Jul 022018
 

DE LEER VAN DEUTERONOMIUM

Om aan de wereld te laten zien wat Gods bedoeling was, verkoos God als model een klein, onaanzienlijk en zeker niet hoogstaand volk. (Deut. 7:7). Grote cultuurmonumenten heeft het niet opgeleverd, grote kunst- of wetenschapsprestaties evenmin. God gaf de voorkeur aan een trage, doch zekere ontplooiing van Zijn voornemen, zodat velen het innerlijk zouden kunnen verwerken. Dit boven een rechtstreekse onweerlegbare intellectuele logica, die de massa niet kan volgen en dus langs zich heen laat gaan. (Bij alle oude volken was de beschaving grotendeels beperkt tot de bovenlaag; de massa was dom en arm. Bij slechts enkele volken, met name de Grieken, werd getracht de bovenlaag wat groter te maken). Dit onaanzienlijke en trage kan men beschouwen als de dienst-knechtgestalte van de openbaring. Hetgeen later nog verder gaat als de Messias geboren wordt in een onaanzienlijke kribbe in een onaanzienlijk stadje van een onaanzienlijk land.

Dit alles ter voorbereiding van Israëls eigenlijke taak, straks in het Messiaanse Rijk, als de berg des Heren zo verheven zal zijn boven alle bergen, dat alle volken daarheen zullen opgaan om de wegen des Heren te verstaan. (Jes. 2:3). Alleen een volk dat zelf ootmoed kent, kan dat andere volken leren.

Wanneer men reeds nu, in de boze aioon, het verschil tussen Israël en de volken uit het oog gaat verliezen en vooral als men als kerk of christenheid meent zélf “Israël” te zijn, dan ligt hier een oorzaak van de grootst mogelijke fouten, misverstanden, ketterijen en uitwassen. Als men de Schrift, met zijn boodschap en getuigenis van Israël, zonder meer gaat toepassen op de mens buiten Israël, ontstaat er incongruentie (er blijkt van alles niet te passen), met kortsluiting door teleurgestelde verwachting. Men rekent dan op allerlei verhoring van gebeden, op voorspoed voor de vrome, op genezing door gebed, op bewaring voor vijanden en natuurrampen voor het volk dat God dient, kortom: men rekent op een voortdurend ingrijpen van God ten behoeve van de Zijnen.

Het kost weinig moeite om uit tal van Bijbelboeken teksten aan te halen die deze verwachting schijnen te bevestigen. We hebben in vele Psalmen en vaker nog in psalmgedeelten opgemerkt, dat God zwijgt, maar er zijn veel meer Psalmen die spreken over Gods grote daden, over Zijn ingrijpen. En niet alleen de Psalmen, ook andere Bijbelboeken spreken vaak zo. Bijv. Deuteronomium 28-32: “Als gij de stem van de Heer uw God zult gehoorzamen, zo zullen allerlei zegeningen over u komen. Daarentegen zal het geschieden als gij de stem van de HEER uw God niet gehoorzaam zult zijn, zo zullen vele vloeken over u komen en u treffen. Ik, (Mozes) neem de hemel en de aarde tot getuigen; het leven en de dood heb ik u voorgehouden, de zegen en de vloek; kies dan het leven, opdat gij blijft in het Land dat de HEER aan uw vaderen Abraham, Izaak en Jakob gezworen heeft hun te geven:

Wie Deuteronomium 28-31 naleest, zal het opvallen dat Mozes over de dreigende bestraffing veel uitvoeriger is dan over de beloofde zegeningen. Daarom ligt de nadruk heel wat meer op de waarschuwing om de weg van God niet te verlaten dan op de beloften van welvaart en voorspoed.

In de zg. tien geboden komen we deze gedachte tegen in het tweede gebod (misdaden werken door tot in het vierde geslacht, maar barmhartigheid over hen die God liefhebben en Zijn geboden betrachten), en in het vijfde gebod (eert uw ouders, opdat uw dagen verlengd worden en opdat het u welga in het Land dat de HEER uw God u geven zal).

Dit patroon vinden we uitgewerkt in het boek Richteren, waar we in hfdst. 2 dit thema letterlijk vinden: “Toen Jozua gestorven was, en ook zijn geslacht, zo stond een ander geslacht op dat de HEER niet kende, noch het werk dat Hij aan Israël had gedaan; toen deden de kinderen Israëls wat kwaad was in de ogen des HEREN. Zo ontstak de toorn des HEREN en Hij verkocht hen in de hand van hun vijanden. En de HEER verwekte richters die hen verlosten al de dagen van de richter. Maar het geschiedde met het sterven van de richter, dat zij omkeerden en verdierven het meer dan hun vaderen; daarom ontstak de toorn des HEREN opnieuw tegen Israël en Hij verdreef de heidenen niet uit hun bezitting.” Hetzelfde komen we tegen in het boek Koningen: bij koningen, die God dienden ging alles naar wens, maar de meeste koningen dienden God niet, althans niet met hun gehele hart en dan ging alles verkeerd. Zo wordt de ondergang van het noordelijk Israël niet toegeschreven aan politieke of economische omstandigheden, maar aan het feit dat Israël aan de HEER ontrouw was geworden. (2 Kon. 17:7-23).

Ook in de Psalmen vinden we dit thema, bijv. Ps. 1: “De HEER kent de weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddelozen vergaat”. Of Ps. 91: “Gij zult vergelding der goddelozen zien, maar tot u zal het niet genaken; u zal geen kwaad wedervaren, want Hij zal Zijn engelen bevelen aangaande u, om u te behoeden op al uw wegen; zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot.”

Tenslotte de profeten, zoals Jesaja 1:19-20: “Indien gij gewillig zijt en hoort, zo zult gij het goede van dit land eten, maar als gij weigert en weerspannig zijt, zo zult gij door het zwaard gegeten worden.” Verder in Joel 2:12-13: “Nu dan, spreekt de HEER, bekeert u tot Mij, want Hij is genadig en barmhartig, berouw hebbend over het kwaad.” Laatste voorbeeld in Mal. 3:10: “Breng tienden in Mijn huis en beproef Mij, of Ik u niet zal opendoen de vensters van de hemel en u zegenen, zodat er geen schuren genoeg zijn!” (Jes. 57:1a schijnt een uitzondering te zijn: De rechtvaardige komt om en er is niemand die het ter harte neemt. Doch als we verder lezen staat er dat die rechtvaardige daardoor bewaard bleef voor veel rampen. Maar de goddelozen hebben geen vrede (aldus het slotvers)).

Deze opvatting betreffende een rechtstreekse samenhang tussen het dienen van God en zijn ingrijpen ten goede, dan wel het niet-dienen van God en Zijn ingrijpen ten kwade (of Zijn niet-ingrijpen ten kwade), noemt men wel deuteronomistische theologie. Deze benaming hangt samen met een schrift-kritische beschouwing, die eigenlijk het openbaringskarakter aan vele Schriftgedeelten ontzegt. De critici voelen terecht dat het denken over God op bovengeschetste wijze, die men zou kunnen karakteriseren met: “Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe”, in het algemeen niet het rechte denken over God kan zijn. Daarom heeft men het boek Deuteronomium en de gehele Israëlitische geschiedschrijving die op hetzelfde thema voortborduurt wel eens genoemd een filosofie van het succes. De latere ontwikkeling heeft de gevaren van de “deuteronomistische theologie” ook wel aangetoond.

Het volk ging God dienen om daarmee de beloofde zegeningen te gaan verdienen. Bleef de verwachte voorspoed uit, dan was Israël al spoedig geneigd weer de afgoden te gaan dienen. Later heeft het Farizeïsme er zelfs een compleet systeem van gemaakt; de nadruk, die in deze theologie werd gelegd op het houden van de geboden en het bestuderen van de leer, leidde tot een sterke ont-geestelijking (De Romeinen noemden zoiets ‘fraus legis’ (bedrog van de wet) d.w.z. door je aan de letter van de wet te houden de bedoeling van de wet ontduiken) van hetgeen het O.T. eigenlijk bedoelde. In het N.T. vinden we dit terug in de felle twistgesprekken tussen Jezus, Petrus, Johannes en Paulus tegenover de toonaangevende Schriftgeleerden. Zo sterk zelfs dat men hieruit een volstrekte tegenstelling tussen O.T. en N.T. heeft afgeleid, hetgeen een volkomen uit elkaar groeien van “Joden” en “christenen” veroorzaakte. Maar waarbij de “kerk” over het hoofd zag, dat Jezus en Paulus (de laatste in de Handelingen-tijd) in hun prediking niet veel anders deden dan een verkeerde uitleg van “Deuteronomium” rechtzetten, doch geen nieuwe anti-deuteronomistische theologie ontwikkelden.

Wij gaan dit alles thans niet verder uitwerken, doch volstaan met die opmerkingen die nodig zijn voor onze beschouwing over het zwijgen van God. Want dit is wel duidelijk: in de deuteronomistische theologie gaat het over een sprekende God, een God die daden verricht en op gezette tijden ingrijpt. En als men nu in de praktijk van het leven en in de ontwikkeling der geschiedenis steeds ziet dat dit niet klopt, komt men er al gauw toe om te zeggen: Die deuteronomistische theologie is fout; ze is in strijd met de werkelijkheid en ze maakt het geloof in God tot het geloof in Sinterklaas. Deze theologie is dus mensen bedenksel en geen openbaring van God. Aldus de kritiek.

Dit neemt niet weg dat deze theologie ook bij de christenen rijkelijk school heeft gemaakt. Hoeveel christenen verwachten eigenlijk niet dat hun-dienen-van-God allerlei zegen tot gevolg heeft? Goed, men spreekt graag van “verbeurde zegeningen”, maar daarbij gaat men er al stilzwijgend vanuit dat als de mens nu eens niet zondigde, God verplicht was Zijn zegen te schenken. Omgekeerd worden rampen en tegenspoeden uitgelegd als bewijzen van de toorn van God, Die ons straft om onze zonden en het van tijd tot tijd nuttig vindt om ons weer eens bij onze kleinheid en vergankelijkheid te bepalen.

En als dan de bewijzen zich opstapelen dat God niet ingrijpt ten goede, of dat rampen juist de besten treffen en de slechten de dans ontspringen, dan is men zo behept met die leer van: “Doe uw voordeel met onze succesrijke religie”, dat men niets meer gelooft en alle dienen van God overboord gooit. Ziedaar het probleem van de moderne mens: Hij gelooft niet meer in de deuteronomistische godsopvatting, en omdat hij meent dat dát de Bijbelse opvatting is, blijft van het geloof niet veel meer over dan een vaag religieus gevoel, verbonden met de medemenselijkheid. Men aanvaardt desnoods wel datgene uit de Bijbel dat over die medemenselijkheid handelt, maar meer ook niet. M.a.w. vanuit een bepaalde vooropgezette overtuiging (in dit geval de medemenselijkheid) gaat men de Bijbel lezen, net zo als de Farizeeërs deden met hun vooropgezette overtuiging, al was die dan een andere, nl. de vergelding van goed en kwaad. Zoals er ook christenen zijn die alles benaderen vanuit de vooropgezette overtuiging van de vergeving der zonden (bijv. Luther), wat dan te pas en te onpas overal op toegepast wordt.

Al deze – overigens tegenstrijdige – vooropgezette overtuigingen hebben dit gemeen, dat ze geen oog hebben voor de “insnijdingen” in het Woord Gods. Men onderscheidt niet de “tijden en gelegenheden”, de aioonen en bedélingen die men moet maken om te komen tot een recht verstaan van de Schrift. Om ook hier ons te beperken tot die opmerkingen die vallen binnen ons onderwerp, stellen wij dit (aan de Schrift ontleend) uitgangspunt voorop:

De deuteronomistische theologie is op zichzelf juist, maar ze is alleen geldig voor Israël, in zijn functie van uitverkoren volk. Ze is niet geldig voor andere volken en evenmin voor Israël als terzijde gesteld volk. (Met terzijdestelling wordt bedoeld de tijdelijke toestand als in Hosea 1: de lo-ammitijd ( = niet-Mijn-volk). Die tijd is voorbijgaand. Gods genadegaven en roeping betreffende Israël zijn onberouwelijk, doch kunnen wel onderbroken worden. Immers, Israël is sinds de Handelingentijd niet in staat aan de volken te verkondigen dat Jezus de Messias is, Die het Messiaanse Rijk zal brengen). Ze is bedoeld als opvoeding tot het heil en niet de samenvatting of hoofdzaak van het geloof. Kortom: deze theologie is voluit openbaring van God, maar alleen op de rechte plaats en tijd.

In het boek JOB zagen we reeds de juistheid van onze stelling. De deuteronomistische theologie is niet zo diep, dat ze niet in het hart van een mens zou kunnen opkomen. Niet alleen hebben vele christenen daarom deze theologie, zij het in verbasterde vorm, overgenomen of bedacht; ook de vrienden van Job dachten min of meer in deze denktrant. Het is blijkbaar mogelijk dat dit denken over God (Die de goeden zegent en de bozen straft, en hiertoe voortdurend in de geschiedenis ingrijpt), ook buiten Israël, in het heidendom kan ontstaan. (Ook de godsdienst van Egypte kende dergelijke gedachten).

Op zichzelf is dit niet eens helemaal verkeerd, het is wél primitief, d.w.z. simpel en kinderlijk; ook onze kinderen worden door ons opgevoed vanuit dit gedragspatroon. Het is niet zo erg als men aanvankelijk zo over God denkt; Hebr. 11:6, handelend  over de vóór-Israëlitische tijd, zegt, dat wie tot God komt moet geloven dat Hij is én een Beloner is degenen die Hem zoeken. De fout ontstaat als men dit primitieve, dit eerste denken over God gaat houden voor het voltooide, het laatste denken over God; als men het kinderlijke stadium houdt voor de volwassenheid. Dat is voor het geloof levensgevaarlijk.

Een foutieve toepassing van de deuteronomistische theologie is bijv. het God-Nederland-en-Oranje-geloof als verklaring voor Nederlands welvaart. Of de waan der zg. Duitse christenen uit de dagen van Hitler, die van Gods bijzondere bemoeienis met Duitsland zo stellig overtuigd waren. Of de Engelse leus over “Gods own country”; al deze opvattingen gaan er vanuit dat het eigen volk Israëls taak overgenomen en daarom op dezelfde beloften mag rekenen.

We hebben gezien dat het in JOB gaat over voor-Israëlitisch denken, dat echter bóven het denken van Israël uitstijgt. Hetgeen niet wil zeggen dat er in Israël niemand was die tot gelijkwaardige hoogte gestegen is. Naast de genoemde Psalmen en gedeelten der Profeten zouden we bijv. kunnen wijzen op het cynische van Prediker en de geloofszang van Habakuk (3:17-19). In al deze plaatsen uit het O.T. treedt niet het specifieke Israëlitische, maar het algemeen menselijke naar voren. Ze wijzen heen naar een geloofsvertouwen en heilsverwachting die ver uitgaat boven het deuteronomistische schema. Daarmee aangevend dat ook in het O.T. het heil in wezen ver uitgaat boven zijn schijnbare beperking tot Israël. Deze uitschieters komen we vooral tegen bij enkelingen of kleine groepen ten tijde dat het volk als geheel afdwaalde, doch zij stand hielden in hun Godsvertrouwen.

Het is een misvatting te menen, dat de deuteronomistische theologie, met zijn rechtstreekse verband tussen God-dienen en voorspoed (resp. God niet-dienen en tegenspoed) de natuurlijke scheppingsorde is; in tegendeel, het is juist de doorbreking daarvan.

De roeping van Israël is een invoeging in het heilsplan Gods. Vóór de roeping van Abraham hield Gods openbaring zich met de wereld bezig (hoewel dit slechts ten dele, maar dat laten we rusten). Nadien beperkte God Zich tot Abraham, Izaak en Jacob en het volk Israël, daaruit voortgekomen (ook al waren er uitzonderingen, zoals Melchizedek en vooral Job). Langs deze weg wilde God evenwel de gehele wereld bereiken; Israël moest getuige van God zijn bij alle volken. Zo is ook de deuteronomistische theologie een invoeging in de heilsleer, bedoeld om later het inzicht in het wezenlijke van het heil mogelijk te maken.

Het moet ons daarom niet verwonderen dat ook in het N.T. enkele duidelijke aanwijzingen liggen voor het recht verstaan van de deuteronomistische theologie, naar de ware bedoeling van God in Zijn openbaring aan Mozes en de Profeten. We zien dit bij Johannes de Doper, die oproept tot bekering om het oordeel te ontvlieden. We zien het in de Bergrede, bijv. “zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden”. “Uw vader, Die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.” “Zoekt eerst het koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid en al deze dingen (voedsel en kleding) zullen U toegeworpen worden.” “Wie bidt, ontvangt en wie zoekt die vindt.” Verderop wijzen vermaningen op het verband tussen ziekte en zonde: “Ga heen en zondigt niet meer.”

Dergelijke getuigenissen komen we ook tegen in het tijdvak van de Handelingen der Apostelen. (Een sprekend voorbeeld is het verhaal van Ananias en Saffira in Hand. 5. Er is een duidelijk verband tussen zonde en straf, met een rechtstreeks ingrijpen van God. Als dezelfde geestelijke toestanden in de kerken nog zouden bestaan, zouden er na korte tijd niet veel kerkleden meer over zijn). Dat is de tijd dat Israël nógmaals de kans krijgt om werkelijk het heilsvolk te worden, overeenkomstig Gods beloften. Als Israël zich bekeert, dan zal het Messiaanse Rijk komen (Hand. 3:19). Dat rijk komt niet wanneer Israël, zowel in het Land als daarbuiten als volk NEEN zegt tegen God en een eigengerechtigde weg gaat zoeken door de wereld. Als het de verbasterde deuteronomistische theologie in Farizese uitvoering gaat houden voor Gods openbaring en tegelijk daarmee zijn wereldroeping verzaakt, zich terugtrekkend in getto en eigen synagoge.

Maar als Israël ophoudt, houdt óók de deuteronomistische heilsorde op. Gods beloften blijven wel bestaan, maar hebben voorlopig geen uitwerking meer. Het wacht alles op Israëls herstel, op het Messiaanse Rijk. Dán grijpt God weer in, dán spreekt Hij weer. Tot zolang werkt Hij in het verborgene, is Hij de zwijgende God. Het Jobs-probleem krijt weer volle actualiteit: er is geen rechtstreeks verband meer tussen het dienen van God en de stoffelijke zegeningen. Ook niet een onmiddellijke straf op de zonde. Gods rechtvaardigheid en Zijn wereldbestuur worden onzichtbaar, verborgen.

Wie zich nu beroept op deuteronomistische beloften, komt bedrogen uit. Als de moderne mens iets van God verwacht waarvoor het nu niet de tijd is, zal hij, om zich uit de verlegenheid te redden, schrifkritiek gaan beoefenen. Hij gaat de Bijbel niet meer als goddelijke openbaring zien; hij zal zelfs alle geloof in God verliezen.

Het zijn Israëls profeten geweest, die er oog voor hadden dat de deuteronomistische theologie eigenlijk een vooruitgrijpen was op de Messiaanse tijd (waarbij we reeds nu moeten bedenken dat dit rijk op zijn beurt niet meer is dan een voorloper van het uiteindelijke Koninkrijk Gods). Zeer kort samengevat is hun boodschap een belichting van het gebeuren in hun eigen tijd vanuit hun visie op de ‘eindtijd’ en verder. Hoezeer ze zich ook bezig hielden met het (wan)-gedrag van hun tijdsgenoten en de politiek van hun koningen, ze waren geen zedenmeesters. Ze waren evenmin voorspellers van de toekomst, als religieuze koffiedik-kijkers. Wie zich niet beperkt tot een korte bloemlezing (bijv. een tiental teksten die ‘precies’ uitkwamen met de komst van de Messias), doch hun héle boodschap willen overdenken, zal die band tussen eigen tijd en latere tijden steeds zien.

Met ‘eindtijd’ wordt hier bedoeld het einde van deze (boze) aioon (Gal. 1:4), dat gekenmerkt zal zijn door grote oordelen en God over de wereld, die tevens de zg. barensweeën zijn van de Messiaanse tijd die daarop volgt. Dit is het grote thema van het O.T. -Israël, als volk van de geschiedenis, weet dat het daar op aan gaat.

Wanneer nu God door Mozes’ tussenkomst aan Zijn volk Zijn Wet geeft, is dat niet bedoeld als een statisch gebeuren. Het is geen handleiding om in het beloofde Land lang en gelukkig te wonen en verder niets. De waarschuwingen van de profeten betroffen niet de afwijkingen van de handleiding om dat statische leven in het Land niet te verstoren. Ze gingen net zo hard te keer tegen die volksgenoten (vooral de priesters) die geen hoger doel hadden dan door middel van pijnlijk nauwkeurige betrachting van alle wetsbepalingen verzekerd te zijn van de gunst van de Allerhoogste.

De leer van Deuterononium wil dus in wezen vooruitwijzen. Niet voor niets worden zowel Abraham als Mozes profeten genoemd. (Gen. 20:7, resp.Deut. 34:10). De wet van Israël, met zijn beloften en dreigingen, is op de toekomst gericht. Immers: er is een verborgen samenhang tussen het doel van de schepping en het goede en schone. En het heil der wereld omvat niets anders dan dat deze samenhang zichtbaar en bovendien onaantastbaar wordt.

Verhelderend in dit opzicht is het al meer genoemde Jesaja 45. De profeet voorzag dat een heidens koning, Kores, de komst van het Messiaanse Rijk zou bevorderen, door Israël gelegenheid te geven uit de Babylonische ballingschap terug te keren. Hij geeft aan Kores de eretitel “Messias”, een benaming die geen enkele O.T.-figuur buiten Israël ooit kreeg. (Jes. 45:1, zowel hier als elders met gezalfde vertaald, waardoor het onzichtbaar wordt waar het eigenlijk om gaat). Kores was een bevrijder van het volk, hetgeen – op veel grootser wijze – de komende Messias eens wezen zal. Israël wordt dan bevrijd “met een verlossing der aioonen”, d.w.z. alle verdere aioonen door. De afgodendienaars zullen dan voorgoed beschaamd staan (aldus vs. 16/7), iets wat voordien zelfs bij Israël niet altijd het geval was.

God geeft wel regels en wetten, maar is daaraan Zelf niet gebonden. Niet uit willekeur, maar terwille van Zijn heilsplan. Zo heeft ook de orde van Deuteronomium haar begin en haar einde en … haar terugkeer! Vandaar het Zelfgetuigenis: “Ik, Jahweh, Ik schep het licht en de duisternis, de vrede en het onheil.” Waar licht en vrede zijn, moeten aanvankelijk ook hun tegenhangers zijn, niet als vrijbrief voor de zonde, maar om de gelovigen te leren daar bovenuit te komen.

Dit nu is het verband, waarin de profeet spreekt: “Voorwaar, Gij zijt een God, Die Zich verborgen houdt, de God van Israël, de Heilbrenger! Omdat Hij de Verborgene is, kan Hij het heil, de verlossing, de bevrijding brengen. Het is niet toevallig dat juist Kores Messias genoemd wordt. Hij was de eerste koning van groot formaat die een universalistisch geloof bezat. Alle goden der volken zag hij als dienaren van de ene “God des hemels.” Zo mochten van hem alle volken ruimte hebben voor hun eigen god in hun eigen land, ook de god van de Joden. Dat die God des hemels én de God van Israël dezelfde waren, kon Kores nog niet weten. Daarvoor was het inzicht van de profeet nodig. En nog later het inzicht van de apostel, die zag dat eens alle volkeren onder Israëls Messias als onder één Hoofd zouden worden gebracht. (Efz. 1:10).

Het voorgaande is ook van betekenis voor de zg. bevrijdingstheologie. Deze kwam op bij de onderdrukten in Midden- en Zuid-Amerika, waar vooral grootgrondbezit, gesteund door een corrupt militaritistisch apparaat, de massa in zijn greep houdt. In Noord-Amerika kwam daarbij de achteruitstelling van de zwarte bevolking, met een variant in Zuid-Afrika (ook wel genoemd zwarte theologie). Hun godsdienstig besef, gevoed door de geestelijkheid, was vroeger vooral gericht op een gelukkig hiernamaals (“I want to go to heaven when I die”). Totdat men onweerstaanbaar geboeid werd door het verhaal uit de Uittocht uit Egypte. Zo zou God ook hen uitleiden uit de slavernij van onze huidige samenleving.

Nu is de bevrijdingstheologie, net als andere deel-theologieen, nog al eenzijdig. Voor zover deze theologie een oproep is tot de kerken dat zij recht en gerechtigheid dient te leren, met allerlei sociale en politieke consequenties die dat meebrengt, dan wordt een leegte rechtmatig opgevuld. Maar overigens wordt opnieuw een oude dwaalleer verkondigd en bezongen, dat deze groep een soort Israël is, dat eveneens aanspraak kan maken op Gods uitredding uit de nood. De leer van Deuteronomium vindt dan de zoveelste onjuiste toepassing: het dienen van God móet wel zegen opleveren. Afgezien van deze verkeerde toe-eigening van beloften voor Israël ziet men over het hoofd dat profetie menigmaal ingesneden is. Ter vergelijking: men ziet wel de toppen van achter elkaar liggende bergen als één geheel, maar niet de ingesneden dalen daar tussenin. Dit moet op een teleurstelling uitlopen.

Zolang we de Heilige Schrift van Israël (ons O.T.) annexeren, gaan we met de Bijbel verkeerd om. Net als de doorsnee kerkleer leggen we beslag op Israëls zegeningen (de vloeken mogen ze houden!). Terwijl het niet waar is dat God de onderdrukten helpt omdat ze onderdrukt worden; de geschiedenis leert anders. Wel hielp God Israël uit de nood (niet eens altijd!) omdat Hij met dit volk een bijzondere bedoeling had (wat uiteindelijk zou gelden tot zegen voor de hele wereld), maar verder niet.

De bevrijdingstheologie kan dus niet meer doen dan profetische kritiek uitoefenen op onze (westerse) samenleving; voor het overige kan ze niets beloven.

Uit: Gods verborgenheidvan dhr. K.A. den Breejen … wordt vervolg!

[Personalia: K.A. den Breejen (10-01-1917 / 04-09-1998), van beroep rijksaccountant, maakte in zijn jeugd een kerkscheuring mee (1926), hetgeen hem leerde dat men niet aan kon op de juistheid van wat theologen beweren; zij spreken elkaar vaak op het hevigst tegen. Reeds in zijn ouderlijk huis werd ernst gemaakt met zelfstandig Bijbelonderzoek. Dit alles, en de kennismaking met enkele leermeesters, bracht hem geleidelijk tot de inzichten in dit boek weergegeven. Hierbij werd gebruik gemaakt van hetgeen door hem als eindredacteur in het ruim 25-jarige bestaan van het “Studieblad ter begeleiding van BIJBELS DENKEN” werd gepubliceerd. De schrijver wil dit boek opdragen aan de nagedachtenis van zijn ouders, zijn leermeesters Heere Heeresma sr., C.H. Welch, S. van Mierlo, G.J. Pauptit, Frits Kuiper en van zijn vriend W. Hoving

**********************

JOB, DE GELOVIGE BUITEN ISRAËL

Als we in de Schrift de geschiedenis op de voet volgen, komen we na de zondvloed al spoedig terecht bij de aartsvaders en wat later bij Mozes en het volk Israël. Voordat we ons daarmee bezig houden, willen we eerst de achtergrond belichten tegen welke we het geloof van Abraham en de Wet van Mozes moeten verstaan. Zij vormen namelijk de oplossing van de vraag, hoe God de wereld tot Zijn doel voert. Israël heeft daarvan veel (zij het niet alles) verstaan; de volken buiten Israël niet. Daarom noemen we die ook wel ‘heidenen’; dat zijn mensen die op de ‘heide’ (een afgelegen, eenzaam gebied, “van God en elk goed mens verlaten”) wonen, buiten de openbaring die Israël mocht ontvangen. Voor hen is God de zwijgende, verborgen God; (voor Israël trouwens in tijden van geestelijke neergang ook, waarover later). Het is Gods verborgen weg om de mens door de diepten der godverlatenheid heen te voeren naar Zijn aanwezigheid. Door het duister naar Zijn licht, omdat we eerst op die wijze zouden verstaan wat liefde eigenlijk is.

Zien we naar de wereld en haar geschiedenis, dan is (kwantitatief) Gods zwijgen normaler dan Zijn spreken. De Bijbel daarentegen is het boek waarin (kwalitatief) het spreken van God veel meer aandacht krijgt. Deze verhouding uit het oog verliezen is de ongelukkige fout van sommige (vroeger zelfs vele) uitleggers om er van uit te gaan dat Gods spreken en / of ingrijpen het normale is; dit is echter niet het geval. Integendeel: ook de Bijbel zelf vermeldt op belangrijke plaatsen het zwijgen Gods. Daarom is de Bijbel het boek bij uitstek dat de mens in zijn godsverduistering of god-is-dood-aanvechting kan verder helpen.

Want hoewel de hele Bijbel dóór Israël tot stand is gekomen en grotendeels in de eerste plaats vóór Israël bestemd, zo zijn er toch enkele belangrijke uitzonderingen. Dat zijn, wat het N.T. betreft, de latere brieven van de apostel Paulus; hierop komen we nader terug. Dan zal blijken de samenhang tussen de tijd waarin de brieven functioneren (de zg. bedéling der verborgenheid) en de tijd waarin een tweetal  O.T.-figuren verkeren, nl. Job en Prediker. Dit alles betreft in wezen onze tijd. Daarom laten we Prediker voorlopig onbesproken, totdat we het over de latere Paulus hebben gehad. Eerst houden we ons met Job bezig, als gelovige uit zeer oude tijden.

Vermoedelijk is JOB het oudste Bijbelboek. (Met ‘Job’ wordt de persoon bedoeld, met JOB het gelijknamig boek). In elk geval handelt dit boek in een tijd en een geestelijk klimaat waarin Israël nog geen volk was; waarschijnlijk was hij een tijdgenoot van de aartsvaders. Job is de man die buiten Israël reeds veel wist van God en Zijn werk. Wat hij naar voren brengt en tegen alles in vasthoudt, is zelfs algemener en wezenlijker dan het geloof van Israël.

De wijze waarop in JOB gesproken wordt over God, over de mens en over de verhouding tussen beiden, verschilt principieel van de wijze waarop  daarover elders in het O.T. wordt gehandeld, afgezien dan van Prediker. Met enige goede wil zou men de drie vrienden van Job kunnen beschouwen als Israëlitische Schriftgeleerden (al is dit historisch niet zo, en gaat dit theologisch niet helemaal op), maar juist hun theologie wordt afgewezen! Dit alles is temeer merkwaardig omdat allerlei belangrijke onderwerpen, zoals de schepping, de zondeval van Adam, de vloek die op de aarde rust, de vergankelijkheid, de opstanding, de verzoening en rechtvaardiging door het geloof in dit boek aan de orde komen, vaak zelfs scherper dan verder in het O.T. Dit merkwaardige behoeft echter niets bijzonders te zijn als inderdaad het ontstaan, d.w.z. de kern van JOB ouder zou zijn dan het volk Israël (ook al heeft iemand uit Israël later de eindredactie verzorgd. (In Ezech. 14:14 worden drie mannen uit de tijd voor Abraham genoemd: Noach, Job, en een zekere Daniel (een oude wijze Kanaanitische koning, bekend uit Oegaristische teksten, hij was enigszins bekend met het geloof in Jahweh. (De schrijfwijze is iets anders dan die van Daniel uit het gelijknamige boek)).

Als de moderne mens de Bijbel gaat lezen en zonder enige inleiding of voorbereiding bij GENESIS gaat beginnen, vindt hij dit begin tamelijk raadselachtig. De openbaringsverklaring van de Schrift komt tot ons zonder aanbeveling of teken uit de hemel. Maar als de moderne mens, met de mannen der wetenschap en de wijsbegeerte gaat zitten naast Elifaz, Bildad en Zofar, dan wordt ook hun trots geknakt bij het spreken van de Almachtige. Het is dit spreken Gods, dat vooraf dient te gaan om ons de noodzakelijke instelling van hart en geest te geven om de heilige openbaring te ontvangen. Niet alleen de openbaring door de geschiedenis, die het verslag is van Gods grote daden. Zonder dit spreken vooraf is de geschiedenis een raadsel. Wie dit spreken vooraf verstaat, kan het zwijgen van God dat daarop volgt verduren, in het geloof dat God, Die de hemelen en de aarde gemaakt heeft, trouw houdt tot in alle aioonen en niet laat varen de werken Zijner handen.

Gods handelen doortrekt wel de werkelijkheid, maar is daaruit niet te destilleren. Dit laatste doet Job protesteren: het lukt hem niet om Gods doen en laten uit “het bittere raadsel van de goede schepping” te halen. Maar hij houdt het eerste vast: God mag dan zwijgen, Hij is er bij! De drie vrienden zijn met hun destillatie klaar: ze weten precies hoe het allemaal in elkaar zit, maar Job doorziet dat God uit de “werkelijkheid” die de vrienden overhouden, verdwenen is. Zoals ook bij ons het beschut-zijn is weggevallen (1:10). De belofte van zegen wanneer men God dient blijkt vaker niet te worden vervuld dan wel. De drie vrienden zouden ten dele gelijk hebben gehad als ze in de bedéling van Israël hadden geleefd. Buiten Israël was hun mening dwaalleer. En ook nu zijn er vrome “vrienden”, die aan de slachtoffers gebrek aan geloof verwijten. Ze zien niet het verschil in bedéling en wat erger is: ze begrijpen niet dat de gelovige tot een waarachtig “betrouwbare” wordt als hij, tegen de omstandigheden in, zijn geloofsvertrouwen en -gehoorzaamheid bewaart. Dát moest Satan zien in het leven van Job en dat moeten de hemelingen zien bij ons.

Job lijkt in sommige opzichten op Paulus. Ook deze stond voor raadsels, met name hoe Gods werk kon doorgaan wanneer Israël als heilskanaal onbruikbaar werd. Wij werken dat hier niet verder uit, behalve dan dat Job en Paulus het zijn die ons leren wat GELOOF is.

En om dat geloof gaat het ons. Men heeft wel eens gezegd dat het boek JOB als thema heeft: “het probleem van het bestaan en de zin van het lijden.” Dat is niet onjuist, maar dat is toch niet het wezenlijke. JOB geeft voor het lijdensprobleem hoogstens een opluchting, geen oplossing. Maar Job overwint door zijn geloof en daarom is zijn boek zo uitermate belangrijk voor de gehele wereld van alle tijden, óók voor de moderne mens. De provo’s mochten destijds zingen: “We shall overcome”, Johannes zegt: Dit is de overwinning die de wereld overwint: ons geloof! (1 Joh. 5:4).

Het geloof van Job is het geloof in de zwijgende God. Zeker, de Here antwoordt Job vanuit het onweer, maar Zijn antwoord is in feite niets anders dan een welsprekende manier om in Zijn zwijgen te blijven volharden. Daarom zullen we ook tegenover hen die God als afwezig ervaren geen ander antwoord hebben dan het geloof in een zwijgende God. Een geloof dat nochtans de wereld overwint.

Maar dit geloof is bepaald geen goedkoop antwoord op de vragen van de moderne mens. Het betekent een loslaten van alle andere zekerheden. Het was de verdienste van de God-is-dood-theologie dat het vele valse zekerheden heeft ontmaskerd, vele vrome constructies heeft verbrijzeld, vele christelijke gesneden beelden heeft vernietigd. Maar deze theologie gaf er geen betere zekerheid voor in de plaats. Ook geen betere oplossing naar de zin van het leven en daarmee onlosmakelijk verbonden: de zin van het lijden. Het stuurt ons weerloos de ruimte in; we kunnen alle kanten uit, maar geen enkele richting heeft voorkeur boven de andere: de willekeur der zinloosheid. Maar het geloof dat de Onzienlijke ziet, en de Zwijgende verstaat geeft ons kracht in onze zwakheid, hoop in uitzichtloosheid en liefde voor een liefdeloze wereld.

Er zijn geleerden die menen dat de twee eerste hoofdstukken (alsmede het slot van het laatste hoofdstuk) niet bij het boek JOB behoren, doch later zijn toegevoegd. Ook al houden wij vast aan de kanoniciteit van het gehele boek, toch is het wel eens goed om die eerste hoofdstukken maar eens een poosje te vergeten. Wie Job wil verstaan moet naast hem gaan zitten en niet van te voren weten dat God met Satan een weddenschap heeft lopen. Want als wij in ons leven en in het wereldleven met talrijke “waaroms” zitten, weten we evenmin wat er achter zit. Het bovennatuurlijke, dat voor de moderne mens zo’n struikelblok is, moeten we voorlopig buiten beschouwen laten.

Job doet dat ook in die zin dat hij geen bovennatuurlijke oplossing aanvaardt voor het probleem van het natuurlijke leed. Als God wérkelijk de Schepper is van de aarde en niet laat varen de werken Zijner handen, dan moet Hij hier recht doen. Het hiernamaals is voor Job geen troost; zelfs de opstanding is voor hem niet doorslaggevend. Als onlangs een pastoor in een dorp in China verklaarde, geen contact met de communisten te zoeken, omdat die het paradijs hier op aarde willen en hij slechts een hemels paradijs heeft te prediken, dan mag men van die communisten geen enkele waardering voor dit “christendom” verwachten. Dat is geen geloof, maar verstandsgodsdienst, uitgaande van het rekensommetje dat de ‘eeuwigheid’ langer duurt dan ons aardse bestaan en dat de hemel gezelliger is dan de hel. Dat is niet het dienen van God om niet (Job 1:9); als Job net was als die pastoor had Satan gelijk. En omdat teveel christenen veel te lang deze “god” hebben gediend en verkondigd, heeft hun god aan de moderne mens niets meer te zeggen. Deze “god” is alleen geschikt om de secularisatie te verklaren!

Zo zit dan Job, berooid van alles, doodziek, door zijn vrouw en zakenrelaties in de steek gelaten, op de puinhopen van zijn bestaan. Maar … hij heeft gelukkig nog vrienden en we mogen die mannen toch wel even prijzen voor de moeite die ze voor Job overgehad hebben. Wie breekt zo lang uit zijn werk om een vriend te troosten?

Het grote verschil tussen Job en z’n vrienden is, dat Job geen oplossing weet voor het ‘waarom’ van zijn leed en de drie vrienden wel. Hun voornaamste motief is dat lijden een straf is voor de zonde. Immers, aldus Elifaz, een mens is niet rechtvaardiger en reiner dan God; als God een mens kastijdt is dat te zien als een tuchtiging uit de hand des Heren. Bildad en Zofar bevestigen dit door te wijzen op de ervaring: de goddeloze komt om en God beloont de goede. Want God is de god van het Recht en de vergelding is een eeuwig beginsel.

Job ontkent niet dat hij ook wel eens gezondigd heeft, maar zeker niet in meerdere mate dan andere mensen; er is dus geen reden voor een bijzondere straf. Job was er helemaal niet van overtuigd dat hij geneigd is tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed. En daarom niet anders verdiend heeft dan alle tijdelijke en eeuwige straffen. Ook deze calvinistische leerstelling heeft slechts beperkte geldigheid, hetgeen de nuchtere calvinisten in de praktijk des levens gelukkig zeer goed weten. Immers: de praktijk is anders dan de leer. Job kan een indrukwekkende lijst van goede werken opsommen (Job 29:12 vv.), niet terwille van eigen verdienste tegenover God, maar om te tonen dat hij voorheen in dankbare gehoorzaamheid had geleefd; voor een bijzonder straf was geen aanleiding. Integendeel: Job constateert dat het de goddeloze vaak zo goed gaat en dat rampen de goeden en kwaden gelijkelijk treffen.

Het probleem is dus dat God zwijgt tegenover de boosheid der mensen. Hij grijpt niet in. Zeker, het kwaad straft vaak zichzelf en het welbegrepen eigenbelang doet de mens dikwijls het goede kiezen. Doch het is ook vaak anders; juist omdat veel kwaad ongestoord zijn gang kan gaan, neemt de goddeloosheid toe. Omdat niet aanstonds het oordeel over de boze daad plaats vindt, dáárom is het hart der mensenkinderen in hen vol om kwaad te doen. (Pred, 8:11).

We zijn er niet door te spreken van een toelating Gods inplaats van de uitdrukkelijke wil van God. Immers: degene die het kwaad rustig op zijn beloop laat, hoewel hij bevoegd en in staat is dat kwaad te beeindigen of minstens te beteugelen, is mede-schuldig, in elk geval mede-verantwoordelijk. En de verantwoordelijke wordt tot verantwoording geroepen: ‘Waarom liet ge dit toe, hoewel ge wist dat het niet goed was? Waarom deed ge het niet anders, niet beter? Is het U soms uit de hand gelopen?’

Er is geen redelijke verklaring voor het zinloze wereldleed. Nu moet men niet kijken naar de verhalen in de andere boeken van het O.T., want daar gaat het over Israël. Bij Israël was er wel een duidelijke samenhang tussen zonde en straf. De Wet en de Profeten laten dit duidelijk zien. Dit verband tussen het al of niet dienen van God en voorspoed, respectievelijk tegenspoed maakte deel uit van Gods bijzondere bemoeienis met Zijn volk. Maar zo deed Hij aan geen enkel ander volk. (Ps. 105:44-45, 147:20). Die ander volken hadden Gods Wet, Zijn leidraad voor het leven, niet ontvangen. Ze moesten uit de natuur of hun redelijk verstand maar uitmaken wat goed was en wat slecht. En als hun een ramp trof, was er geen profeet om hun te verklaren wat daarmee Gods bedoeling was. Als Gód hier strafte, deed Hij dit toch wel bijzonder stompzinnig. En als het redelijk verstand in zijn voortgaande ontwikkeling sommige rampen wist af te wenden, werd er weer een stukje op die “stompzinnige God” veroverd; dan werd Hij teruggedrongen naar het niets waaruit Hij voortkwam. Hier zien we al het verband, nl. dat veel onjuiste theologie slechts kan ontstaan waar men het O.T. niet kent. En tevens dat áls de kerk de plaatsvervanger of opvolger van Israël zou zijn, daaruit voortvloeit dat dan al het leed uit onze aanwijsbare zonden voortkomt, zodat de vrienden van Job tóch gelijk hadden. En hoe vaak hebben christenen dat niet beweerd! Dit misverstaan van de eigen plaats in Gods plan is mede een reden waarom zovelen niet meer in God kunnen geloven.

Iets soortgelijks geldt van andere “verklaringen” van het lijden. Preventie, d.w.z het voorkomen van nog groter leed? Maar dan is het middel vaak erger dan de kwaal, vooral bij hen die geen reserves hebben. Opvoeding? Dat betekent dan dat het doel de middelen heiligt. Nog daargelaten dat het lijden vaak verhardt en verbittert; daardoor zullen de onheilige middelen het doel niet doen bereiken en blijft slechts de onheiligheid over. Noodzakelijk onderdeel van de vooruitgang? Maar kan Gods geest ons dan niet zo verlichten, dat we tenminste wéten welke putten gedempt moeten worden om de kalveren niet te laten verdrinken? Is een ongeluk dan een offer van God voor de vooruitgang?

Maar zal men vragen, is dit nu niet anders in het licht van het N.T.? Zegt Paulus niet dat degenen, die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede? En dat daarom het lijden van deze tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die ons geopenbaard zal worden? (Rom. 8:18, 28). Inderdaad, maar dat is niet hetzelfde als waarover Job spreekt. Paulus wéét, dat het lijden van de gelovige(n), net als het lijden van Israël (Rom. 8:36, vgl. Ps. 44:23) zinvol is. Zinvol lijden is niet minder pijnlijk dan zinloos lijden, doch het is wel veel beter te dragen. Bij Paulus gaat het over een heerlijkheid die geopenbaard zal worden; bij Job wordt niets geopenbaard. Job moest de aarde trouw blijven; daar had Paulus ook weet van, maar dat staat buiten het onderwerp van Romeinen 8. Kortom: Romeinen 8 is niet het antwoord op Jobs probleem.

En Golgotha dan?

Maar wat is Golgotha anders dan het zwijgen van God? Jezus hangt daar, net als Job, berooid van alles, met een zekere dood voor ogen, in de steek gelaten door al Zijn vrienden. Met de wetenschap dat Israël zijn Messias heeft verworpen en dat daarmee het Messiaanse Rijk van de baan is; kortom: alles een volslagen mislukking! Ook bij Hem de vraag: Waartoe? En er komt geen antwoord: God zwijgt.

Nu niet te snel zeggen dat Hij wist van een opstanding na drie dagen, of dat Hij God was. Dan neemt men Golgotha niet ernstig, doch maakt er een spelletje van. Ongeloofwaardig voor de moderne mens, onwaarachtig voor de levende God. Juist zoals men het begin van het Job-verhaal moet vergeten, zo moet men op Golgotha ook de Paasmorgen voorlopig vergeten. Immers: we hebben het over de wereld. De Heer nu heeft Zich nimmer aan de wereld vertoond als de Opgestane. Voor de wereld is Hij dood, dan wel is Zijn opstanding zonder kracht. Zoals onlangs een Joodse hoogleraar in Jeruzalem zei: “De opstanding van Jezus behoeft geen twistpunt voor de Jood te zijn. De God van Israël, die de doden levend maakt en die in de dagen van Elia de zoon van de weduwe van Sarfath weer in het leven kon brengen, was zeker in staat Jezus van Nazareth uit de doden op te wekken. Maar dat Jezus de Messias zou zijn, is uit niets gebleken, want er is na zijn opstanding niets veranderd …” (P. Lapide, “Auferstehung”).

God zwijgt zelfs op de Paasmorgen!

Wie dit zwijgen van God niet verstaat (let op de tegenstelling in deze woorden), brengt zowel Israël als de wereld der volken in verwarring en verraadt Gods verborgenheid. Toch is dit maar al te vaak gedaan. Dit geschiedt als de “kerk” de plaats van Israël gaat innemen en het feit van haar bestaan als de komst van het koninkrijk Gods gaat beschouwen. En dat terwijl de wereld onverlost verder doorgaat en al het zinloze leed onverminderd blijft bestaan. Men verraadt dan de aarde en maakt daarbij de toekomst des Heren tot een zinloze gebeurtenis. Laat men het de moderne mens toch niet kwalijk nemen als hij daar niets van gelooft. Die god van de “kerk” is niet de God van Israël en de hoop op de persoonlijke zaligheid is niet het heil des Heren. Van deze god is geen verlossing te verwachten.

Is het dan zo onbegrijpelijk als Job de Almachtige gaat aanklagen?

Let goed op: het gaat Job niet slechts om zichzelf, maar ook om de wereld. “Waarom geeft Hij aan de ellendige het licht en het leven aan hen die alleen maar bitterheid zullen ondervinden?” – “Heeft niet de mens een strijd op aarde en zijn zijn dagen niet als een dagloner die hijgt naar schaduw?” (Job 3:20, resp. 7:1). De vrienden zagen slechts wijsgerige stelsels, dogma’s, theologische leerstellingen; daarin moest elk mens en elke gebeurtenis passen of anders passend gemaakt worden. Laten we ons er voor wachten om vanuit een christelijke overtuiging Job te gaan betuttelen. Want laten we eerlijk zijn: zou óns antwoord op Jobs aanklacht niet méér lijken op de redeneringen der vrienden, aangevuld met enkele argumenten aan ons N.T. ontleend, dan op het antwoord dat God geeft?

Nee, het gaat Job niet om zichzelf; uiteindelijk ook niet om de wereld, maar om God Zélf. “De Almachtige heeft mij onrecht aangedaan” (Job 27:2) en dát is nu net het laatste wat een mens kan verdragen. God, Die ons geleerd heeft wat goed en recht is, houdt Zichzelf niet aan Zijn eigen maatstaven. Dát is onverdraaglijk! Dáárom gaat hij mét God tégen God in beroep; Job strijdt met God tegen God.

Hier zijn we bij de kern van het boek JOB. Jobs geloof heeft hem behouden. Het geloof, dat God ondanks alles toch vasthoudt. Het geloof dat een zo groot vertrouwen is, dat het uitgroeit tot zekerheid, temidden van alle onzekerheden die blijven.

Job krijgt het antwoord uit een onweer. Dat is geen helder geluid, hoe luid het ook klink. Het maakt niet zo heel veel duidelijk. “God is groot en wij begrijpen Hem niet; Hij dondert met Zijn stem zeer wonderbaar; Hij doet grote dingen en wij begrijpen ze niet”. (Job 36:26, 37:5). Maar als God werkelijk God is en niet het product van onze gedachten of het beeld dat wij van Hem hebben gemaakt, dan gaat Hij ons begrip bij voorbaat te boven.

In dit verband moet gewezen worden op de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe. Het goede en het kwade moeten voorlopig naast elkaar blijven bestaan; straks komt de scheiding. (Matth. 13:24-30, 36-43). Dat is wel een moedgevende gedachte voor het heden en de toekomst, maar geeft geen oplossing van de vraag hoe het kon bestaan, dat die vijand dat slechte zaad zaaide, blijkbaar met medeweten van de heer van de akker.

Daarom blijven de vragen, ook bij Job. “Ik wil U ondervragen, opdat Gij mij onderricht” (Job 42:4). We mogen vragen zoveel als we willen, als we maar aanvaarden dat we vaak geen antwoord krijgen en nochtans het geloof vasthouden.

Dat is ook bij Paulus het geval. Na Israëls terzijdestelling hoopten ook bij hem de vragen zich op. Het antwoord kwam in de gevangenis; maar is de gevangenis niet even donker als die onweersbui bij Job? Ook hier is het antwoord niet duidelijk. Bij Job een eenzijdige schildering van Gods macht, bij Paulus een eenzijdige schildering van Gods liefde. Maar het Wezen Gods blijft zowel bij Job als bij Paulus verborgen en hoe het in de wereld verder moet, wordt er niet bij gezegd. Maar het is genoeg. Om het te zeggen met Jurgen Moltmann (de moderne theoloog van de hoop): “God is niet zo tegenwoordig dat alles in ons zwijgt, maar wel reeds zo, dat alles in ons vraagt.”

Toen Job zijn antwoord kreeg, had God nog veel te zeggen en Hij deed dit tot Israël, opdat zo alle volken Zijn wegen zouden vernemen. Toen God veel later aan Paulus, buiten Israël om, de grote verborgenheid bekendmaakte, had Hij alles gezegd wat te zeggen viel.

JOB geeft geen oplossing voor de vragen die het oproept; ook wij zullen niet alle raadselen van het leven kunnen oplossen.

Het slot van JOB is een toegift; zo’n goede afloop komt bij ons ook wel eens voor, maar we mogen er niet op rekenen. Dat slot is de schakel van Job via Mozes met Israël. Voor óns is de Israël-bedéling geen tussenfase; de bedéling na Handelingen 28 sluit in zekere zin weer aan bij JOB 42:9, als getoond is dat Jobs volharding zijn geloof tot volwassenheid heeft doen uitgroeien.

Daarom mogen we het leven doorgaan onder een zwijgende hemel, met een God die niet ingrijpt en geen antwoord geeft op onze waaroms. Het zinloze blijft zinloos, maar kan voor ons nochtans medewerken ten goede, dat is ten Gode. Niet alle leed komt ván God, maar de gelovige betrekt het alles op God.

De sprekende god van sommige welbespraakte geestelijke leidslieden of religieuze bewegingen is een waanbeeld; wat we horen is slechts de echo van hetgeen de mensen hem in de mond legdgen. Maar de zwijgende God van Job en Paulus is de levende God. In Hem zijn wij geborgen. Dit moeten wij eerst beseffen voordat we gaan overwegen hoe God Zich aan Israël bekend maakt.

Uit: Gods verborgenheid – van dhr. K.A. den Breejen … wordt vervolg!

**********************

DE GROTE VERBORGENHEID

In Handelingen 28 de verzen 27, 28 vinden we de grote breuk tussen de apostel Paulus en het officiële Jodendom, omdat Israël als geheel – zowel in als buiten het Land – Jezus als de gekomen Messias afwees. Waarschijnlijk vond dit plaats omstreeks het jaar 62 A.D. Het is zeer wel mogelijk dat door zijn twee jaar durende gevangenschap Paulus ontkomen is aan de korte doch hevige christenvervolging door de keizer Nero in 64 A.D. In elk geval is hij toen niet terechtgesteld (zoals gemeenlijk wordt beweerd) doch pas enkele jaren later, na nog verschillende reizen te hebben gemaakt en nog enkele brieven te hebben geschreven.

Van wat er met de plaatselijke gemeenten, in de Handelingentijd ontstaan, ná het plotseling afbreken van Lukas’ verhaal gebeurde, weten we tot ongeveer het jaar 100 vrijwel niets, behoudens hetgeen we uit Paulus’ brieven uit die tijd kunnen afleiden. Er is echter wel een groot verschil. Men heeft deze tijd wel de tunnelperiode genoemd. Aan de ene kant gaan een aantal niet of nauwelijks georganiseerde gemeenten er in en aan de andere kant komt er een katholieke kerk uit, compleet met gezaghebbende bisschoppen, de eucharistie (avondmaal) als centraal punt van de  eredienst, een nieuwe wettische levensstijl en een niet meer verstaan van het Oude Testament. Wat óók de tunnel inging was een hevige strijd over de verhouding Jood-heiden, en Paulus inspanning om Israël en de heiden-christenen in de Messias Jezus bijeen te houden; bij wat er uit kwam zien we van dit alles niets meer. Aantal en betekenis van de Joden-christenen is verdwijnend klein, Jeruzalem is verwoest en het Land voor Israël verloren. Het Farizeïsme zocht zijn heil in toenemende afzondering en verstarrende wetspraktijk; Joden en christenen zijn volkomen gescheiden groepen geworden, op elkaar scheldend zonder elkaar te kennen. Pas in de loop van de 20e eeuw begint hierin verandering te komen.

Het is niet onze bedoeling hier de verdere geschiedenis van het Jodendom en kerk te bespreken. Beide hebben Paulus niet begrepen en juist om zijn boodschap is het ons te doen. Men kan het keerpunt in de geschiedenis rond het gebeuren in Hand. 28:27/8 moeilijk overschatten. Hier houdt de “Bijbelse geschiedenis” op, en bijna tegelijk houdt Israëls zelfstandig bestaan op. (Het voorspel van de val van Jeruzalem in het jaar 70 A.D. zette vrijwel gelijktijdig in). Daarmee begon een ballingschap, met allerlei vervolging, die al de vorige overtrof. Had Israël profeten als Jeremia mishandeld, doch later met schuldbelijdenis herkend en erkend, ten aanzien van Jezus Messias duurde het tot na 1948 voordat een (aarzelend) eerherstel begon. Dit betekende een volslagen breuk tussen de Messias en het messiaanse volk. Israël was als heilskanaal, tot zegen der volken, onbruikbaar geworden. Integendeel: ter wille van Israëls falen wordt Gods Naam onder de volken gelasterd (Jes. 52:5, Ezech. 36:22-23, Rom. 2:24) ten gevolge van onbegrip en kwaadaardigheid. Wat het christendom hier tegenover heeft gesteld in de loop der geschiedenis, weegt toch niet op tegen het heil dat gekomen zou zijn, indien Israël niet had gefaald. Men mag gerust spreken van een wereldramp, die slechts door de wereldramp ten gevolge van Adams falen in de Hof van Eden werd overtroffen.

De grote vraag is nu: hoe moeten de profetieën vervuld worden, waarin de beloften aangaande Israëls grote toekomst ten bate van de volken worden voorzegd?

Het antwoord hierop is dat ze voorlopig niet vervuld worden, doch dat eerst een geheel nieuwe en onverwachte gang van zaken zijn beslag gaat krijgen. Anders gezegd: er komt opnieuw een insnijding in de profetie; een nieuwe bedeling (huishouding, geheel van regels) wordt ingevoegd. Dit laten ons de brieven, die Paulus heeft geschreven na de Handelingentijd, duidelijk zien. Het duidelijkst en ook het meest vergaand op dit gebied zijn de brieven aan Efeze en Kolosse. De brief aan Filippi vormt de overgang. De breuk met Israël betekende voor allen, die Jezus als Messias aannamen, een heroriëntering.

Het eerste wat aandacht vroeg was: wat betekenen de komst en de boodschap van Jezus, los van Zijn betekenis voor Israël, los van het Koninkrijk, dat aan Israël zou worden opgericht? En het tweede daaruit voortvloeiend was: waar vinden de gelovigen geestelijke steun en leiding, als de synagoge voor hen gesloten en onbruikbaar was? Het antwoord op de tweede vraag vinden we in de zg. pastorale brieven (1 Timotheus en Titus); daarop komen we in ons laatste hoofdstuk nog even terug.

Het antwoord op de eerste vraag vinden we in de Filippenzenbrief. Daar is sprake van een verdieping van het geloof in de gekruisigde en opgestane Heer, boven Zijn betekenis voor Israël uit. Jezus Messias is niet Israëls koning in ballingschap, maar de Heer, voor Wie allen in de hemelen en op aarde, ja zelfs alle “onderaardsen” eenmaal de knie zullen buigen in vrijwillige erkentenis. En verder ziet Paulus iets van een zeer bijzondere opstanding, die eerder zal plaats vinden dan alle andere opstandingen, ook al kent hij hiervan geen bijzonderheden en weet hij niet zeker of deze hem zelf ook te beurt zal vallen. (Fil. 3:10-12; in vs. 14 noemt hij dit een prijs, waarnaar gejaagd moeten worden. Het Griekse woord ‘exanastasis’ (lett. uit-opstanding) komt alleen hier voor. Paulus komt hier later niet meer op terug).

Hoewel de Filippenzenbrief wel spreekt van een radicale breuk met het Jodendom (Fil. 3:2, waar woorden als ‘honden’ en ‘versnijding’ toch wel heel anders klinken dan Paulus’ oproep tot eenheid in de Romeinenbrief), wordt daarin nog niet gesproken over een nieuwe openbaring die aan hem ten deel was gevallen. Het is zelfs de vraag of Paulus daar na het twistgesprek in Rome dadelijk al aan toe geweest was. De verdieping van zijn geloof was zelfs een voorwaarde om een nieuwe openbaring te ontvangen. Zonder de innigheid van Godsvertrouwen en de daaruit voortvloeiende blijdschap zou het spreken over hogere dingen slechts een stuk dorre dogmatiek hebben opgeleverd. Zo is dan de Filippenzenbrief een voorbereiding voor de openbaring van de grote verborgenheid, waar Paulus in de Efeze- en Kolossenzenbrief over schrijft. Ook voor iedere andere gelovige (jood of niet-jood) is de Filippenzenbrief een inleiding tot verdere geestelijke ontwikkeling.

Nadat Israël in Handelingen 28 (voorlopig) terzijde gesteld is, waardoor er tussen Jood en heiden geen onderscheid gemaakt wordt, zou men verwachten dat de toestanden van vóór Abrahams roeping weer terugkeren. In zekere zin is dat ook zo. Gods spreken tot Israël is opgehouden en voor de volken heeft Hij altijd gezwegen. Dit wil niet zeggen, dat God niet werkt. Maar Hij werkt in het verborgene. En er is geen Profeet om Zijn werken te verklaren. Menselijke verklaringen over Gods doen en laten zijn oncontroleerbaar. Er genezen zieken na gebed, maar soms gaan ze ondanks de vurigste gebeden toch dood. Achteraf blijkt dan soms, dat het een voor de hand liggende medische kleinigheid was geweest om levens te behouden! Men heeft watersnoden willen verklaren als een uiting van Gods toorn, maar plaatsen die als “poelen des verderfs” gebrandmerkt zijn blijven gespaard. Kortom, het werk van God is op geen enkele manier na te rekenen, nog veel minder dan in de dagen van Israël, toen er ook al Psalmdichters en Profeten waren, die daarmee de grootste moeite hadden. De situatie van nu is te vergelijken met die van het boek JOB, maar dan zonder het gelukkige slot en zonder dat we weten wat zich vooraf in de hemel afspeelt (JOB 1 en 2).

Maar in die hemel gebeurt ondertussen heel wat!

Daarover spreekt Paulus in de Efeze- en Kolossenzenbrieven. Het was Job’s taak, aan de hemelingen duidelijk te maken, dat het ware geloof God vasthoudt, als van Zijn aanwezigheid en handelen niets meer te bespeuren valt. Ditzelfde is eveneens de taak, waartoe wij thans geroepen worden.

Paulus zegt dat aan hem deze genade is gegeven om onder de heidenen (waarmee Joden nu op één lijn staan) door het evangelie (d.w.z. zijn bijzondere boodschap) te verkondigen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus. (Efz. 3:8). Dus een rijkdom anders dan die van Israël, welke wel na te speuren was, dank zij de openbaring door middel van Mozes en de Profeten. En het doel van dit alles toont ons Efeze 3:10: opdat nu (d.w.z. na Hand. 28 en voortgaande tot Israëls herstel in zijn heilstaak) bekend gemaakt worden aan de overheden en machten in de hemel (lett. het overhemelse) de veelvoudige wijsheid van God. (‘veelvoudige wijsheid’ = een met veel schakeringen of aspecten, gevarieerde vaardigheid, verworven door bedrevenheid). Dat geschiedt dan “door de gemeente” (ekklesia = uitgeroepenen), waaronder we hier niet hebben te verstaan een plaatselijke gemeente (zoals in 1 Timotheus en Titus) of het geheel der christelijke kerk (die in Paulus’ dagen nog niet bestond en zelfs helemaal buiten zijn denksfeer lag). Met “gemeente” in vs. 10 bedoelt hij hetzelfde als in Efz. 1:22, waar eveneens gesproken wordt over deze overheden en machten (vs. 21), nl. die gemeente waarvan de Messias het Hoofd is en die het middel is om alle dingen, ja de gehele kosmos, aan God te onderwerpen. Déze gemeente is per definitie onzichtbaar, zoals Christus’ Hoofd-zijn-boven-alle-dingen onzichtbaar is, en Gods werk onzichtbaar is, zoals Christus’ opstanding onzichtbaar was (Niemand was getuige van Jezus’ opstaan uit het graf; het lege graf en enkele verschijningen in kleine kring (niet voor het oog van de wereld) vormen de enige zekerheid) en Zijn zitten in de hemel eveneens (vs. 20). God zet Zijn werk onzichtbaar, onnaspeurlijk voort door die gelovigen, die tezamen die onzichtbare gemeente vormen, die “Zijn Lichaam” genoemd wordt. Het gaat dus niet over de (zichtbare) Kerk.

Dit alles klinkt nogal hoogdravend, ongrijpbaar en op het eerste gezicht rijkelijk over-geestelijk. Er zou een volledig commentaar op de Efezebrief nodig zijn om te laten zien dat dit zeer beslist niet het geval is (Zij die voor zichzelf en voor de samenleving behoefte hebben aan meer spiritualiteit, kunnen uit de Efeze en Kolossenzen brieven veel halen wat voor hen van nut kan zijn); we moeten het hier bij enkele opmerkingen laten.

Voorop deze: de Efezebrief is gericht “aan de heiligen (d.w.z. allen die tot geloof geroepen zijn, dus zeer ruim) die óók betrouwbaren zijn” (Efz. 1:1). Het Griekse woord “kai” wordt gewoonlijk door én vertaald; de vertaling ‘ook’ maakt veel doorzichtig en verdient daarom de voorkeur. De vertaling betrouwbaren i.p.v. ‘gelovigen’ wil aangeven dat het niet gaat over mensen met een bepaalde godsdienstige opvatting, maar over hén die trachten hun hoge roeping waar te maken. Dit houdt in dat ze op de meest intieme wijze met de Messias verbonden zijn (= lid van Zijn lichaam) en als geestelijk volwassenen willen leven. Om zo mede te werken aan de uitvoering van het meest wezenlijke van Gods heilsvoornemen.

Paulus gaat er van uit dat deze ‘betrouwbaren’ bekend zijn met de bedéling van de genade van God. (Efz. 3:2). Gods handelen is altijd genadig; immers genade is de ruimte waarin God de mens stelt om voor Zijn aangezicht te leven. Ook de Wet was genade (voor Israël) en zál dat zijn (eenmaal voor alle volken). Maar die “ruimte” kan groter worden; zo komt er een nieuwe genade in plaats van de vroegere. (Ook Joh. 1:17 maakt van de Wet en genade geen echte tegenstelling; vs. 16 zegt dat we ontvangen hebben genade in plaats van (Grieks: anti) genade; want de Wet is door Mozes gegeven, de genade en waarheid zijn door Jezus Messias geworden, d.w.z. uit Zijn volheid komt een grotere en nieuwere genade en waarheid in plaats van de vroegere genade. Ook worden genade en waarheid tezamen genoemd, niet omdat de Wet een leugen was, maar omdat ze beperkt en eenzijdig was. Jezus Christus is de Waarheid en gaat daarom de Wet (= onderwijs over de waarheid) te boven). Israël heeft dit altijd geweten; de heidenen kwamen eerst in de Handelingentijd hiermee in aanraking; de prediking van Paulus uit die tijd wordt dus als bekend verondersteld. Met deze kennis hadden deze hoorders een voorsprong gekregen (zoals Israël altijd al een voorsprong had gehad) op de overigen uit de volken. Pas veel later zullen alle volken die achterstand hebben ingehaald.

De grote verborgenheid, een aan Paulus geopenbaard geheim, is datgene wat voor de wereld eerst bereikt wordt aan uiterste volheid van genade in verre toekomst en, na verschillende fasen van het goddelijk voornemen, voor de ‘betrouwbaren’ in de geest reeds nu kan worden bereikt. En dat onverschillig of men uit de Joden of uit de heidenen is. Anders gezegd: de verborgenheid van de Messias (door het diepste lijden heen tot de volle heerlijkheid) betreft niet alleen de Messias Zelf, maar ook een aantal mensen, hiertoe op een bijzondere wijze uitverkoren. De Heer deelt Zijn lijden én Zijn heerlijkheid met hen die tot Zijn lichaam behoren.

Efeze 3:5 zegt nadrukkelijk dat het om een nieuwe openbaring gaat. Het is niet zo dat heidenen eerst nu toegang zouden krijgen tot het heil. Die toegang was bekend; zelfs Abraham wist dit al. (Gen. 12:3, Gal. 3:8. Het is onbegrijpelijk dat de meeste theologen elkaar napraten alsof er pas sinds de Handelingentijd heil voor heidenen zou zijn).

De nieuw-geopenbaarde verborgenheid was niet verborgen in de Schrift (zoals de verborgenheid van de Messias, hetgeen de Messias Zelf aan de hand van de Schrift aan de Emmausgangers kon uitleggen), maar verborgen in God en dus voordien niet-kenbaar. De nieuwe, hogere eenheid van (sommigen uit) Israël en (sommigen uit) de volken was nimmer geprofeteerd; ook de evangeliën en de andere apostelen zwijgen daarover. Het hoogste wat een heiden voordien kon bereiken was bij Israël ingelijfd worden. Maar ook Israëls grote toekomst is niet het einddoel van Gods heilsplan. Eenmaal zal God zijn alles (kwalitatief) in allen (kwantitatief); het vreugdevolle is dat dit kwalitatieve nu reeds bereikbaar is voor de ‘betrouwbaren’.

Met deze nieuwe openbaring woord het Woord vervolledigd. (Kol. 1:25). Niet dat er niets meer te zeggen zou zijn over de schepping of de geschiedenis van Israël of het leven van Jezus, om maar enkele voorbeelden te noemen. Maar iets hogers of meer wezenlijks toevoegen aan het nu geopenbaarde is niet wel mogelijk.

Zoals de Heer na Zijn opstanding alleen verschenen is aan een kleine groep van Zijn volgelingen, zo is ook deze nieuwe openbaring slechts bekend gemaakt aan een kleine groep ‘betrouwbaren’. Daarom is hun eigenlijke leven, het samen-met-Christus-zijn, verborgen in God. (Kol. 3:3). Dat is geen kloosterleven, maar de inzet van een nieuwe wandel, als geestelijk volwassenen temidden van een wereld waarin verder van Gods aanwezigheid niets duidelijk aanwijsbaar valt te zien. Het heeft mystieke trekken, maar is veel meer dan mystiek alleen.

Dat het slechts gaat om een kleine groep moet ons niet verbazen noch verdrieten. Het eigenlijke doel van de nieuwe openbaring is niet de wereld, maar de hemel: “Opdat nu bekend gemaakt worde aan de overheden en gezaghebbers in het overhemelse de veelkleurige wijsheid van God, overeenkomstig het voornemen der aioonen, dat Hij aan het uitvoeren is in Messias Jezus, onze Heer”. (Efz. 3:10-11). Zoals Abraham en Israël uitverkoren werden, niet ter wille van zichzelf maar ter wille van de volken, zijn ook deze ‘betrouwbaren’ dat. Maar om het volle heil van die volken te bereiken (een heil, groter dan het Messiaanse Rijk, dat toch nog veel voorlopigs heeft), moet ook in de hemel het een en ander gebeuren. Dáár moet getoond worden aan de machthebbers aldaar, dat het uiteindelijk niet om de macht, maar om de Liefde gaat. Zoals God destijds aan de hemelingen wilde laten zien wat Hij kon bereiken met iemand die Hem onvoorwaardelijk vasthield (we bedoelen Job), zo wil Hij nu tonen wat Hij kan bereiken in de omstandigheden nú, als iemand onvoorwaardelijk vertrouwt.

Paulus moest de boodschap van de onnaspeurlijke rijkdom van de Messias overbrengen. Mozes en de Profeten hadden veel openbaring doorgegeven en ook aangaande de Messias geprofeteerd. Dat was weliswaar geen blauwdruk van de toekomst, zodat iedereen nauwkeurig kon weten hoe de Messias er uit zou zien. Het waren niet meer dan herkenningspunten voor de oprechten van hart. Dit alles is de naspeurlijke rijkdom van de Messias en daarover valt veel te zeggen. Maar dat er nog veel meer was, sterker: dat God het komen van het onvoorstelbare (nl. dat Israël de Messias niet als Koning zou aanvaarden) gepaard zou laten gaan met een andere onvoorstelbaarheid (nl. dat de heidenen deel zouden krijgen aan het Hoofd-zijn van de Messias), dat was onnaspeurlijk. Daarover had het O.T. niets gezegd; daarover had zelfs de Heer niet gesproken toen Hij op aarde rondwandelde.

Vóór de nederwerping der wereld, d.w.z. vóór de aioonen waren, had God al het plan uitgewerkt hoe Hij de schepping tot Zijn einddoel zou voeren. Niet alleen om van de natuur naar cultuur te komen (“vervult de aarde en onderwerpt haar!”), maar bovenal van de schepping tot de herschepping. Niet alleen moest de natuur geordend en bewerkt worden, ja eigenlijk door de techniek overwonnen worden, ook het kwade (dat ouder was dan de natuur) moest nog door de geest overwonnen worden. God had eertijds het kwade en het lijden gewild (althans niet niet-gewild) (Jes. 45:7. Zie ook Gen. 1:5; God heeft de duisternis niet verdreven, doch een naam gegeven (nacht), d.w.z. een plaats aangewezen).

Dat is een verborgenheid. Maar omdat Hij dit in Zijn plan opnam, heeft Hij er ook de oplossing voor gegeven. Daarom is Hij de Heiland, juist als de God Die Zich verborgen houdt. Dit beoogt het plan der aioonen.

Dat alles zou niet rechtlijnig gebeuren, maar in haast grillige voortgang, met veel vallen en opstaan. Maar deze uitschieter, dit vooruit-grijpen naar het overhemelse en dat na-aioonische, dat was toch wel een onverwachte verrassing.

Daarmee weet Paulus zijn verder taak: deze schaalvergroting van Gods heilsplan bekend te maken, al het eerder geopenbaarde te stellen in dit nieuwe raam. Het vroeger geopenbaarde valt niet weg, maar verbleekt in het nieuwe licht. Paulus’ leer heft niet op, maar verheft zich. Tot onze troost en bemoediging, in een wereld waarin God zwijgt en we het met de beloften moeten doen; ook tot onze kracht en wijsheid als we als volwassen gelovigen moeten leven.

We willen het voorgaande samenvatten. Boven hetgeen reeds bekend was inzake Gods genadig handelen wordt nu een verdergaande, nieuwe openbaring gegeven. Hiervan is de Messias Jezus het Middelpunt. Het verband tussen Zijn lijden en Zijn heerlijkheid was op zeer verborgen wijze in de Schrift aangegeven en kon pas achteraf worden herkend. Hieraan wordt nu toegevoegd, dat er een nieuwe groepering uit de gelovigen wordt gevormd, onzichtbaar, ongeacht Joodse of heidense afkomst. Deze nieuwe eenheid deelt nu ten volle in hetgeen aan de Messias was beloofd. Ze is er allereerst ter wille van de hemelingen. (Efz. 3:10-11).

Aan de apostel Paulus werd de taak opgedragen deze nieuwe boodschap over de onnaspeurlijke rijkdom van de Messias Jezus verder bekend te maken, om zo Gods heilsvoornemen in een groter raam te plaatsen.

Uit: Gods verborgenheid – van dhr. K.A. den Breejen … wordt vervolgd!

**********************

GEESTELIJKE VOLWASSENHEID

In het voorgaande hoofdstuk was herhaaldelijk sprake van een aantal ‘betrouwbaren’, die tezamen een bijzondere gemeente (letterlijk vertaald ‘ecclesia=uitroepsel’) vormen: het Lichaam van Christus. De vraag rijst: wie behoren tot die gemeente? Dat zijn in het algemeen die gelovigen die tot de geestelijke volwassenheid zijn gekomen. (Efz. 4:12-16). Het grote is dat juist hierin Paulus de moderne mens volkomen serieus neemt, en de weg wijst die heden meer dan ooit actueel is. Was soms dit unieke van Paulus’ boodschap daarom zo lang onbekend en onbegrepen, omdat deze eerst in een moderne tijd tot zijn recht kon komen?

Een goede omschrijving van geestelijke volwassenheid vinden we in Hebr. 5:12-14, die we hier in de Petrus Canisius vertaling weergeven: “Is het soms nog nodig dat men u de eerste beginselen van Gods worden gaat leren, terwijl ge toch, de tijd in aanmerking genomen, reeds leermeesters moest zijn? Hebt ge soms nog behoefde aan melk, niet aan vaste spijs? Want wie nog melk behoeft, is onbekwaam voor her woord der gerechtigheid, want hij is nog een kind. Maar vaste spijs is voor de volwassenen, voor hen die door oefening de zintuigen hebben afgericht, om goed en kwaad te onderscheiden.”

In de puberteit weet men nog niet wat men wil; een volwassene weet dat wel. In het verband met ons onderwerp gaat het om het maken van de goede keus in allerlei kritische momenten van het leven. De volwassene staat in de vrijheid, maar dat belaadt hem met de verantwoordelijkheid voor zijn daden. Adam had stellig op Gods tijd goed en kwaad moeten kunnen onderscheiden, maar hij was er op dat moment toen de “slang” hem verleidde, nog niet rijp voor; tóen was de enige veilige weg om te gaan: gehoorzaamheid! Alleen de volwassene is waarlijk vrij van de Wet.

Dat neemt niet weg dat de volwassene toch nog graag van het advies van Vader gebruik maakt. Ook de Vader blijft de zoon waarschuwen, ondanks diens zelfstandigheid. Maar dit gebeurt op afstand; uiteindelijk moet de zoon door schade en schande wijs worden. Dat geeft uiteraard wel vaak spanningen. Indien men nu die spanningen te snel gaat opheffen, hetzij door spanningsverschil weg te nemen, hetzij door kortsluiting, dan is dat in feite een terugschrikken voor de verantwoordelijkheid die de volwassene moet (leren) dragen. Als echter de spanning vanzelf verdwijnt door het opgaan der tegendelen in een nieuwe eenheid, dan heeft de spanning een nuttige bate, een hoger goed opgeleverd. Dit kan echter alleen geschieden in de weg der verzoening, die zelfs vijanden tot vrienden maakt en ook een nieuwe eenheid schept tussen God en de mens, die Gods volwaardige medearbeider wordt.

God is er niet om ons van onze verantwoordelijkheid te verlossen. Als beelddrager Gods moet we dit zelf op ons nemen. Daarbij zal de volwassen mens vaak tekort schieten, omdat hij als begrensd schepsel beperkt is in zijn mogelijkheden en bovendien belaagd wordt door de Boze van buiten en het Boze van binnen. Hij zal zelfs vaak in situaties verkeren dat hij het alleen fout kan doen: hij moet kiezen tussen kwaden, terwijl het ontlopen van zo’n keus ook een kwaad is. Daarom moet ook de volwassene in de Messias Jezus leven vanuit de vergeving; juist hij heeft er weet van dat het kwaad niet de optelsom is van allerlei afzonderlijke (vaak vermijdbare) zonden, maar onze hele samenleving heeft doortrokken, terwijl we ons aan die samenleving niet kunnen en mogen onttrekken. De vergeving der zonder komt hiermee op een hoger plan: niet slechts de bedekking van allerlei banaliteiten, maar een alles doortrekkende verzoening, die de volkomen verlossing der schepping voorbereidt.

Volwassenheid houdt ook in een nieuwe houding t.o.v. de traditie. De volwassene moet hier nl. vrij tegenover staan; traditie heeft geen gezag uit zichzelf. Ook al zijn in de traditie wel een aantal verworvenheden verwerkt, die ons van nut kunnen zijn. Juist de volwassene zal moeten oordelen over hetgeen als waardevol dient te worden behouden en hetgeen moet worden afgestoten omdat het slechts een voorbijgaande waarde had. Zowel het handhaven van het oude omdat het oud is en de vaderen het ook zo zeiden of deden, alswel het oude geheel over boord werpen, omdat men reeds tevoren van mening is dat er toch niets van deugt, zijn tekenen van onvolwassenheid.

De moderne mens, die zo graag mondig wil zijn, moet zijn volwassenheid niet verloochenen door een provo-achtige kwajongenshouding ten opzichte van het verleden.

Over de geestelijke volwassenheid spreekt Paulus uitvoerig in Efeze 4. In vs. 1 begint hij de lezers te herinneren aan de roeping waarmee ze geroepen zijn en vermaant hen dienovereenkomstig te wandelen. In dit verband zouden we het een roeping tot volwassenheid kunnen noemen. Dit blijkt uit het (nog te bespreken) vervolg, als uit het (reeds kort aangeduide) voorafgaande. Er zijn tussen Israël en de bijzondere gemeente uit Efz. 1:22 en 3:10 enkele punten van overeenkomst. In beide gevallen gaat het om een roeping, of als men wil: een uitverkiezing.

Uitverkiezing is geen roeping tot een heilsbestemming maar tot een heilstaak. Door dit te verwarren zijn ontzettende fouten gemaakt, waarvan we er nu twee willen noemen: de farizese en de calvinistische.

De Farizeeën (althans de meesten van hen) achten Israël verkoren tot een heilsbestemming, waardoor het een volk werd van hoger orde dan de heidenen. Ze waren daar dankbaar voor (Luk.18:11), maar verhieven zich er ook op als ware die uitverkiezing een verdienste. Het ergste was dat ze helemaal niet meer zagen dat ze juist tegenover de heidenen een taak hadden. Ze zagen Gods tijdelijke bijzondere bemoeiing met Israël als Zijn voltooide, tot zijn bestemming gekomen werk. Maar juist door die gedachte werd hun roeping, hun uitverkiezing waarde loos, hetgeen een andere bedéling, een andere heilsorde noodzakelijk maakte.

De Calvinisten, zagen de uitverkiezing in het licht van het oneindige hiernamaals (gewoonlijk ten onrechte ‘eeuwigheid’ genoemd); er zijn daarbij twee mogelijkheden: eindeloos heil of eindeloos verderf. Tot het heil komen slechts zij die hiervoor van vóór de schepping in Gods wijze raad en voorzienigheid zijn uitverkoren, en dus blijft voor alle anderen slechts de ‘hel’ over. Ondanks de ontelbare pogingen om te ontkomen aan het feit dat dit een noodlotsleer is, die alle oproep tot bekering tot een schijnvertoning maakt (of hoogstens slechts wezenlijk bestemd voor de uitverkorenen en niet voor de rest), zijn de calvinisten daarin nimmer en nergens geslaagd. Gegeven het uitgangspunt van slechts twee bestemmingen is dat ook niet mogelijk.

Ziet men de uitverkiezing niet als een (farizese) verdienste of als een (calvinistisch) noodlot, maar als een roeping ten bate van anderen, dan zijn Gods uitverkiezingen heilshandelingen bij uitstek. Zo spreekt Efz. 1:4 over de uitverkiezing als een grote geestelijke zegen en een daad van liefde, en geeft tevens het doel aan van die verkiezing: heilig en onberispelijk zijn voor Hem. (Hiermee wordt geen aansporing tot werkheiligheid bedoeld. ‘Heilig’ wil zeggen: afgezonderd van de wereld en aan Hem toegewijd. ‘ Onberispelijk’ wil zeggen: geschikt voor het doel, hoe gewoon op zichzelf; vgl. een onberispelijk schaap (geschikt voor de offerdienst) was een schaap met vier poten, dus geen drie (= mank), maar ook geen vijf (= superschaap).

Waar het nu voor ons als doel op aankomt is, dat die roeping (uitverkiezing) uit Efz. 1:4 en 4:1 (evenals Efz. 1:11, 17-21, 2:6-7 en vooral 3:16-19), een roeping is tot volwassenheid. Het kind-stadium ligt achter ons. Toen wij kinderen waren hadden wij de Wet nodig, de leer die regels gaf en welker opvolging een goede uitkomst waarborgde. Zo ging het tenminste Israël, want dat volk had de Wet. (Rom. 9:4). De andere volken wisten helemaal niet wat goed en slecht was voor zover hun logica hun dat niet redelijk voorkwam. Maar goed: al wie de Wet op de juiste wijze hield of desnoods de wetten der natuur en rede eerbiedigde, kan als een kind beschouwt worden. Een kind moet handelen op aanwijzingen van hogerhand. Het kan niet de draagwijdte overzien van de gevolgen van eigen beslissingen. Als het kind oud en wijs genoeg wordt om de gevolgen van eigen handelen te beseffen, dan moet het de verantwoordelijkheid gaan dragen. Dit moet geleerd worden, met vergissingen en fouten, met vallen en opstaan. Daarom noemt Paulus de Wet een pedagoog, een leermeester en begeleider die zichzelf overbodig moet maken, opdat de leerling ook zonder allerlei regels en bepalingen zal weten waar het eigenlijk om gaat. (Gal. 3:24). De leerling aan wie de opvoeding wel besteed is geweest, komt tot de ware vrijheid en mondigheid, dus tot datgene waaraan de moderne mens zoveel waarde hecht.

Bij sommige gelovigen ontstond – door de werking van Gods Geest – een zodanig inzicht in het werk Gods (méér geestelijk, minder formeel), dat ze boven het kind-stadium uitgroeiden en het stadium bereikten van “zoon Gods”. Alle grote mannen uit Israël kunnen hiertoe gerekend worden. Abraham (na Gen. 15), Jakob (na Pniel), Mozes (na het brandende braambos), enz. (Hebreeën 11 geeft in dit opzicht een weliswaar niet volledige, maar wel inzicht gevende opsomming).

We laten hierbij in het midden of het tijdstip waarop hun groei zichtbaar werd altijd duidelijk aan te wijzen is. Mede daarom is de grens niet altijd aan te geven en een indeling (A wel en B niet) door ons niet te maken. Die aanwijzing is ook niet zo belangrijk; het gaat niet om de persoon maar om de roeping. Inzicht in het werk Gods is niet slechts een kwestie van verstand – dat ook! – maar tevens een kwestie van inzicht omtrent Gods ware bedoelingen. En waar die bedoelingen steeds het heil van de wereld inhouden, spreekt hier het besef een taak te hebben reeds een flink woord mee. De gelovigen zijn op weg naar de volwassenheid en dat houdt tevens in een zekere mate van zelfstandigheid. Ze hebben niet meer voor al hun handelen een of ander goddelijk voorschrift. Er wordt veel overgelaten aan hun eigen inzicht omtrent Gods bedoelingen en niet elke fout wordt aanstonds gecorrigeerd. Ze moeten – veel meer dan hen die onder de Wet leven – leren te leven met het zwijgen van God.

Vinden we in Israël van deze “zonen Gods” een beperkt aantal, onder de bekeerlingen van Paulus in zijn optreden gedurende de Handelingentijd zijn er veel meer. En in later dagen mogen we die christenen die hun geloofskracht vooral putten uit de brief van de Romeinen c.s. daartoe rekenen. Het gaat er niet om of Augustinus, Luther, Calvijn en Barth altijd het juiste inzicht over de Romeinenbrief hadden, maar wel dat ze deze zelfstandigheid opbrachten die nodig is om eigen weg te gaan, zonder dat God hun weg van tevoren duidelijk had uitgestippeld. Ook zij wezen het moralisme af, als onjuiste toepassing van een deuteronomistische theologie (al was het niet steeds op de juiste gronden). En zij hadden, meer dan hun tijdgenoten, inzicht in het zwijgen van God. Dat wil zeggen: wandelen in geloofsvertrouwen, als ziende de Onzienlijke.

Nu is Paulus niet bij zijn Romeinenbrief en de daarin ontwikkelde “zoons-stand” blijven staan. Efeze gaat verder en zegt in 1:5, dat God in liefde ons tevoren tot zonen had gesteld. Hierop bouwt Paulus voort. De rechtvaardiging door het geloof alleen is geen eindpunt van het goddelijk onderwijs, maar een tussenstation.

Er zijn christenen, die dit ook zo zien en na Paulus’ leer in Romeinen willen voortvaren naar wat zij noemen “volle evangelie”, hetwelk volgens hen gepaard moet gaan met het genezen van zieken, het spreken in tongen en het verkrijgen van velerlei gebedsverhoring, waaronder het liefst een aantal van spectaculaire aard. Naar onze mening is dit geen geestelijke vooruitgang, doch een terugkeer, en wel tot de deuteronomistische theologie. Dit is uiteraard alleen mogelijk door zichzelf de uitverkiezing van Israël toe te eigenen, iets wat (zij het op enigszins andere wijze) de meeste kerken ook doen. Kenmerk van dit zg. volle-evangelie is het geloof in talloze directe leidingen van God, tot in de meest gewone dingen toe (bijv. een koopje in de uitverkoop). Men heeft geen geloof in een zwijgende God, alleen maar in een sprekende God. Dat dit “spreken van God” meestal, zo niet altijd, slechts een echo is van eigen spreken, ziet men niet.

Bepaald weerzinwekkend wordt deze fundamentalistische opvatting, wanneer het uitblijven van genezing dit wordt geweten aan gebrek aan geloof van de zieke. (Genezingen worden bij Jezus en de apostelen vermeld als tekenen van het Koninkrijk der hemelen, dat nabij was. Toen door Israël Jezus als Messias werd afgewezen, kwam het Messiaanse Rijk niet, en zien we ook de tekenen ophouden. (vgl. 1 Tim. 5:23, 2 Tim. 4:20).

Als men bij serieuzer en minder-geruchtmakende pinksterbroeders terecht komt en zich in het gesprek met hen beperken kan tot de kern van het geloof, dan komt men in het gunstigste geval toch niet verder dan Paulus’ onderwijs in de Romeinenbrief. Dit is stellig al heel wat, vergeleken bij het geloof van vele eenvoudigen, die steeds maar deuteronomistisch blijven denken, maar toch nog niet de volheid van het Woord dat de apostel Paulus brengt.

Er is ook een ander gevaar, wanneer men de Romeinenbrief als eindstation beschouwt. En wel dit, dat men van de onderscheidingen tussen de gelovigen in kinderen, opgroeienden en volwassenen drie klassen (om niet te zeggen kasten) gaat maken, waarbij dan die volwassenen een soort super-christendom, elite-gelovigen zouden vormen. Hoe strenger men de onderscheidingen gaat doorvoeren, hoe meer ze tot scheidingen gaan worden. Deze foute denkwijze heeft twee oorzaken:

  1. ook dan ziet men de uitverkiezing tot volwassenheid meer als heilsbestemming dan als heilstaak; van een taak op aarde komt niet zo veel terecht;
  2. men ziet het heil teveel juridisch: de Wet van Israëli als wetboek in plaats van onderwijzing, en de rechtvaardiging (door het geloof) als een vrijspraak of vernietiging van schuld, in plaats van het stellen in de rechte verhouding (tussen God en mens).

In een overeenkomstige lijn hiermee ziet men het “gezet zijn in het overhemelse”. (Efz. 2:6 (Het woord ‘gewesten’, dat aan een plaats doet denken, staat niet in de grondtekst) dan ook als iets juridisch).

Maar van dit juridische standpunt moeten we áf, niet alleen omdat de moderne mens zegt daarmee niets te kunnen beginnen (wat geen wonder is!), maar omdat het juridisch denken Romeins (d.w.z. heidens denken) is en het Bijbels denken Hebreeuws denken is. Het gaat om geestelijke werkelijkheden, die niet in juridische schema’s of posities zijn onder te brengen. De juridische onderscheidingen zijn altijd scheidingen, beheerst door tegenstellingen; de geestelijke onderscheidingen zijn kleuren, tinten, nuances, gedragen door de eenheid, want God is EEN.

Het verschil tussen hetgeen de Romeinen- en de Efezebrief bespreken wat de positie van de mens betreft, is vooral hierin gelegen dat Romeinen de gelovige ziet als ‘zoon Gods’ en Efeze als ‘volwassene’. (In 1 Tim. 6:11 en 2 Tim. 3:17, brieven uit dezelfde tijd, spreekt Paulus van ‘mens Gods’). Legt de Romeinenbrief nog veel nadruk op de (nieuwe) gehoorzaamheid (Rom. 1:5, 6:17, 15:18, 16:19, 26), in de Efezebrief wordt de volmaaktheid beklemtoond. (Efz. 4:12-13; zie ook Kol. 1:28, 3:14, 4:12). Geen volmaaktheid in de zin van een bereikte of bereikbare onfeilbaarheid, maar (volgens de grondtekst) doelgerichtheid naar de volwassenheid toe. (Men zou Matth. 5:48 daarom ook wel kunnen vertalen met: Weest volwassen, gelijk uw Hemelse Vader volwassen is).

Romeinen 8:14,15 zegt dat zij die door de Geest geleid worden, zonen Gods zijn; dat zijn zij die in de zoonsstand worden verheven (In Rome moest elke zoon door de vader officieel worden erkend, om als wettige zoon te kunnen gelden, dus niet alleen bij adoptie; ook bij de eigen kinderen was daar een aanneming tot zoon), die daarom zeggen: “Abba”, het beste te vertalen met “pappie”, een troetelnaam die kleine kinderen in de vertrouwelijke omgang bezigen. Hier wordt de vertrouwelijke omgang met God verduidelijkt met een beeld, aan aardse verhoudingen ontleend. In Efz. 3:15 staat het tegenovergestelde: aan God als Vader is alle vaderschap ontleend. Deze teksten vormen geen absolute tegenstelling, maar Efeze gaat wel duidelijk boven Romeinen uit. Immers de geestelijk volwassene zal verstaan dat het aardse vaderschap beelddrager, een min of meer gebrekkige weergave is van Gods hemels vaderschap; dit laatste is het echte.

Het is dus net andersom als sommige moderne theologen ons willen doen geloven, alsof de hemel, ja God Zelf slechts een projectie zouden zijn van ons denken. Ons aardse vaderschap zou als model staan om enigszins uit te beelden hoe wij God eigenlijk hadden gedacht. Het gaat niet om projectie (van ons uit) maar om openbaring (van God uit).

Nu is het niet zo erg als we het eerst  andersom zien en God, Zijn spreken en werken “vanuit ons” trachten te begrijpen. Dit is een denkwijze, die nog onvolwassen is en in het volwassen-worden wordt gecorrigeerd. Als dat dan ook maar gebeurt en we niet bij God als “pappie” blijven staan, of – nog erger – welbewust ons een “god” gaan maken naar ons beeld en onze gelijkenis.

Nog een laatste verschilpunt tussen Romeinen en Efeze (hetgeen we ook in het vorige hoofdstuk hadden kunnen behandelen). Rom. 8:19 zegt dat de schepping met reikhalzend verlangen in afwachting is van de openbaring der zonen Gods. Dit ‘reikhalzen’ is een vermoeiende bezigheid, die men niet lang kan volhouden. Dat was ook niet Paulus bedoeling, daar hij een spoedige Wederkomst van de Messias verwachtte (zie bijv. Rom. 13:11-12, 15:8-13, 16:20) en daarmee een spoedige openbaring van de zonen Gods. Als na Handelingen 28 die Wederkomst iets wordt op lange termijn, blijft wel veel van de Romeinenbrief behouden, maar het eschatologische daarvan blijft onvervuld. Wie daarna blijft reikhalzen, krijgt een stijve nek, d.w.z. een of andere verstarring.

De Efezebrief leert ons dat er eerst in de hemel veel moet gebeuren en dat de ‘betrouwbaren’ daarop invloed uitoefenen. Dat de aarde op de hemel wacht, komt omdat de hemel op de aarde wacht. Weliswaar niet op de aarde als zodanig, maar op een groep uitverkorenen, die zodanig volgens hun roeping wandelen, dat ze een getuigenis vormen voor de hemelingen, wát God met mensen kan bereiken. Eerst als daardoor in de hemel het nodige is gebeurt, kan God op aarde verder gaan. Daarom is er zoveel raadselachtigs op aarde.

Vandaar dat de apostel Paulus in die latere brieven over de Wederkomst niet meer spreekt. Deze is uitgesteld (net als het herstel van Israel; ofschoon God daar nu mee bezig is na 1948 en 1967), maar niet afgesteld. Wie Efeze 3 verstaat, gaat Romeinen 8 breder verstaan, zonder krampachtig te worden van het reikhalzen.

Zo zien we ook hier, dat Gods verborgenheid uiteindelijk de mens verder wil brengen tot volwassenheid, om beter beelddrager Gods te kunnen en te mogen zijn.

Uit: Gods verborgenheid – van dhr. K.A. den Breejen … wordt vervolgd!

**********************

DE NIEUWE MENS

In het voorgaande hebben we getracht aan te tonen het grote verschil tussen de Handelingentijd en de tijd daarna. De grote verwarring in theologie en kerk is grotendeels daaraan toe te schrijven (of te wijten), dan men dit verschil niet ziet. Het sterkst komt dit tot uiting daar, waar de kerk meent in de plaats van Israël te zijn gekomen. (Het sterkst zien we dit bij de roomse kerk. Haar liturgie, de hiërarchie, de Gregoriaanse zang, enz. (en het Vaticaan als staat) zijn rechtstreeks van Israël afgeleid. Dit geldt ook van de (protestantse) leer dat de kinderdoop in de plaats van de besnijdenis zou zijn gekomen). Dit denken moet wel leiden tot een kunstmatige uitleg der profetieën (die over de betekenis van Israël heel wat duidelijker zijn dan over de komst van de Messias); men mag gerust van een vervalsing van het O.T. spreken.

Ook voor de praktijk van het geloofsleven is het voorkomen van de verwarring van groot belang. Maar al te vaak ontleent men de richtlijnen voor het handelen aan hetgeen voor andere tijden en omstandigheden is bedoeld. Wie gaat fotograferen in het donker en ontwikkelen in het licht, krijgt geen goede resultaten.

Merkwaardig is dat zelfs die weinigen, die het onderscheidt tussen voor en na Handelingen 28 wel zien, het meestal laten bij enkele (op zichzelf waardevolle) opmerkingen over “het Lichaam van de Messias Jezus”, het “gezet zijn in het overhemelse” en “de Messias als Hoofd”, zonder daaraan gevolgtrekkingen te ontlenen voor de praktijk. Hetgeen mede oorzaak is om genoemd onderscheid in het gunstigste geval te zien als een theoretische aangelegenheid voor geestelijke fijnproevers.

Maar dat kan natuurlijk niet. Het gaat niet over een theorie, maar om Gods heilshandelen, en dat handelen heeft alles te maken met ons handelen. Daarom brengt een nieuwe dogmatiek ook een nieuwe ethiek met zich mee; een nieuwe bedéling moet noodzakelijkerwijze leiden tot een nieuwe wandel. Telkens bij een nieuwe tijd geeft God nieuwe voorschriften, aangepast aan de nieuwe omstandigheden: aan Adam in de hof van Eden, aan Noach na de zondvloed, aan Abraham bij zijn roeping, aan Israël na de Uittocht, idem bij het binnenkomen van het Land, enz. Ook voor de toekomst is dit voorzegd: in het Messiaanse Rijk zal eveneens veel anders zijn dan nu, zowel voor Israël als voor de volken. We hebben in de vorige hoofdstukken onze tijd gekenschetst als de tijd waarin de klachten van Prediker ten volle gelden; dit heeft allerlei gevolgen voor onze levenshouding, die anders zal zijn dan in de dagen dat de deuteronomistische leer volop geldigheid had, of eenmaal weer zal hebben.

Er is een wellicht niet opvallend, maar bij nader inzien duidelijk aanwijsbaar verschil tussen de vermaningen uit Efeze 4 en 5 en die uit Romeinen 12 en 13. De Romeinenbrief, geschreven in de Handelingentijd, spreekt ‘zonen’ aan. (zie: hoofdstuk ‘Geestelijke Volwassenheid’, over het verschil in positie der gelovigen in Rom. en Efz. – Rom. 12 is grotendeels aan een Joodse catechismus ontleend, als onderricht voor de ‘zonen van Israel’ en allen die daarmee op een lijn staan; Efz. 4 en 5 gaat verder). De Efezebrief, later geschreven, richt zich tot geestelijk volwassenen. Hier worden de oude en de nieuwe mens tegenover elkaar gezet. (Efz. 4:16-17, 22-24).

Op het eerste gezicht lijkt dit een zwart-wit tekening: van de heiden niets dan slechts en de christen helemaal anders. Het is echter niet Paulus’ bedoeling die heidenen zo zwart mogelijk te maken. Als hij zou beweren dat de volken allemaal en altijd gevoelloos, losbandig, hebzuchtig en onrein leven, daartegenover alleen de ware christenen het beter zouden weten, dan moet Paulus nodig verbeterd worden. Doch het gaat hier over de tegenstelling tussen de oude mens, d.w.z. de oermens, beheerst door de natuur en het eigenbelang enerzijds, en de nieuwe mens, d.w.z. de mens zoals God hem uiteindelijk hebben wil, anderzijds. Machtsstructuur tegenover liefdesstructuur.

Na Adam zijn de eisen aan de mens steeds hoger gesteld, na Noach nog hoger. De wet voor Israël gaf vele richtlijnen; de profeten lieten zien dat het niet ging om de uitwendige opvolging van die richtlijnen, maar om de geest die de Wet veronderstelt. In de Bergrede wordt dit alles tot haast onbereikbare hoogte opgevoerd. Paulus doet er zo mogelijk nog een schepje bovenop: leven in volkomen gerechtigheid, heiligheid en waarheid. Wie brengt dat op?

Men moet echter deze apostolische vermaningen niet zien als een nieuwe wet, of kenmerk van de ware ‘betrouwbare’, doch als een ideaal, waarop de geestelijke volwassene zich moet richten. Prediker houdt ons voor hoe onze wereld er uit ziet; welnu: sinds Handelingen 28 en de daaruit voortvloeiende verborgenheid van God kan alleen Gods einddoel de vuurtoren zijn waarop we kunnen koersen. Nóch Israel, nóch de Kerk of het Humanisme geven ons steun.

De wereld ligt in het boze. Kenmerkend daarvoor is dat dit gemeenschapsverstorend werkt. Eerst wil men los van God, dan ook nog los van de naasten. Niet alleen blijft de wereld in het boze liggen, doch wat daar tegenover gesteld zou kunnen worden, krijgt ook geen kans. Na de ondergang van Jeruzalem was Israël geen gemeenschap meer (alleen Joodse groepen en individuen). De Joods-christelijke gemeenten uit de Handelingentijd (voor wier eenheid Paulus zich zozeer had ingezet/Rom. 15:6-8), vielen uit elkaar. En de kerk uit de heidenen die daarna kwam heeft de eenheid evenmin kunnen bewaren. Als nu zij, die nog iets verstaan van Paulus’ bijzondere boodschap, ook nog gemeenschapsontbindend (sektarisch of individualistisch) worden, wat blijft er dan nog over? De Boze laat ons vrij genoeg om er elke gewenste dogmatiek op na te houden, doch als onze leer niet gemeenschapsvormend werkt, heeft het boze gewonnen.

Daartegenover worden we opgeroepen tot goede werken. Efeze 2:10 zegt zelfs dat we daartoe geschapen zijn. Dit behoeven niet heel bijzondere werken te zijn; goede werken zijn in de eerste plaatst gewone werken die goed worden gedaan. Al wat waardig, rechtvaardig, liefelijk en welluidend is, moeten we betrachten, nu, niet eerst wanneer er een betere wereld komt.

Daarom mag men Kolossenzen 3:1,2 niet uitleggen, alsof de geestelijk volwassene alsmaar aan ‘boven’ moet denken en niet aan de dingen van de aarde. Hoe doe je dat? De hemel, daar weten we immers niets van! Maar het vervolg (vs. 5-17) leert zeer duidelijk wat bedoeld wordt met die aardse dingen die we niet moeten bedenken. En als Paulus meent de ‘heren’ te moeten vermanen tegenover slaven recht en billijkheid te betrachten (4:1), dan is  het in onze tijd zeker niet verboden sommigen ‘heren’ bij ons hieraan krachtig te herinneren. De tijd na Handelingen 28 mag dan gekenmerkt zijn door het zwijgen van God, Hij blijft spreken door Zijn vermaningen en geboden.

Hoe onze levenshouding volgens de nieuwe ethiek zou moeten zijn, vinden we zeer karakteristiek aangegeven in de beschrijving van de geestelijke wapenrusting (Efz. 6:10-18). Het is de strijd tegen naamloze machten. We kennen ze eigenlijk niet zelf, doch des te meer hun invloed. Om slechts enkele hiervan te noemen: kapitalisme, consumptiemaatschappij, communisme, rassenwaan, nationalisme, enz. Het zijn alle ontsporingen van op zichzelf goede ordeningen of verhoudingen. Ze hebben gemeen hun schone schijn, maar het zijn in werkelijkheid voorbereidingen van de anti-christ. Het is onze taak ze te ontmaskeren, niet ze blijvend te overwinnen. Dat lukt toch niet; dat zou er op neer komen de methoden van de tegenstander over te nemen. Geen kruistochten of heilige oorlogen. De wapens die genoemd worden dienen uitsluitend de verdediging. De eindstrijd moeten we aan God overlaten. Van ons wordt niet meer gevraagd dan met vrijmoedigheid op onze post te blijven.

De polemiek die Paulus in de Romeinenbrief met het Jodendom voerde, bedoelde niet de goede werken tot een vijand van het geloof te bestempelen. De boze werken zijn vijandschap jegens God en daar hoort in dit verband de zelfrechtvaardiging ook bij (dat is het wat Paulus bestrijdt). Onze goede werken zijn op zichzelf niet verdienstelijk voor God; ze moeten verdienstelijk zijn jegens de naaste.

In dit verband moet gewezen worden op Efz. 1:7. De vergeving is aan de ‘betrouwbaren’ bij voorbaat toegezegd! Niet als vrijbrief, maar omdat ze die vergeving zo hard nodig hebben. Het ideaal van de geestelijke volwassenheid en van de nieuwe mens is zo hoog, dat niemand dat permanent volhoudt. Men ontkomt er niet aan in deze wereld vuile handen te maken. Dit te weten bepaalt ook onze houding inzake vergevingsgezindheid jegens anderen die falen, en óns tekort doen. Liever een zondaar die zijn verantwoordelijkheid voor de wereld en de samenleving aanvaardt, met inbegrip van het moeten kiezen tussen kleiner en groter kwaad als het goede onmogelijk is, dan iemand die zich aan zijn verantwoordelijkheid onttrekt uit vrees te zondigen. Dit is geen ontsnappingsclausule, terwille van de handhaving van eigen bezit, vrijheid of eer; veeleer gaat het om het heil van de naaste, of om een kale bestaansmogelijkheid. Bijv. wie onderduikers herbergt, moet soms onwaarheid spreken om geen verrader te worden, resp. elke arbeidsmogelijkheid heeft bedenkelijke kanten.

Omdat dit het dichts bij ons eigenlijke onderwerp komt, nog enkele opmerkingen over het huwelijk. Wie Efz. 5:22 leest: “Gij vrouwen weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan de Heer”, mag dit niet zien als een vermaning op zichzelf, maar als een nadere uitwerking van vs. 21: “weest elkander onderdanig in de eerbied die God vraagt”.

Het met ‘onderdanigheid’ vertaalde woord betekent: zich onder orde stellen. In dit verband wordt er mee bedoeld: het in de praktijk brengen van de orde van de heerschappij Gods. Men kan die onderdanigheid van anderen niet eisen ten eigen bate; de wederkerigheid wordt uitdrukkelijk geleerd. Daardoor is deze eis van onderdanigheid veel zwaarder voor hen die van nature (mannen, vaders) of door de (vaak verkeerde) omstandigheden (meesters) macht bezitten, dan voor de niet-machthebbers (vrouwen, kinderen, dienstknechten). En de eis tot onderdanigheid geldt nimmer als iemand ons onderwerpen wil aan een orde die duidelijk de heerschappij van God niet is. Helaas: het is vaak niet duidelijk. In dat geval moet de nieuwe mens zich vaak schikken in de bestaande orde, inbegrepen die van een veeleisende echtgenoot, een hardhandige vader of een weinig ideale werkgever, aan hen het voordeel van de twijfel gevend.

Ons beperkend tot het huwelijk: de veel gehoorde opvatting dat de onderdanigheid van de vrouw niet meer past, is een misvatting (en niet eens een kleine!). Dit komt omdat men die onderdanigheid niet ziet als een onderdeel van de wederkerige onderdanigheid, die van alle ‘betrouwbaren’ wordt gevraagd en bovendien omdat men ten onrechte onderdanigheid en gehoorzaamheid gelijk stelt.

De onderdanigheid van de vrouw is voor haar eerder een roeping en eer dan een vernedering. De vrouwen zijn door hun aanleg meer op het Koninkrijk Gods afgestemd dan de mannen. Moge die onderdanigheid voor de vrouw moeilijk zijn, voor de man is het een volslagen onmogelijkheid zo iets zelfs maar te vragen! Vandaar dat die man een hulp nodig heeft “tegenover hem” (Gen. 2:18), zonder haar hulp gaat de wereld ten onder aan gevoelloze machtsuitleving.

Aan de man wordt “slechts” opgedragen zijn vrouw lief te hebben; voor de vrouwen staat er zo iets er niet bij (dat spreekt blijkbaar vanzelf!). De onderdanigheid van de vrouw veronderstelt niet het regeren van de mens, maar zijn liefde, als beelddrager Gods.

Daarom wordt de man ook hoofd van zijn vrouw genoemd. Hoofd-zijn is een Hebreeuwse uitdrukking, die wil zeggen: dat wat voorop gaat. De eerste maand is het “hoofd der maanden” (Exod. 12:2, Num. 28:11. De nieuwjaarsdag heet rosj-hasjana = hoofd van het jaar), de toppen der bergen heten “hoofden” (Gen. 8:5, lett.).

Hoofd-zijn betekent: de weg banen en de eerste klappen opvangen, terwille van wat komen gaat. Men lette er op dat het hier gaat om een vergelijking met de Messias: Hij wordt (in de Efezebrief voor het eerst) “Hoofd” genoemd. Dat is een nieuwe titel; het gaat boven het ‘heer’ -zijn (dat was een oudere titel en belijdenis). Als Hoofd is Hij de Behouder van het Lichaam (de bijzondere, onzichtbare gemeente der ‘betrouwbaren’); in deze orde moet die gemeente zich schikken en het Hoofd niet voor de voeten lopen als Hij het karwei gaat klaren.

Zo ook is het ideale huwelijk: hoofd-zijn is een vorm van dienen, geen gezagsfunctie. De gezagsfunctie wordt uitgedrukt in de benaming ‘heer’, maar dat woord wordt hier opzettelijk niet gebruikt.

Deze ethiek gaat die van Israël en ook van de Handelingentijd te boven. Zo schreef Petrus (1 Petr. 3:1,6) dat de vrouw gehoorzaam moest zijn. Hij wijst daarbij op Sarah, die haar man “heer” noemde. Nu moet men ook dat niet al te tragisch opvatten. Wie de geschiedenis van Sarah er nog eens op naleest, zal zien dat het met die onderworpenheid van Sarah nogal meevalt! En Spreuken 31, waar de lof van de deugdelijke huisvrouw bezongen wordt, die tevens zelfstandig zaken deed, zal aan Petrus ook niet onbekend geweest zijn. Desondanks komt Petrus niet verder dan de natuur op z’n best: de man moet ridderlijk zijn en zijn verstand gebruiken. Over liefde spreekt hij niet, terwijl Paulus de liefde centraal stelt.

Zonder dit nu verder te gaan uitwerken, mogen we toch wel zeggen dat Paulus zijn tijd ver vooruit was. Pas sinds de dagen van de romantiek is men de liefde gaan zien als voorwaarde voor het huwelijk; voordien was de liefde hoogstens een (begerenswaardige) bijkomstigheid. Afgezien van Paulus’ hogere ethiek in zijn laatste brieven kan men zeggen, dat de Bijbel niet de liefde, maar de trouw als het wezenlijke van de huwelijksverhouding stelt. Hetzelfde geldt trouwens voor de God-mens-verhouding; Job en Prediker waren trouw tot het uiterste; maar hadden ze ook God lief en blijkt Gods liefde jegens hen? De liefde Gods komt eerst goed tot uiting in het leven van Jezus Messias, maar in nog sterker mate als Jezus ons wordt geopenbaard als ons Hoofd, zoals Paulus dat in de Efezebrief doet. Met recht mag hier van een nieuwe, voordien verborgen openbaring worden gesproken!

Als Paulus de vergelijking Messias Jezus-gemeente (ecclesia=uitgeroepen) met die man-vrouw in het huwelijk doortrekt tot en met de geslachtsgemeenschap, kan wel helemaal van een verborgenheid of geheimenis (lett. mysterie) worden gesproken (Efz. 5:31-32). Er is een groot verschil tussen een geheimenis en een raadsel. Een raadsel is er om opgelost te worden en dan is het geen raadsel meer. Een geheimenis is iets wat we wel kunnen ervaren, maar niet doorgronden. De grote openheid op seksueel gebied in onze tijd is een gezonde zaak voor zover het gaat om de oplossing van raadsels, en het noemen of tonen van dingen die iedereen mag of zelfs moet weten. Maar wie het onzegbare, wat slechts intiem beleefd kan worden, gaat uitschreeuwen, heeft het geheimenis verraden. Misplaatst “realisme” werkt ontheiligend en ontluisterend.

Kenmerk van het huwelijk en geslachtsgemeenschap is het bestaan van een onlosmakelijke band tussen twee dingen, die niets met elkaar te maken hebben: het natuurlijke en het geestelijke. Dáár komen in wezen de spanningen in huwelijk en seksualiteit uit voort: de verhouding tussen twee onaangepaste grootheden. Deze spanning moet ons leiden tot God, Schepper van natuur én geest, de God, die EEN is. Van deze eenheid is de geslachtsgemeenschap het sacrament (Grieks: musterion), nl. het teken hoe God in het verborgene, in het niet-waarneembare, in het onzegbare, Zijn EENheid doet verstaan. (De stelling: ‘Wat God heeft samengevoegd, scheidde de mens niet’ (Matth. 19:6) staat bovenal op de band tussen de trouw (geestelijk) en het een vlees zijn (natuurlijke). M.a.w.: huwelijken worden in bed gesloten en hebben daardoor geldigheid in de hemel).

Paulus verklaart deze verborgenheid niet, noch die van de geslachtsgemeenschap, noch die van de hoogste gemeenschap tussen God en mens, net zomin als hij het geheimenis van de zg. twee naturen van de Messias verklaart: God en mens. We mogen het wel als een genadegift aannemen, om Gods heilsplan, Zijn bedoeling met de mens beter te verstaan. Al gaat de werkelijke betekenis van huwelijk en geslachtsgemeenschap boven onze pet, we moeten er toch maar zo goed mogelijk aan meedoen, bedenkend de dingen die boven zijn. Laat de man zijn vrouw liefhebben; meer kun je niet van hem vragen, met minder mag hij niet volstaan. En laat de vrouw, die wellicht door haar aanleg en gevoelens iets meer van Gods liefde begrijpen dan de man, toch die man hoogachten. (Efz. 5:33). Want het natuurlijk komt eerst, het hoofd gaat voorop. De schepping moet eerst overwonnen worden voor het Rijk Gods komt.

De oude kerk had zo weinig idee voor de betekenis van het ware vrouw-zijn, dat volgens haar levensstijl en sommige uitspraken de vrouw eerst man moest worden om de zaligheid te kunnen beërven, tot zelfs Maria toe. (Evangelie van Thomas, uitspraak 114: Jezus sprak: “Zie, Ik zal haar (Maria) leiden en haar mannelijk maken, opdat ook zij levende geest worde, u mannen gelijk. Want iedere vrouw, die zich tot man zal maken, zal in het koninkrijk der hemelen binnengaan.”). Doch Paulus leert hetzelfde wat Genesis 1 leert, dat de mens als man en vrouw beeld Gods is. God is niet alleen mannelijk maar ook vrouwelijk. (Jes. 66:13 spreekt over God, Die als een moeder troost. Jes. 46:3 spreekt over Gods baarmoeder. Jes. 49:15 vergelijkt God met een jonge moeder in haar zorg voor de zuigeling. Verder moet op alle plaatsen waar van Gods erbarmen gesproken wordt bedacht worden, dat dit woord (Hebr. rachamaim) is afgeleid van moederschoot (Hebr. rachem).

In de nieuwe mens is de mens als man én vrouw eerst waarlijk EEN. (Voor zover het feminisme zich verzet tegen geringschatting en onderdrukking van de vrouw, doet ze noodzakelijk goed werk. Een afzonderlijke feministische theologie is, evenals andere theologieen, eenzijdig en slaat gemakkelijk door (“God onze moeder” en dergelijke.) Een goede uitleg van de tekst laat de vrouw in haar volle waarde; zich houden aan die tekst betekent niet dat we verplicht zouden zijn het cultuurpatroon uit de tijd dat die tekst ontstond over te nemen. – Bij het vraagstuk “de vrouw en het ambt” is niet de vrouw het probleem, maar dat ambt (een woord dat niet in de Bijbel voorkomt).

Hetgeen Paulus na Handelingen 28 heeft geschreven, blijft actueel tot het eind van deze (boze) aioon. (Gal. 1:4). Vergeleken hiermee blijven alle geestelijke stromingen onder de maat, vanaf destijds de gnostiek, tot in onze tijd de zg. New Age-beweging of de Nieuwe Wereld-orde. Of dit een modeverschijnsel is of blijvende waarde heeft (eventueel onder een andere naam), zal de toekomst moeten leren.

Onder deze verzamelnaam vinden we protesterenden tegen de vermaterialisering, bureaucratisering en vertechnisering van de samenleving. Men wil daartegenover de mensen brengen op een hoger plan van persoonsvorming. Daar moet ruimte zijn voor fantasie, emoties, intuïtie, spiritualiteit, een vernieuwd leven na loutering; dit alles werkt heel makend en bevrijdend.

De New Age-beweging/Nieuwe Wereldorde is geen eenheid. Sommigen geloven in reïncarnatie, anderen doen aan astrologie of occultisme (een geheimleer slechts voor ingewijden die tot dieper inzicht van de goddelijkheid zou moeten leiden). Hier valt niets goeds over te zeggen; in de Torah wordt het reeds bestreden. Van meer waarde is waar deze beweging opkomt tegen het al te rationeel-zakelijk en vóór waarachtige humaniteit. Maar wat er dan door de New Age-beweging en anderen aan goeds naar voren wordt gebracht, is reeds door de Profeten van Israël gezegd, en vaak beter. En wil men opgaan in mystiek en/of spiritualiteit, dan kan men nergens beter terecht dan bij de apostel Paulus, wanneer hij spreekt van ‘met de Messias mede-gekruisigd, mede-begraven en mede-opgestaan zijn (Rom. 6:3,4), een veréénzelviging met Christus dus. Alsof dat mogelijk ware, gaat Paulus in zijn laatste brieven nog iets verder. Hij bidt dat de gelovigen overvloedig worden in helder inzicht en alle fijngevoeligheid om te onderscheiden waar het op aan komt. (Filip. 1:9-10). Verder: De Messias als Hoofd gegeven aan de gemeente (ecclesia = uitgeroepen) in het overhemelse (lett.), die Zijn Lichaam is. (Dit is niet de feitelijke kerk op aarde. Een wereldkerk komt in het N.T. niet voor, wel plaatselijke gemeenten. In 1 Kor. 12:12-27 wordt die gemeente aangesproken als (een lichaam) van Christus (het bepalend lidwoord staat niet in de grondtekst). Dit is een Grieks beeld: lichaam als samenwerking van delen, waarbij het hoofd (oog, oor) geen meerwaarde heeft over andere lichaamsdelen. In de Efeze en Kolossenzen brieven is hoofd een Hebreeuws beeld: datgene wat voorop gaat (de weg baant en de klappen opvangt). En om niet meer te noemen: De Messias Jezus is de eerstgeborene van de ganse-schepping; de gehele zichtbare en onzichtbare kosmos is in Hem begrepen. (Kol. 1:15-18).

Paulus grijpt hier en daar boven het denkbare uit. Dat maakt hem moeilijk te verstaan. Nochtans blijft hij blijkens zijn vermaningen vast op de grond staan. Daarbij schrijft hij voor allen die het willen lezen en overdenken; nergens beperkt hij zich tot een kring van ingewijden.

Bij de moderne bewegingen van deze 21e eeuw blijft alles steken in vaagheid, waarmee we zeker niet uitkomen boven hetgeen aan Paulus is geopenbaard. Erger: van een Messiaans Rijk, zoals vooral de profeet Jesaja heeft geschilderd, is bij de New Age-bewegingen/Nieuwe Wereld orde vrijwel niets te vinden. De New Age valt niet samen met de toekomende aioon!

Al komt er nog een openbaring over het einde van deze aioon (met iets wat daarna volgt), met Paulus is de openbaring kwalitatief afgesloten. Hier zullen we het mee moeten doen. Maar dat kan ook. Zoals Mozes iets van Gods heerlijkheid zag (Exod. 34:6-7, 29), ziet Paulus iets van Gods heerlijkheid in de Messias Jezus, Die het Al vervult. (Efz. 1:3,10; Filip. 2:10-11; Kol. 1:16-17, 3:4).

Uit: Gods verborgenheid dhr. KA. den Breejen … wordt vervolgd!

**********************

DE ONTHULLING

God is niet verborgen om dat altijd te blijven. Al is in God meer begrepen dan we ooit zullen kunnen bevatten en waarover we niet één verstandige opmerking kunnen maken, toch is Zijn eigenlijke verborgenheid iets dat duidelijk op openbaring, onthulling wacht.

We komen nog eenmaal terug op Jesaja 45. We lezen hier van een heidense koning, die “messias” genoemd wordt. (Jes. 45:1. De vertaling ‘gezalfde’ maakt niet duidelijk dat hier messias (lett.) staat). Kores is type van Hem, Die alle volken verlossen (bevrijden) zal, ook al gaat die bevrijding ver uit boven hetgeen aan Kores voor ogen heeft gestaan. Zelfs meer dan Jesaja kon bevroeden. Vandaar dat de profeet zijn profetieën onderbreekt met een lofzang. Het is de God Die Zich verborgen houdt, Die de Verlosser is!

Dit alles moeten we bedenken, als we het laatste Bijbelboek lezen. Het is niet de bedoeling aan de vele verklaringen van dit boek er nog een aan toe te voegen. Hoe nuttig dat misschien ook zou zijn, omdat de meeste verklaringen te “kerkelijk” zijn. Zonder de sleutel Israël is het boek Openbaring niet te lezen. Niet slechts omdat er zo veel heen wijzingen naar het O.T. in voorkomen, maar omdat het in dat boek over Israël (én de wereld) gaat, dus niet over de kerk of het christendom. Daarom gaat het ook niet over de tijd van de kerk, doch over de zg. eindtijd: het einde van deze aioon (wereldtijdperk). Het lijkt wel alsof dit boek ongeveer aansluit bij het plotseling afbreken van de Bijbelse geschiedenis in Handelingen 28. De tussentijd van nu reeds bijna 2000 jaren wordt gewoon overgeslagen. In de Handelingentijd leefde de verwachting van een spoedige Wederkomst van de Messias, hetgeen ook uit de brieven van die tijd duidelijk blijkt. (Matth. 26:24, Hand. 17:31, Rom. 13:11-12, 16:20, 1 Kor. 7:26, 16:51-52, 1 Thess. 4:15-17, Jak. 5:8-9, 1 Petr. 4:5 en 7, 1 Joh. 2:18. Men ziet dat de verwachting van een spoedige Wederkomst bijna overal in het N.T. voorkomt. Alleen in de latere brieven van Paulus niet). Hiermee gaat het boek Openbaring gewoon verder. (Ook de gemengde Joods/niet Joodse gemeenten uit de Handelingentijd, die na de zg. tunnelperiode verdwenen waren, zijn er opeens weer, in Openb. 2 en 3 zien we er zeven (let met name op 2:9 en 3:9)).

Dit blijkt uit het roepingsvisioen. Johannes was op het eiland Patmos, mogelijk een zendingsreis. (Of Johannes naar Patmos was verbannen is allerminst zeker. Het kleine eiland was toen belangrijk als doorreis station. Volgens de traditie heeft Johannes ook ander plaatsen in de omgeving bezocht, o.a. Efeze (Asia) en Phillippi (Macedonie). Hoe dan ook, hier krijgt hij een visioen, Hij bevond zich in geest in de Dag des Heren (aldus 1:10 letterlijk vertaald).

Met “Dag des Heren” wordt in het N.T. nergens de Zondag bedoeld, zijnde een uitvinding van latere tijd. (Het is onbegrijpelijk dat de kerkelijke uitleggers elkaar allemaal klakkeloos napraten door van de “Dag des Heren” een Zondag te maken. Ook het tekstverband is eschatologisch). Integendeel, het is de kenmerkende uitdrukking voor de eindtijd. (Vgl. Hand. 2:20, 1 Thess. 5:2, 2 Thess. 2:2, 2 Petr. 3:10; in aansluiting op het O.T. : o.a. Jes. 2:12, 13:6, Jer. 46:10, Ezech. 13:5, Joel 2:1, Amos 5:18, Zef. 1:14, Mal. 4:5. Het is een dag van afrekening). God gaat de wereld oordelen. Dit wordt ingeleid met het blazen van de sjófar. Er wordt een gewichtig document met zegels geopend. (Openb. 5:1 tot 8:1). Daarna komen zeven engelen met de bazuinen (sjófar) van het gericht; deze gerichten hebben opvallend veel overeenkomst met de plagen van Egypte, die toen (net als in Openbaring) aan de bevrijding vooraf gingen.

Als nu de zevende engel gebazuind heeft, dan zal de verborgenheid van God teneinde gebracht zijn, zoals Hij aan Zijn dienstknechten, de profeten, heeft verkondigd (aldus 10:7). Het zwijgen van God is voorbij, Hij zal opstaan tot de strijd en op bovennatuurlijke wijze ingrijpen in de voortgang der geschiedenis.

Ten tijd van Israëls ongehoorzaamheid gingen de profeten in beelden spreken (Ezechiel, Daniël, Zacharjah); dit hield altijd een oordeel in, opdat alleen de getrouwen Gods weg en werk zouden verstaan; de rest werd versterkt in hun horende-doof en ziende-blind zijn. Zo ook Jezus Messias in de gelijkenissen van het Koninkrijk. In de tweede gelijkenis groeien het goede zaad en het onkruid (door JOB stinkkruid genoemd) tezamen op; dit naast elkaar opgroeien is eigenlijk het raadsel van de wereldgeschiedenis.

Maar nu is de oogst daar, het raadsel wordt opgelost. Hiervan hadden de profeten gesproken (o.a. Amos 3:7), ook al hadden ze er niet alles van begrepen. Ze wisten dat de wereldgeschiedenis op een crisis zou uitlopen, als de ongerechtigheid der wereld haar hoogtepunt had bereikt.

Johannes moet een boekje, van de engel ontvangen, opeten. (Openb. 10:10-11). Dit is beeld-taal voor het in zich opnemen en verwerken van de boodschap op de meest radicale wijze. Het is eerst zoet (om tot deze taak geroepen te worden en te weten dat het uiteindelijk goed zal aflopen), maar daarna bitter (in zijn uitwerking vanwege alle gevolgen). Daarna wordt Johannes geroepen om nog meer te profeteren tegen volken en koningen. Want al zijn de verborgenheden Gods geopenbaard, er moet nog veel meer gebeuren, meer dan de profeten hadden verkondigd.

Niet alleen is het de verborgenheid Gods, die hier geopenbaard wordt, ook de verborgenheid van het kwaad komt aan het licht. Dat kwaad is als het ware samengetrokken in Babel, de grote tegenhanger van Jeruzalem. (Openb. 17:5 en 7). Het is het beestrijk uit de afgrond, de tegenhanger van het Koninkrijk der hemelen. Het is het rijk van de Anti-christ (de onbekeerde mens), de tegenhanger van het Rijk van de Messias, de Zoon des mensen (= de mens naar Gods beeld). De verborgenheid van Babel is de schone schijn, zo tegengesteld aan haar wezen, waardoor het altijd veel aanhangers heeft getrokken; ook Johannes verwondert zich daarover. Het kan bogen op schitterende cultuurprestaties, klinkende wapenfeiten, zelfs alle maatschappelijke hervormingen ten bate van velen.

En het heeft een godsdienst die veel belooft en weinig van de mens vraagt. Behalve dan dat het, net als dictaturen, in korte tijd ontaardt. In naam van het goede wordt het een toenemend dwangstelsel: één mensheid, één rijk, één leider, één religie, wie niet meedoet wordt terzijde geschoven of vernietigd.

Het rijk van Babel en de Anti-christ geeft alles, behalve de ware bevrijding tot het waarachtig mens-zijn. Want het is gegrond op het machtsbeginsel, niet op het liefdesbeginsel. Het is alleen maar mannelijk; alles wat vrouw of vrouwelijk is moet in dienst komen van het mannelijke voortbestaan: kracht en heerszucht. (We wezen reeds hierop bij het begin van Babel onder Nimrod).

In tegenstelling tot de andere wereldrijken, die alle na korte of langere tijd verdwenen, is Babel “eeuwig” (vgl. Jes. 47:1 en 7), d.w.z. de gehele duur van de huidige aioon uit. Althans bijna. Het komt op dadelijk na de zondvloed (het begin van deze aioon) en zou zichzelf eindeloos willen voortzetten, een status-quo zonder einde, alsof er geen volgende aioon nodig ware. Dat het tussen Handelingen 28 en de eindtijd waarmee Openbaring 1 begint lange tijd volslagen onbelangrijk is geweest, doet niet ter zake.

Wat is nu Babel?

In de eerste plaats is Babel de stad van die naam, zoals in het O.T. omschreven en die in de N.T.-tijd nog een belangrijke plaats was. Ook Petrus is daar geweest (1 Petr. 5:13. Er is geen doorslaggevend argument aan te voeren dat hiermee Rome zou zijn bedoeld. Het verzet van het Jodendom te Babel was nog groter dan te Jeruzalem. En ondanks de prediking van Petrus heeft het geloof in Jezus als Messias er geen voet aan de grond gekregen. Integendeel: aldaar is de Talmoed ontstaan, die enerzijds het voortbestaan van het Jodendom bewerkstelligde, doch anderzijds datzelfde Jodendom al die tijd ontoegankelijk maakte voor het aanvaarden van Jezus als Messias). Joden hebben er altijd gewoond. Hoewel als stad nog onbelangrijk in onze dagen, is de streek als oliewinplaats thans voor de hele wereld van belang. Het is geenszins onmogelijk dat die belangrijkheid binnen afzienbare tijd nog toeneemt, zolang we het gouden kalf door een voertuig van blik als voorwerp van aanbidding blijven vervangen.

In de tweede plaats is Babel een stelsel: dat van de macht. Daarmee is Babel het symbool van het principiele verzet tegen God. Weliswaar niet van alle zonden (met name die in het persoonlijke vlak; men moet niet teveel willen systematiseren); wel van dat verzet dat niet het Messiaanse Rijk naar Gods bestel wil, doch een ander “heilsrijk”: volgens door de mens ontworpen wetten, iets wat het doel van Satan, Gods tegenstander is. Dat was de reden, dat hij die stad liet bouwen.

In de derde plaats kan met Babel ook in overdrachtelijke zin Jeruzalem bedoeld worden, voorzover daar door een vervalsing van het ware God-dienen in wezen het babylonische stelsel wordt bevorderd en dus het tegendeel van hetgeen het moet zijn. Het heeft zich maar al te vaak schuldig gemaakt aan wat Babel ook deed: het doden van de profeten. (vgl. Openb. 17:6).

Als een stad zijn rechtvaardigen verdrijft, kan zelfs God er niets goeds meer van maken; daarom wordt Jeruzalem [in de eindtijd] ook wel Sodom genoemd. (Openb. 11:8, vgl. Jes. 3:9). In elk geval wordt Jeruzalems tempel de zetel van de Anti-christ (Dan. 8:11, 11:31-36, Matth. 24:15, 2 Thess. 2:4, Openb. 13:7) en als het beest uit de afgrond valt, wordt tegelijk gezegd dat Babel valt. (Openb. 14:8. Dat de gelovigen op tijd de stad moeten verlaten, wijst ook meer op Jeruzalem dan op Babel, al moet men dit laatste als mee-ingesloten beschouwen (Openb. 18:4)). Er is nu eenmaal een grote samenhang tussen Babel (het anti-rijk van de ongehoorzame wereld) en het ongehoorzame Israël (waar de anti-messias zal zijn). Deze samenhang van Babel en het valse Jeruzalem als tegenhanger van het ware Jeruzalem is ook de verborgenheid van Babel, de moeder van alles wat kwaad is op aarde. (Openb. 17:5).

Zelfs Johannes verbaast zich hierover, hoewel ook hij had geweten dat de anti-christ altijd werkte. (1 Joh. 2:18).

Wat Babel in elk geval niet is, is de valse kerk of dergelijke (net zomin als met Jeruzalem in de Bijbel de ware kerk wordt bedoeld). Ook al heeft de kerk vaak getracht de afgebroken toren uit Genesis 11 te voltooien, met allerlei machtsstreven en hemel bestorming, door de zodoende ontstane grenzeloze spraakverwarring is ze niet verder gekomen dan allerlei verspreid stukwerk. In feite is de kerk te klein en niet slecht genoeg om ooit Babel te kunnen wezen. Zo is de Roomse kerk hoogstens bevrucht door een stroom uit Babel, maar zelfs in haar zwartste dagen niet “de moeder van alle hoerenrijen (= afgodendienst) op aarde”.

De val van Babel wordt vooral beschreven met het oog op de volken (met haar stelsel behept), die in haar val worden meegesleept. (Openb. 18:9, Jer. 51:7, Jes. 13:11 (tijdens de Dag des Heren, vs.9). De ondergang geschiedt snel en volledig. (snel: Openb. 18:10, vgl. Jer. 51:8. volledig: Jer. 51:60-64; de ondergang tijdens Belsazar (Dan. 5) was er een voorbeeld van (Jer. 51:1-14).

Babel wilde de boze aioon (Gal. 1:4) eindeloos laten voortduren, maar met haar gáát die aioon, om voor een betere plaats te maken. In die nieuwe aioon [die van het Messiaanse Rijk] zal Babel woest blijven. (Jer. 51:62, lett. tot woestheden der aioon).

Hoe het met de Kerk [als instituut= met verschillende opvattingen] zal aflopen, vinden we in het laatste Bijbelboek niet beschreven. Voor de tijd tussen Handelingen 28 en Openbaring 1 vinden we in 1 Timotheus en Titus enkele eenvoudige regels voor de  organisatie van niet-Joodse gemeenten, welk een eenvoudige boodschap aangaande Gods heil moeten doorgeven aan eenvoudige mensen. Die gemeenten doen dat als zaak-waarnemer voor Israël, zolang Israël niet in staat is het heil in Messias Jezus te verkondigen.

Alles wat daar bovenuit gaat aan organisatie en leerconstructies is mensenwerk en zal reeds daarom met de volken delen in Babels val. Doch ook die gemeenten zelf zullen de aangekondigde zware tijden niet overleven. (1 Tim. 4:1-2, 6:7, 2 Tim. 3:1-5, 4:3-4). Het hoeft ook niet, al is het voor ons gevoel jammer dat veel goeds dat de kerken ondanks alles toch nog wel hebben verricht, door de ontrouw van haar laatste generaties zal verdwijnen. Want als de kerk verdwijnt gaat God met Israël verder en zal Hij door hen de volken zegenen. (Gen. 12:1-3). En al wat intussen gedaan was uit liefde tot Jezus Messias, dat houdt zijn waarde en zal blijven bestaan. Hoe dan ook!

Het is in een boek, dat na 1948 en 1967 geschreven is, niet meer nodig om aan te tonen, dat het verstrooide Israël naar zijn Land zal terugkeren, zoals de profeten van Israël hebben voorzien. Het is opmerkelijk dat hiermee in Israël ook een zeer verhevigde belangstelling is ontstaan voor de persoon en de prediking van Jezus. Men moet dit niet zien alsof wat de profeten hebben gesproken, daarmee in vervulling is gegaan. Israël zoals het nu is, is nog niet wat het naar Gods bedoeling moet zijn. Dat kan men trouwens ook onmogelijk verwachten; de profetieën veronderstellen in de eindtijd nog veel ongeloof en verzet binnen het uitverkoren volk. In het voorafgaande zagen we reeds hoe een deel van Israël eigenlijk Babel binnen de muren van Jeruzalem is. Er moet weer een tempel komen, maar daarin vindt (naderhand) de Anti-christ en diens beeld een plaats (Openb. 13:14; ook Paulus spreekt hierover in 2 Thess. 2:4), totdat de Heer Zelf naar Zijn tempel zal komen. (Mal. 3:1). Dan zal Israël zien, Wie ze hebben doorstoken. (Zach. 12:10; zo ook Openb. 1:7, dat tevens toont dat Openbaring niet op de kerk slaat. Men kan ‘alle geslachten der aarde’ beter vertalen met ‘alle geslachten (of stammen) van het Land’ (evenals in Hand. 1:8). Dan zal het (in zeer korte tijd) gereed zijn voor zijn taak, dan breekt de nieuwe aioon aan!

Al wat we nu zien, is voorbereiding. Hetgeen we aanschouwen met blijdschap en vrezen. Want Israël zal het nog zeer moeilijk krijgen. Tijdens de Jom-Kippoer-oorlog in oktober 1973 tekenden zich al de omtrekken af van de grote eindstrijd der volken, met de slag van Armageddon en de inname van Jeruzalem. (Dan. 11:40, Ezech. 38:14-16, Zach. 14:2, Joel 3:12, Openb. 16:14-16). Tot zolang zal de vrede in het Midden-Oosten een illusie blijken te zijn. Jammer, maar het is niet anders!

Behalve het herstel van de tempel met de Levietische eredienst (die niet nodig is voor christenen uit de heidenen, wel voor Israël zelf en verder tot onderricht der volken) moeten ook nog de 144.000 verzegelden op de een of andere manier tevoorschijn komen. (Openb. 7:4, 14:1, vgl. Ezech. 9:4). Hoe dit zal zijn is nog een verborgenheid op zichzelf. Wel kunnen we met zekerheid zeggen dat deze (bijzonder uitverkoren) groep uit Israël komt, dus niet uit de kerk. Dat heeft men er (uiteraard) wel van gemaakt, maar hoe het dan zat met de verdeling van die twaalf x 12000 over de stammen Israëls (met weglating van de stam Dan en de toevoeging van Efraim naast Jozef) is buiten Israël om volslagen onverklaarbaar. Hetzelfde moet gezegd worden over Jehovah’s-getuigen, die – net als de kerk – zichzelf tot Israël maken, maar voor dit voor hen zo belangrijke punt hun toevlucht nemen tot geheel willekeurige allegores.

De aanhef van het boek Openbaringen is op zichzelf al een knelpunt. De Heer gaat tonen de dingen die ‘weldra’ (of ‘met haast’) geschieden moeten. Als dit boek zou slaan op de kerk, die al bijna 20 eeuwen er op heeft zitten, dan is dit wel een vermoeiende en krampachtige zaak. Gaat het echter over Israël, dat tussen Handelingen 28 en Openbaring 1 terzijde staat, d.w.z. leeft met een stilstaande profetische klok (ofschoon in de 20e eeuw weer is gaan lopen), dan wordt dit ‘weldra’ begrijpelijk en is het juist in onze tijd weer in staat het geloofsleven onder spanning te zetten.

Niet de kerk of de christenheid is de sleutel van het laatste Bijbelboek. Ze worden met “dienstknechten” en “koninkrijk en priesters” aangesproken (Openb. 1:1; vgl. Paulus die in Gal. 4:7 de gelovigen als zonen ziet en geen dienstknechten. Openb. 1:7; vgl. Exod. 19:5-6), benamingen die op de kerk niet van toepassing zijn. Na Israël herstel heeft de kerk zich overbodig gemaakt.

Maar ook Israël is bestemd om overbodig te worden, nl. wanneer het zijn taak heeft verricht. Dat zal geschieden in de loop van de volgende aioon, het Messiaanse Rijk. Als daarna de nieuwe hemel en de nieuwe aarde komen, het nieuwe Jeruzalem vanuit die nieuwe hemel neerdaalt, zijn er nog wel herinneringen aan Israël: de twaalf poorten met de namen van de twaalf stammen, maar die poorten doen geen dienst meer: ze staan dag en nacht open. Ook de tempel zal zijn verdwenen als overbodig. (Openb. 21:12,25). Dat houdt in dat God dan niet meer woont in het verborgene van het Heilige der Heiligen, maar te midden van de mensen.

We komen aan het slot nog even terug op de grote verborgenheid, zoals die in de Efezebrief is geopenbaard en uitgewerkt. Hoewel deze verborgenheid pas geopenbaard was na Israëls terzijdestelling, is ze krachtens haar wezen niet beperkt tot de genoemde tussentijd tussen Handelingen 28 en Openbaring 1. Weliswaar is het de taak van het Lichaam van de Messias (kort na Hand. 28 geopenbaard) om Gods veelkleurige wijsheid bekend te maken aan de hemelmachten (Efz. 3:10) – iets dat stellig op die tussentijd slaat – wezen en taak van die gemeente omvat veel meer. Dat Lichaam van de Messias Jezus is eigenlijk een onderbreking van de gang der aioonen, die onze tijd verbindt met het overhemelse, daardoor tevens met het na-aioonische (de tijd dat God alles is in allen). Daar gaat het uiteindelijk om: de volledige voltooiing van Gods heilsplan. Of, zoals Efz. 1:10 het zegt: het alles (of het al) brengen onder het Hoofdschap van de Messias Jezus. In Hem worden hemel en aarde verenigd.

Het Messiaanse Rijk gaat nog lang niet zo ver, daar wordt enerzijds het kwaad wel gestraft (vergeleken met deze aioon een grote vooruitgang); ondertussen is dat kwaad er dus nog wel. Zelfs tijdens de daarop volgende nieuwe hemel en nieuwe aarde is er nog vuur waarin de vijanden moeten verblijven. Dat wil dus zeggen, dat het visioen wat Openbaring ons uiteindelijk geeft, minder ver reikt dan Efeze 1:10 laat zien.

Zo hebben we een beknopt overzicht gegeven van het heilsplan van God Die Zich verborgen houdt, om zo de volle verlossing van de schepping te bewerken. Een verborgenheid, die allereerst de verborgenheid van het boze moest ontmaskeren, opdat de mens bevrijdt zou worden van alle zonde (doelmissing) en beperktheid. Een verborgenheid die daarom een eervolle taak inhoudt, zoals we in het begin reeds opmerkten. Mogen de gemaakte opmerkingen ertoe bijdragen, dat de lezer de Bijbel op de rechte wijze leert lezen en verstaan, en aanvaarden dat het geloofsvertrouwen in die God van Israël ons tot het ware heil brengt. En opdat we ons leven zullen inrichten naar het ons geschonken beeld van de nieuwe Mens voor ons omschreven door de apostel Paulus, ons voorgeleefd in Jezus Messias.

**********************

DE CHAPEL OF THE OPENED BOOK / LONDON

www.bereanonline.org

**********************

Doe je graag aan Bijbelstudie?

www.everread.nl

www.levendwater.org

zie: SiteMap / o.a. audio – Denijs van Zuijlekom

**********************

Het nieuws vanuit Israël dat anderen niet brengen  

www.israeltoday.nl 

**********************

www.elshaddaiministries.us (Sjabbat vieringLiveStream met Mark Biltz / zaterdags van 19.00 – 20.30 u.)

**********************

Gerard J.C. Plas

Be Sociable, Share!
 Posted by at 15:39

 Leave a Reply

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

(required)

(required)

Translate »