon, de sterke stad, want in één uur is uw oordeel gekomen’ (Openb. 18:10 vgl. Jer. 51:8).
  • volledig … ‘En Jeremia schreef al het onheil dat over Babel zou komen op een boekrol, al deze woorden die geschreven zijn tegen Babel … Dan moet u zeggen: Zo zal Babel wegzinken en niet meer boven komen, vanwege het onheil dat Ik erover zal brengen’ (Jer. 51:60-64, de ondergang tijdens Belsazar [Daniel 5] was er een voorbeeld van [Jer. 51:1-14]).

Babel wilde de boze aioon (Gal.1:4) eindeloos laten voortduren, maar met haar gáát die aioon, om voor een betere plaats te maken. In die nieuwe aioon zal Babel woest blijven:  …

  • ‘en zeggen: HEERE, U hebt Zelf over deze plaats gesproken dat U hem zult uitroeien, zodat er geen inwoner meer in is, van mens tot dier, maar dat hij zal worden tot eeuwige woestenijen’ (Jer. 51:62).

Hoe het met de Kerk zal aflopen, vinden we in het laatste bijbelboek niet beschreven. Voor de tijd tussen Handelingen 28 en Openbaring 1 vinden we enkele pastorale brieven zoals de I – II Timotheus en Titus brieven, waarin enkele eenvoudige regels worden gesteld voor de organisatie van niet-joodse gemeenten, welke een eenvoudige boodschap aangaande Gods heil moeten doorgeven aan eenvoudige mensen. Die gemeenten doen dat als zaak-waarnemer voor Israel, zolang Israel niet in staat is het heil in Messias Jezus te verkondigen. Alles wat daar bovenuit gaat aan organistatie en leerconstructies is mensenwerk en zal daarom met de volken delen in Babels val. Doch ook die gemeenten zullen zelf de aangekondigde zware tijden niet overleven: …

  • ‘Maar de Geest zegt uitdrukkelijk dat in latere tijden sommigen afvallig zullen worden van het geloof en zich zullen wenden tot misleidende geesten en leringen van demonen’ (I Tim. 4:1-2) … ‘Als u de broeders deze dingen voorhoudt, zult u een goed dienaar van Jezus Christus zijn, gevoed door de woorden van het geloof en door de goede leer, die u nagevolgd hebt’ (vs. 6-7)
  • ‘En weet dit dat in de laatste dagen zware tijden zullen aanbreken. Want de mensen zullen liefhebbers zijn van zichzelf, geldzuchtig, grootsprekers, hoogmoedig, lasteraars, hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, kwaadsprekers, onmatig, wreed, zonder liefde voor het goede, verraders, roekeloos, verwaand, meer liefhebbers van zingenot dan liefhbbers van God. Zij hebben een schijn van godsvruchts, maar hebben de kracht ervan verloochend’ (II Tim. 3:1-5) … ‘Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar dat zij zullen zoeken wat het gehoor streelt, en voor zichzelf leraars zullen verzamelen overeenkomstig hun eigen begeerten. Ze zullen hun gehoor van de waarheid afkeren en zich keren tot verzinsels. Maar u, wees nuchter in alles. Doe het werk van een evangelist. Vervul uw dienst ten volle’ (4:3-4).

Het hoeft ook niet, al is het voor het gevoel jammer dat veel goeds dat de kerken (plaatselijke gemeenten) ondanks alles toch nog wel hebben verricht, door de ontrouw van haar laatste generaties zal verdwijnen. Want als dat gebeurt en daar lijkt het veel op –dat het instituut Kerk verdwijnt-, God met Israel verder gaat en zal Hij door hen de volken zegenen (Gen. 12:1-3). En al wat intussen gedaan was uit liefde tot Jezus, dat houdt zijn waarde en zal blijven bestaan. Hoe dan ook!

Het is in een artikel, dat na 1948 en 1967 geschreven is, niet meer nodig om aan te tonen, dat het verstrooide Israel naar zijn Land zal terugkeren, zoals de profeten hebben voorzien; waar het vooral de profeet Ezechiel is geweest die daarvan moest profeteren (Ezech. 37:1-14). Het is opmerkelijk dat hiermee in Israel ook een zeer verhevigde belangstelling is ontstaan voor de persoon en de prediking van Jezus (=Jesjoea). Zeker is dit het geval na de hereniging (re-united) van Oost- en West Jeruzalem in 1967 met inbegrip van Judea en Samaria (Hand. 1:8). Onder de messiaanse leiders anno 2012 van wel zo’n 33 plaatselijke gemeenten in Israel is men de mening toegedaan dat er een vergelijking te trekken is met de Handelingentijd ten tijde van de apostelen. Men schat het aantal gelovigen in Israel nu op ruim 15.000, maar het kunnen er ook veel meer zijn! Uit deze plaatselijke gemeenten zijn dan ook weer zo’n 25 specifieke Messiaanse bedieningen ontstaan. Al deze werkingen van de ‘Geest Gods’ wijzen op een voorbereidingstijd die zal uitlopen op het aanvangen van de 68e jaar week, de week die expliciet gekoppeld is aan de opening van de met zeven zegels verzegelde boekrol of ‘lossersakte’ naar Mozaische wetgeving (Openb. 5:1-14; Lev. 25:8-10).

Men moet dit niet zien alsof wat de profeten hebben gesproken, daarmee in vervulling is gegaan. Israel als het volk zoals het nu is, is nog niet wat het naar Gods bedoeling moet zijn. Dat kan men trouwens ook onmogelijk verwachten; de profetieen veronderstellen in de eindtijd richting de laatste jaar week(en) … 68e, 69e, en de 70e nog veel ongeloof en verzet binnen het uitverkoren volk. Er moet weer een tempel komen, maar daarin vindt (naderhand) de Anti-Christ en diens beeld een plaats, totdat de Heer Zelf naar Zijn tempel zal komen …

  • ‘Zie, Ik zend Mijn engel, die voor Mij de weg bereiden zal. Plotseling zal naar Zijn tempel komen die Heere Die u aan het zoeken bent, de Engel van het verbond, in Wie uw vreugde vindt. Zie, Hij komt, zegt de HEERE van de legermachten’ (Mal. 3:1).

Dan zal Israel zien, Wie ze hebben doorstoken (Zach. 12:10; zo ook Openb. 1:7, dat tevens toont dat Openbaring niet op de Kerk slaat. Men kan ‘alle geslachten der aarde’ beter vertalen met ‘alle geslachten (of stammen) van het Land’). Dan zal het (in zeer korte tijd) gereed zijn voor de taak, dan breekt de nieuwe (eeuw) aioon aan!

Al wat we nu zien, is voorbereiding. Hetgeen we aanschouwen met blijdschap en vrezen. Want Israel zal het nog zeer moeilijk krijgen. Tijdens de Jom-Kippoer-oorlog in op 6 oktober 1973 uitbrak, tekenden zich al de omtrekken af van de grote eindstrijd der volken, met de slag van Harmageddon en de inname van Jeruzalem, en was men in Israel in de veronderstelling dat op dat moment de ‘Gog-Magog’oorlog uit Ezechiel 38 en 39 was uitgebroken (Dan. 11:40, Ezech. 38:14-16, Zach. 14:2, Joel 3:12, Openb. 16:14-16). Tot zolang zal de vrede in het Midden-Oosten een illusie blijken te zijn; ofschoon deze invasie en door de profeet Ezechiel voorzegde roofoverval door Gog en Magog in Israel, de sleutel zal zijn tot grote veranderingen in de wereld, die uiteindelijk tot de periode van de Apocalyps [6:1-16:21] – de grote verdrukking – zullen leiden, daar de spectaculaire vernietiging van deze geweldige macht door God, het huis Israels dan zullen weten dat Ik, de HERE Uw God ben, van die dag af en voortaan (Ezech. 39:22).

Behalve het herstel in die dagen van de tempel met de Levitische eredienst (die niet nodig is voor christenen uit de heidenen, wel voor Israel zelf en verder tot onderricht voor de volken) moeten ook nog de 144.000 verzegelden tevoorschijn komen. Hoe dit zal zijn is nog een verborgenheid, maar zal tenstelligste na het Apocalyptische gebeuren met Gog en Magog voor het oog van de wereld manifest worden (Ezech. 38-39).

  • ‘En ik hoorde het aantal van hen die verzegeld waren: honderdvierenveertigduizend waren er verzegeld uit alle stammen van de Israelieten’ … ‘En ik zag, en zie, het Lam stond op de berg Sion, en bij Hem hondervierenveertig duizend mensen met op hun voorhoofd de Naam van Zijn Vader geschreven’ (Openb. 7:4, 14:1; vgl. Ezech. 9:4).

Wel kunnen we met zekerheid zeggen dat deze (bijzonder uitverkoren) groep uit Israel komt, (dus niet uit de kerk of uit de heidenvolken); dat heeft men er (uiteraard) wel van gemaakt, maar hoe het dan zat met de verdeling van die twaalf x 12.000 verzegelden over de stammen Israels (met weglating van de stam Dan en toevoeging van de stammen Efraim naast Jozef) is buiten Israel om volslagen  onverklaarbaar. Hetzelfde moet gezegd worden over Jehovah’s-getuigen, die – net als de Kerk – zichzelf tot Israel maken, maar voor dit voor hen zo belangrijke punt hun toevlucht moeten nemen tot geheel willekeurige allegorese.

De aanhef van het boek Openbaringen is op zichzelf al een knelpunt. De Heer Jesjoea hammasjiach gaat tonen de dingen die weldra(of ‘met haast’) geschieden –Apocalyps – moeten worden; denk daarbij aan de hereniging {re-united} van de stad Jeruzalem in 1967 dat in het raamwerk van de Zesdaagse-Oorlog op de derde dag plotseling in Israelische handen viel, waarbij dit proces zich zal uitkristalliseren als een ‘duality-principle‘ [tweevoudigheid – zie: Ezra 4:1-6:22; Neh. 12:27-13:31] wat zijn toppunt bereikt in een ‘jubeljaar’ het 50e, gerekend vanaf de 7e juni 1967 {7x7x360} naar de Jom Kippoer van 23 september 2015, de dag waarop de bezetter de aarde als bezet gebied zal moeten prijsgegeven. Een onzichtbaar gebeuren voor de wereld als het gaat om het manifest worden van een ‘lossersakte’ in het boven-hemelse, wat zijn weerslag zal krijgen op aarde als de 7 zegels van de verzegelde boekrol ontzegeld worden! Als dit apocalyptische boek zou slaan op de Kerk, die al bijna 20 eeuwen er op heeft zitten, dan is dit wel alles overziend een vermoeidende en krampachtige zaak geworden.

Gaat het echter over de Stad, het Land, het Volk van Israel, dat tussen het tijdvak van Handelingen 28 (28:25-29) en Openbaring 1 (1:1) terzijde staat [als het gaat in de zin van een ‘geestelijk herstel’ {Ezech. 37:8,39:22}], d.w.z. met een stilstaande profetische klok, dan wordt dit ‘weldra’ begrijpelijk en is het juist in onze tijd weer in staat door middel van het blazen op de sjofar het geloofsleven onder spanning te zetten. Hoeveel tijd wordt er dan nog toegemeten aan de gemeente [Ek-klesia=uit-geroepenen] van Jesjoea Messias, aan Israel en de heidenvolken, alvorens de zegels van de “lossersakte” in de Apocalyps naar Mozaische wetgeving worden losgemaakt? (6:1), en het ‘jubeljaar’ [bevrijding van bezet gebied] zijn intrede doet (Lev. 25:8-10).

Niet de kerk of de christenheid is de sleutel van het laatste bijbelboek. Ze worden met “dienstknechten” en “koninkrijk en priesters” aangesproken [Openb. 1:1; vgl. Paulus die in Gal. 4:7 de gelovigen als zonen ziet en geen dienstknechten. Openb. 1:7; vgl. Exod. 19:5-6], benamingen die op de Kerk niet van toepassing zijn. Na Israels geestelijk herstel heeft in die zin de Kerk zich overbodig gemaakt (Jes. 60:1-3).

  • ‘Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij. U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. dit zijn de woorden die u tot de Israelieten moet spreken’ (Exod. 19:5-6).
  • ‘Sta op, wordt verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid van de HEERE gaat over u op. Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken en donkere wolken de volken, maar over u zal de HEERE opgaan en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. En heidenvolken zullen naar uw licht gaan en koningen naar de glans van uw dageraad’ (Jes. 60:1-3).

Maar ook Israel is bestemd om overbodig te worden, nl. wanneer het zijn taak heeft verricht. Dat zal geschieden in de loop van de volgende toekomende aioon (eeuw), het Messiaanse Rijk.

Als dáárna de nieuwe hemel en de nieuwe aarde komen, het nieuwe Jeruzalem vanuit die nieuwe hemel neerdaalt, zijn er nog wel herinneringen aan Israel: de twaalf poorten met de namen der twaalf stammen, maar die poorten doen geen dinest meer: ze staan dag en nacht open!

  •  Zij had een grote en hoge muur met twaalf poorten, en bij die poorten twaalf engelen. Ook waren er namen op geschreven, namelijk van de twaalf stammen van de Israelieten. Drie poorten op het oosten, drie poorten op het noorden, drie poorten op het zuiden, en drie poorten op het westen. En de muur van de stad had twaalf fundamenten met daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam’ … ‘En haar poorten zullen overdag nooit gesloten worden, want daar zal geen nacht zijn’ … ‘En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de naties daarin brengen’ (Openb. 21:12,13,14,24,25,26).

Ook de tempel zal zijn verdwenen als overbodig. Dat houdt in dat God dan niet meer woont in het verborgene van het Heilige der Heiligen, maar te midden van de mensen.

  • ‘Ik zag geen tempel in haar, want de HEERE, de almachtig God, is haar tempel, en het Lam. En de stad heeft de zon en de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlicht haar, en het Lam is haar lamp’ (Openb. 21:22-23).

Ten slotte, het is de apostel Paulus geweest die de grote verborgenheid, zoals die in de Efezebrief is geopenbaard, verder uitwerkt in de Kolossenzen: …

  • ‘Nu verblijd ik mij in mijn lijden voor u en vervul in mijn vlees wat overblijft van de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van Zijn lichaam, dat is de gemeente. Daarvan ben ik een dienaar geworden, overeenkomstig de beheerstaak van God, die mij met het oog op u gegeven is om het Woord van God te vervullen, namelijk het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen. Aan hen heeft God willen bekendmaken wat de rijkdom is van de heerlijkheid van dit geheimenis onder de heidenen: Christus onder u, de hoop op de heerlijkheid. Hem verkondigen wij, terwijl we ieder mens terechtwijzen, en ieder mens onderwijzen in alle wijsheid, opdat wij ieder mens volmaakt zouden stellen in Christus Jezus. Daarvoor span ik me ook in en strijd ik, overeenkomstig Zijn werking, die met kracht in mij werkzaam is’ (Kol. 1:24-29).

Hoewel deze verborgenheid pas geopenbaard was ná Israels terzijdestelling (Hand. 28:26-28), is ze krachtens haar wezen niet beperkt tot de genoemde tussentijd tussen Handelingen 28 en Openbaring 1 [de tijd waarin de jaar weken waar Daniel 9 van spreekt niet functioneel zijn, … dus de grote ruimte of tussentijd die er ligt tussen de 67e en 68e jaarweek!]

Weliswaar is het de taak van het Lichaam van Messias Jesjoea (kort na Hand. 28 geopenbaard) om Gods veelkleurige wijsheid bekend te maken aan de hemelmachten

  • ‘opdat nu door de gemeente [het lichaam van de Messias] aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God bekendgemaakt zou worden, volgens het eeuwige voornemen [voornemen der eeuwen = aioonen] dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onze Heere’ (Efz. 3:10-11).

iets dat stellig op die tussentijd slaat –  maar, wezen en taak van die gemeente omvat veel meer!

Feitelijk gezien is dat Lichaam van Christus eigenlijk een onderbreking van de gang der aioonen (eeuwen), die onze tijd verbindt met het met het overhemelse, en daardoor tevens met het na-aioonische (de tijd dat God alles is in allen).

Dáár gaat het uiteindelijk om: de volledige voltooiing van Gods heilsplan!

Of zoals de Efezebrief het zegt: …

  • ‘het alles (of het al) brengen onder het Hoofdschap van de Messias. In Hem worden hemel en aarde verenigd’

In die zin gaat het Messiaanse Rijk nog lang zo ver niet, daar wordt enerzijds het kwaad wél gestraft (vergeleken met deze boze aioon [eeuw] een grote vooruitgang); maar ondertussen is dat kwaad er nog wel, en zelfs tijdens de daarop volgende nieuwe hemel en nieuwe aarde is er nog vuur waarin de vijanden (ter loutering?) moeten verblijven: …

Het eind van de duizend jaar

  • ‘En wanneer die duizend jaar tot een einde gekomen zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten. En hij zal uitgaan om de volken te misleiden die zich in de vier hoeken van de aarde bevinden, Gog en Magog, om hen te verzamelen voor de oorlog. En hun aantal is als het zand der zee. En zij kwamen op over de breedte van de aarde, en omsingelde de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Maar er daalde vuur van God neer uit de hemel en dat verslond hen’ (Openb. 20:7-9).

Ten tijde van het Nieuwe Jeruzalem

  • ‘Maar buiten bevinden zich de honden, de tovenaars, de ontuchtplegers, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder die de leugen liefheeft en doet’ (Openb. 22:15).

Dat wil dus zeggen, dat het visioen wat Openbaring ons uiteindelijk geeft, minder ver rijkt dan wat de Efezebrief hoofdstuk 1 vers 10 ons laat zien: …

  • ‘om in de bedeling van de volheid van de tijden alles weer in Christus [hammasjiach Jesjoea] bijeen te brengen, zowel wat in de hemel als wat op de aarde is’ (Efz. 1:10).

Zo hebben we een beknopt overzicht(je) gegeven van het heilsplan van God Die Zich verborgen houdt, om zo de volle verlossing van de schepping te bewerken. Een verborgenheid, die allereerst de verborgenheid van het boze moest ontmaskeren, opdat de mens bevrijd zou worden van alle zonde en beperktheid. De onthulling, het manifesteren van Hem gaat in die zin boven alles uit, Hij is de verheerlijkte ‘Zoon des Mensen‘ die zich in het Apocalyptisch gebeuren kenbaar maakt met een luide stem, als van een bazuin, …

  • ‘En ik keerde mij om, om de stem te zien die met mij had gesproken. En toen ik mij had omgekeerd, zag ik zeven gouden kandelaren. En te midden van de zeven kandelaren zag ik Iemand Die op de Zoon des Mensen leek, gekleed in een gewaad tot op de voeten, en op de borst omgord met een gouden gordel; en Zijn hoofd en haar waren wit, als witte wol, als sneeuw, en Zijn ogen waren als een buurvlam, en Zijn voeten waren als blinkend koper, gloeiend gemaakt in een oven, en Zijn stem klonk als het geluid van vele wateren. En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand en uit Zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn gezicht was zoals de zon schijnt in haar kracht’ (Openb. 1:12-16).

uit: Gods verborgenheid – dhr. K.A. den Breejen; bewerkt door G.J.C. Plas: 2012

Gerard J.C. Plas

 

 

 

 

Be Sociable, Share!
 Posted by at 21:26

  One Response to “TWEE STEDEN – Babel versus Jeruzalem – DE ONTHULLING – tussentijd tussen Handelingen 28 en Openbaring 1 – editorial”

  1. Groeten; een geweldig artikel.

    Helaas leven veel christenen toe naar de ,Grote Verdrukking, maar hebben geen zicht op het geweldige Millenium of 1000jarige rijk van Israél op onze aarde, waarvan ook de bijbelprofeten hebben gesproken.

    Duidelijk is dit geen kritiek, maar aanvulling! Soms word ik somber van alle berichten uit de media, maar Gods Koninkrijk is komend.

 Leave a Reply

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

(required)

(required)

Translate »