Jun 082018
 

In hoofdstuk VI hebben we iets gezegd over het boek JOB, als zijnde een boek uit de tijd (waarschijnlijk) en omstandigheden (in elk geval) buiten Gods openbaring aan Israël. God heeft eigenlijk alleen maar tot Israël gesproken; daarbuiten is Hij de zwijgende God. Maar omdat God ook niet altijd tot Israël sprak, hebben enkelen uit hen dit als zeer drukkend ervaren. Zo kon de boodschap van de verborgen God ook via hen ons bereiken. Zeer karakteristiek in dit opzicht is het boek PredikerHierover willen we thans iets zeggen.

Het zou ook (principieel gezien) mogelijk geweest zijn om de besprekingen van JOB en PREDIKER om te wisselen. Onze volgorde heeft slechts een praktische betekenis, omdat de toestanden die Prediker beschrijft verbazingwekkend veel lijken op die van onze tijd: de tijd tussen Handelingen 28 en de Wederkomst van de Messias en het daarbij behorende ingrijpen van God in de geschiedenis.

Wie de schrijver van dit boek was, weten we niet. Misschien Salomo in zijn nadagen, toen hij zag dat de heerlijkheid van Israëls gouden eeuw aan het tanen was (Prediker 1:2); misschien iemand die leefde in de dagen van de Babylonische ballingschap en die zich in Salomo’s toestand verplaatste. Het maakt niet zoveel uit, want in beide gevallen komt met het verval van Israëls grootheid de grote ijdelheid, waaraan alle volken deelhebben. Als Israël “lo-ammi” is (d.w.z. niet-Mijn-volk), is het net als de andere volken aan de ijdelheid onderworpen. Dat is, na Handelingen 28, de normale toestand, [… ofschoon daar vanaf 1897 en zeker ná 1948 en 1967 een omwenteling in het land Israël plaatsvindt, of anders gezegd: de vervulling van Profetieën! – GJCP].

Met dat al is Prediker geen “christelijk” boek geworden. Voor ons vroom gemoed is de schrijver een onuitstaanbare kerel. Hij strijkt tegen alle christelijke haren in en ontmaskert alle godsdienstige zekerheden en dierbaar heden. Hij heeft op alles kritiek, altijd een ja-maar… De natuur is een eindeloze kringloop; alles herhaalt zich en dat is oervervelend. (Prediker 1:5-8).

Wijsheid en wetenschap zijn prachtig, maar ze brengen veel verdriet en smart (Prediker 1:18), worden niet gewaardeerd (Prediker 9:16) en uiteindelijk sterf de wijze net als de zot (Prediker 2:16). Men mag best van het leven genieten, maar tenslotte blijft er niets van over. (Prediker 2:1-11). En nou kun je wel gaan wanhopen, maar ook dat is waardeloos (Prediker 2:20). Laat ons niet verbaasd zijn dat de mensen zich gedragen als beesten; als ze dood zijn worden ze allebei onder de grond gestopt. (Prediker 2:19). Men moet maar niet al te vroom zijn en veel beloften aan God doen; de kans is groot dat er niets van terecht komt. (Prediker 5:3- 4).

Er is veel scheef in deze wereld, maar wat wil men als God alle dingen krom gemaakt heeft? (Prediker 7:13). Daarom moet je maar niet al te rechtvaardig zijn, dat geeft toch niets; uiteraard ook niet al te goddeloos, anders loop je tegen de lamp. (Prediker 7:16). Omdat het kwaad niet of veel te laat gestraft wordt, is er geen eind aan het beramen en uitvoeren van boosheden. (Prediker 8:11).  Daardoor vergaat het de rechtvaardige vaak als de boze en omgekeerd. (Prediker 8:14). Waaruit Prediker de conclusie trekt dat eten, drinken en pret maken het beste is dat we kunnen doen. (Prediker 8:15). En de klap op de vuurpijl is wel dat tijd en toeval aan alle dingen wedervaart (Prediker 9:11); van een God Die alles keurig en liefderijk op z’n pootjes laat terechtkomen wenst Prediker niet te horen. “‘t Is wijsheid wat Hij doet, zo zal Hij alles maken, dat g’u verwonderen moet”, is een gezang dat Prediker niet meezingt.

Maar… de apostel Paulus ook niet! Paulus zegt wel dat voor hen die God liefhebben alle dingen doet meewerken ten goede, doch dat is iets anders. (Romeinen 8:28). Dat werkt achteraf. Achteraf is Job geestelijk gegroeid door zijn lijden, tegen Satans bedoeling in. En Prediker weet ook, dat met de door hem zo danig radicaal beschreven ijdelheid van het leven niet alles gezegd is. Hij weet van een gericht (=verantwoordelijkheid) (Prediker 11:9) en van het voornemen der aioonen, waarop het hart van de mens is aangelegd. (Prediker 3:11). Daarvan is hij rotsvast overtuigd (Prediker 3:14), daarom bij hem die oproep tot geloof, ook al lijkt alles zinloos.

“Vanuit de rest van de Bijbel ziet Prediker er vreemd uit. Maar men kan ook vanuit Prediker naar de rest kijken. Dan past alles in elkaar. Wie bang is voor de klachten van Prediker, weet nog niet waar we het in het geloof over hebben” (Van Ruler).

Hetgeen hij dan doet door herhaaldelijk er op aan te dringen om het er zo goed mogelijk van te nemen zolang we leven, en dat ziet als een gave van God. (Prediker 3:13, 8:15, 9:7). Een merkwaardige overeenkomst met Paulus, die ons aanraadt de tijd uit te kopen omdat de dagen boos zijn. (Efeze 5:16).

Zijn Hebreeuwse naam zegt het al: Qohelet, man van de qahal = gemeente. Hij is degene die tot allen en tegelijk namens allen spreekt. Hij durft te zeggen hetgeen bij allen leeft, maar wat men niet hardop durft te zeggen. Hij laat zich daarbij niets wijsmaken door voorbarige stichtelijkheid en vrome speculaties. Hij doorgrondt de dingen tot op het ondoorgrondelijke, erkent ook dat hij tot die grens gekomen is. Het is zelfs Gods opdracht zover te gaan (Prediker 1:13) en ons bezig te houden met de raadsel waarvoor de schepping ons plaatst.

En als we er dan niet uitkomen, mogen we weten, dat God met ons meelijdt en mee klaagt over die schepping. Daarom staat Prediker in de Heilige Schrift. Als Paulus spreekt over de zuchtende schepping (Romeinen 8:22) en we willen weten wat hij daarmee bedoelt, zou hij ons naar Prediker kunnen verwijzen als afdoende, overtuigende toelichting.

Er is wel een groot Goddelijk plan der aioonen, maar dat geeft veel speelruimte. Daarbinnen is van alles mogelijk, ook allerlei stompzinnig wereldleed en verdrukking. (Romeinen 8:36). Om geestelijk volwassen te zijn moet men met Prediker alles kritisch onderzoeken, maar tevens met hem en Paulus blijven vertrouwen en gehoorzamen.

Over dat gehoorzamen willen we in het volgende hoofdstuk nog iets verder uitweiden. Eerst iets over dat vertrouwen. Dat is bepaald niet goedkoop. Het waarachtig geloof laat zich bijna altijd samenvatten in het ene woord NOCHTANS.

Vermoedelijk is Dietrich Bonhoeffer wel de man geweest, die dit in de 20e eeuw het diepst heeft doordacht. Moeten doordenken: opgesloten in de gevangenis stormden alle vragen, waar Job en Prediker zich mee bezighielden, op hem af. Omdat we leven in een wereld waarin God Zich verborgen houdt, moeten we leven op eigen verantwoordelijkheid. Bonhoeffer zegt het uiterst scherp: We moeten leven alsof er geen God zou zijn. We moeten de problemen zelf oplossen.

Want sinds het neen-zeggen tegen de Messias door Israël, ons beschreven in het boek Handelingen, leven we in een beslist niet-deuteronomistische tijd. Dat wil zeggen: er is geen verband tussen God-dienen en welvaart, of tussen God niet-dienen en rampspoed. Kon de Psalmist nog zeggen, dat hij in zijn lange leven nog nooit een rechtvaardige had gezien die verlaten was of broodgebrek had (Psalm 37:25), wij weten maar al te goed dat dit niet meer opgaat.

God vraagt vertrouwen en gehoorzaamheid, maar er verandert niets in de wereld als men zijn eigen gang gaat. Of moeten we misschien zeggen: er verandert niets omdat de wereld leeft zonder met God en Zijn gebod rekening te houden? Prediker zegt het reeds: Omdat niet aanstonds het oordeel over de boze daad geschiedt, daarom is het hart der mensenkinderen vol om kwaad te doen. (Prediker 8:11).

Wat God nu vraagt is niet om met het kwaad mee te doen, omdat het toch niets zou uitmaken. Wat ook niet gevraagd wordt is een grootscheeps opgezette poging deze wereld grondig te verbeteren. Want of men moet dit doen door middel van geweld en dat levert wel een andere, maar geen betere wereld op. Of men tracht dit te doen door middel van de “zachte krachten”, doch die halen alleen iets uit op kleine schaal en in beperkte kring. In de grote wereld worden die zachte krachten verdrongen, vervalst of vernietigd.

Wat God nu vraagt is te staan in een wereld zonder zichtbare tekenen van Zijn aanwezigheid en in elk geval zonder Zijn ingrijpen. Nochthans vertrouwende dat het messiaanse Rijk eens op aarde komt door middel van een veranderd Israël [… tekenen daarvan voor die uiteindelijke vervulling, worden thans manifest in het Midden-Oosten – GJCP].

Dat daar bovenuit God met Zijn wereld toch verder gaat naar Zijn heilsdoel. Anders gezegd: te vertrouwen met woord en daad op de God Die Zich verborgen houdt en, ondanks dat, toch de Verlosser is.

Uit: Gods verborgenheid – van dhr. K.A. den Breejen … wordt vervolgd! 

[Personalia: K.A. den Breejen (1917), van beroep rijksaccountant, maakte in zijn jeugd een kerkscheuring mee (1926), hetgeen hem leerde dat men niet aan kon op de juistheid van wat theologen beweren; zij spreken elkaar vaak op het hevigst tegen. Reeds in zijn ouderlijk huis werd ernst gemaakt met zelfstandig Bijbelonderzoek. Dit alles, en de kennismaking met enkele leermeesters, bracht hem geleidelijk tot de inzichten in dit boek weergegeven. Hierbij werd gebruik gemaakt van hetgeen door hem als eindredacteur in het ruim 25-jarige bestaan van het “Studieblad ter begeleiding van BIJBELS DENKEN” werd gepubliceerd. De schrijver wil dit boek opdragen aan de nagedachtenis van zijn ouders, zijn leermeesters Heere Heeresma sr., C.H. Welch, S. van Mierlo, G.J. Pauptit, Frits Kuiper en van zijn vriend W. Hoving]

DE AIOON IN HET HART

Israël is niet uitverkoren omdat het een beter of meer hoogstaand volk zou zijn dan de andere volken. Dat had Mozes hun wel goed duidelijk gemaakt (Deut. 7:7), al hebben ze dat wel eens vergeten, vooral in de dagen waarover het N.T. handelt. Ze zijn wel anders en ook dat hebben ze wel eens vergeten: in de O.T.-tijd door de goden der volken te dienen en in de 19e eeuw door de zg. assimilatie (= poging in de volken op te gaan). Deze tegenstrijdigheid komt hieruit voort dat er tussen Israël en de volken zowel overeenkomst als verschil is. Overeenkomst door hun menselijkheid: niet menselijks is hun vreemd, inbegrepen de innerlijke afkeer die elk mens van nature heeft om Gods weg naar Zijn niet-natuurlijk doel te gaan. Verschil door het betere dat God aan de mens wil geven en waarvan Israël weet heeft en de andere volken niet (tenzij ze het van Israël hebben vernomen, maar hierover later).

De volken of heidenen hebben de schepping op verschillende manieren beschouwd:

  1. Als kringloopde afwikkeling van dagen en seizoenen, opbloeien en verzinken. Ook de dood behoort daar gewoon bij als iets natuurlijks. Het waren vooral de Kanaänieten, de oorspronkelijke bewoners van het beloofde Land, in wier gedachtegang deze kringloop in het midden stond en dit (als tegenhanger van de dood) in combinatie met de vruchtbaarheid. Vandaar de verering van het stierkalf, het ritueel onder grote bomen en de tempelprostitutie (stierkalf: Ex. 32:4, 1 Kon. 12:29. diensten onder bomen: Deut. 12:2, 1 Kon. 13:23. tempelprostitutie: Ex. 34:15-16, Num. 25:1-2). Omdat dit alles zo voor de hand ligt, was dit de hele O.T.-tijd een grote verleiding voor Israël. Overigens niet groter dan ons modern zich vergapen en verslingerd- zijn aan het materialisme dat aan alle kanten uit onze samenleving straalt.
  2. Als vaagheid: door het speculeren over allerlei ongecontroleerde abstracte grootheden, met name de scheiding van lichaam en ‘ziel’, waarbij dan de ziel het blijvende zou zijn. Het waren vooral de Grieken, die hierover filosofeerden. In andere vorm vinden we dit in het boeddhisme. Bij Israël vinden we deze dwaling in de tijd na die waarover het O.T. handelt: het hellenisme; dit heeft op de Farizeeën uit de N.T.-tijd een grote invloed gehad. Bij de christenheid heeft de leer van de onsterfelijke ziel een enorme opgang gemaakt; eerst in onze eeuw is dit door de hernieuwde belangstelling voor het O.T. enigszins teruggedrongen.
  3. Als noodlotalles ligt van te voren vast, hetzij in de astrologie (met name de Egyptenaren; modern “het staat in de sterren geschreven”), hetzij in hemelse boeken (met name bij de Essenen in Qumran, later op grote schaal overgenomen door de islam). Ook aan de noodlotsgedachte kan de christenheid zich maar moeilijk onttrekken; in de vorm van een of andere voorzienigheidsleer heeft men maar al te vaak God en het lot verwisseld. En ook Calvijn’s uitverkiezingsleer kan zich onmogelijk van noodlotselementen geheel vrijmaken, hoe ijverig dat ook is geprobeerd.

De kringloopmet zijn eindeloze herhaling is op den duur onuitsprekelijk vermoeiend (aldus ook Pred. 1:1,8) en in wezen ijdelheid. Er is alleen een hoop op korte termijn, niet op lange termijn. Achter de wolken schijnt de zon, jawel, maar de zon gaat straks onder en er komen toch weer nieuwe wolken; dat blijft eindeloos doorgaan. Dat de vrouw hier tekort komt, is zonder meer duidelijk: gewaardeerd als verbindingsschakel met de godheid (tempelprostitutie!) en om kinderen voort te brengen als stuk van de natuur en meer niet. Ook het vereren van de macht ligt voor de hand; het stierkalf en de zon zijn symbolen van kracht en die moet men, in zijn eigen belang, te vrind houden. In de vorm van vele goden wordt in werkelijkheid slechts geloofd in een godheid als onpersoonlijke kracht.

De leer van de onsterfelijke ziel miskent in wezen de heerlijkheid van de schepping. Wie het lichaam ziet als kerker (zoals de Grieken) of als noodwoning (zoals vele christenen) verlangen erna deze te verlaten. Immers slechts de ziel is van goddelijke oorsprong en kan met God verenigd worden; het lichaam is het lagere, uit de aarde en bestemd om te vergaan.

Ook het boeddhisme, eveneens een geloof met veel vaagheid, streeft naar onthechting: een verlossing uit het lichaam en het stoffelijke, niet een verlossing van het lichaam en het verder geschapene. Boeddha wil alles oplossen in het Nirwana, het zalige en volstrekte niets, geen heiliging van de schepping.

De Griekse filosofie heeft weinig belangstelling voor het verschil tussen goed en kwaad (behalve kwaad dat in strijd is met het eigenbelang). Op enigszins andere wijze is dat ook het geval met de leer van de onsterfelijke ziel, althans met de gevolgen daarvan: bij de aanhangers ontbreekt ook veelal de drang naar een andere wereld of de vurige hoop op een nieuwe aioon; men heeft geen wezenlijke belangstelling voor de huidige boze wereld, want die gaat toch voorbij en men verlangt slechts naar “het vaderhuis”. Van het boeddhisme kan ongeveer het zelfde worden gezegd, al keren deze zich consequenter tegen het vereren en toepassen van macht en geweld.

Ook de leer der voorbeschikking (determinisme) is weinig hoopvol. Van de liefde van een almachtig, allesbeslissende God tot Zijn schepselen kan nauwelijks sprake wezen. Calvijn heeft met zijn leer nooit duidelijk kunnen maken dat de verkiezende en tevens verwerpende God Liefde is; Hij is alleen maar lief voor Zijn uitverkorenen. Voor de anderen is Zijn almacht tevens recht en daarmee uit!

Alleen Israël als volk van de geschiedenis heeft geweten van een God, Die met Zijn schepping voortgaat naar een vastgesteld einddoel. Dat doel (de volstrekte heerschappij van God) staat vast, maar de weg daarheen laat allerlei mogelijkheden tot verandering open. Ook God Zelf kan veranderen. Hij kan ‘berouw’ hebben (beter te spreken van ‘spijt’) over hetgeen Hij deed of sprak. Hij had berouw en smart over de gang van zaken bij de adamieten (Gen. 6:6); Hij vaagde hen weg met de zondvloed. Hij had berouw over de aangekondigde ondergang van Nineveh; toen Hij hun bekering zag deed Hij het niet (Jona 3:10). Bij Israël is Gods berouw een duurzaam element van Zijn verbond. (Ps. 106:45 St. Vert.).

Dit veranderen is noodzakelijk om ten alle tijden de mogelijkheid te behouden Zijn doel te bereiken, ondanks de zelfstandigheid en vrijheid die Hij aan de mensen heeft gegeven. Een duidelijk voorbeeld is Gods gang met Israël als Trekgod door de woestijn naar het beloofde Land: Hij laat Zich voortdurend door Mozes bepraten (Ex. 32:11-14, Deut. 32:36), om met Israël (of desnoods met een overblijfsel daarvan) verder te gaan.

Dit voortgaan berust hierop, dat niet alleen (zoals we reeds bespraken) de schepping als zodanig het koninkrijk Gods tot einddoel heeft, maar ook dat elk mens de aioon in zijn hart heeft. (Pred. 3:11a). D.w.z. dat de mens het verlangen naar zo’n rijk met de geboorte heeft meegekregen: het komen van een andere, betere tijd dan nu.

De vraag is natuurlijk, welke voorstelling men van zo’n heilsrijk maakt en hoe men dat denkt te bereiken. Zoals de mens zich goden kan maken, naar zijn eigen beeld, zo maakt hij zich heilsrijken naar eigen lust. Het Walhalla met bier drinken uit de schedels der verslagen vijanden, het heilsrijk van Hitler zonder Joden en zwakkelingen zijn daar voorbeelden van. Ook de vele christelijke fantasieën over een hemel met gouden straten en met palmtakken wuivende scharen, liggen op dit vlak.

Al laat de Bijbel vele vragen over de toekomst onbeantwoord, wat betreft dat heilsrijk is hij toch bepaald niet onduidelijk. Grote delen van het O.T. spreken van een Messiaans Rijk. En hoe verschillend die getuigenissen en beelden hierover ook zijn, een ding is zonder meer duidelijk: dat rijk is op aarde en Israël heeft daarin een belangrijk taak. En nu moge het N.T. aan dit aardse rijk een hemelse dimensie toevoegen, de belofte van en de hoop op dat aardse heilsrijk blijven. Alleen als men de volwaardigheid van het O.T. loslaat, omdat dit achterhaald zou zijn (dus onder invloed van de hellenistische filosofie), zal de aioon in het hart plaats maken voor hemelverlangen. En dit ligt bedenkelijk dicht in de buurt van de hoop die het boeddhisme geeft.

Het verlangen naar een heilsrijk is dus op zichzelf een rechtmatige zaak (Elke sabbat wordt Israël hieraan herinnerd door het zingen van Ps. 92. Dit is een lied “voor de sabbatdag”, maar het gaat daar eigenlijk helemaal niet over, doch over het Messiaanse Rijk). Maar deze belofte is gegeven door een God Die Zich verborgen houdt. Dit ligt reeds opgesloten in het woord zelf. Het Hebreeuwse woord voor aioon is olam, dat is afgeleid van alam = verbergen. Gods plan der aioonen is een verborgen plan. Het wordt geopenbaard, telkens bij gedeelten, voor zover dit voor de voortgang der wereld of het inzicht der gelovigen noodzakelijk is. Het vereist Bijbels inzicht en vertrouwen in de voortgaande God, om dit plan te overzien.

In dit verband is het niet ondienstig om nog een andere afleiding van ‘alam’ te vermelden, nl. ‘almah’ – jonge vrouw. Een vrouw heeft uit- en inwendig veelal de neiging zich min of meer verborgen te houden; ze heeft altijd iets raadselachtigs over zich, voor zichzelf en voor anderen. Psychologen kunnen dat enigszins toelichten; voor ons is het voldoende te herinneren aan het vrouwelijk karakter van het Koninkrijk Gods: het is niet op kracht maar op liefde gebaseerd. De verborgenheid van dat Rijk heeft te maken met het kwetsbare ervan,

Vandaar dat Prediker, als hij zegt dat God de aioon in het hart van de mens heeft gelegd, er aan toevoegt: zonder dat de mens het werk van God, van begin to het einde, kan uitvinden. (Pred. 3:11b). Om daar althans iets van te zien, is openbaring nodig, d.w.z. inzicht van Hogerhand aangereikt, plus gehoorzaamheid de aangewezen weg te gaan.

Platvoerse, op macht en zingenot gerichte geesten zullen Gods plan, dat tegelijk geopenbaard en verborgen is, niet begrijpen. Israel heeft, als het enige volk ter wereld, het aangedurfd op weg te gaan met die verborgen en desondanks persoonlijk God. De andere volken kunnen zeggen dat ze die kans niet hebben gekregen; maar men kan bepaald niet zeggen dat ze er blijk van hebben gegeven jaloers te zijn op Israël. Hetgeen wel de bedoeling is en in het Messiaanse Rijk zal dat ook inderdaad gebeuren! (Zach. 8:21-23).

Ondanks het feit dat ook Israël dat op-weg-gaan en die gehoorzaamheid vaak en langdurig niet heeft opgebracht. Begrijpelijk en onbegrijpelijk tegelijk: een verborgenheid op zichzelf!

Uit: Gods verborgenheid – van dhr. K.A. den Breejen … wordt vervolgd!

ABRAHAM, GODS ANTWOORD OP BABEL

Na de zondvloed stak al spoedig de zonde als opstand tegen God en Zijn bedoelingen weer de kop op. Ze bereikte een voorlopig hoogtepunt in Nimrod, nakomeling van Cham, die een opjager tegen het aangezicht van Jahweh genoemd wordt (Gen. 10:9). Deze bouwde Babel, een stad die in de gehele Bijbel het symbool is van het verzet tegen God, en de tegenhanger van Jeruzalem (Openb. 18.). Dan wendt God Zich van de volken af; ze worden ‘heidenen’ (letterlijk: mensen die verre zijn). Ten bewijze dat dit slechts tijdelijk is, ja dat deze handelwijze de enige weg is, waarin God de volken kan bereiken, worden ze (voor zover toen bekend) in Genesis 10 nog eenmaal alle 70 opgenoemd; dit is de plaats van de volkeren tafel in de heilsgeschiedenis. (Gen. 10:1-32).

 

Dat het machtsbeginsel, dat in de schepping zo sterk heeft doorgewerkt, uiteindelijk de schepping moet vernietigen, zien we reeds bij de torenbouw in het Babel van Nimrod en de daarop volgende spraakverwarring. (Gen. 11:1-9). God, die EEN is, (aldus de belijdenis van Israël) wil ook hier de waarachtige eenheid der mensen, maar dan naar Zijn orde, waarop de schepping structureel is aangelegd. Hoewel Satan ook een eenheid wil, maar dan van een andere aard, kan hij hierin niet slagen. Immers hij heeft niet een eigen wereld geschapen, doch een bestaande wereld uit haar voegen gelicht, na er eerst op geparasiteerd te hebben. Daarom kan Babel niet blijven bestaan, al verschijnt het telkens in andere gedaante opnieuw. Totdat aan het einde van deze aioon Babel definitief verdwijnt. (Openb. 18:2 vv.).

Gods antwoord op Babel is Abraham. Niet Job, hoe groot hij ook was. In JOB lezen we de grondslagen waarop Gods schepping rust, maar niet Gods bedoeling met de schepping. Nog minder de weg waarlangs God dit doel wil bereiken. De gelovige volhardende Job moet het, evenals alle heidenen, doen met het geloofsvertrouwen, dat Gods wegen hoger zijn dan onze wegen. Maar met Abraham gaat God om als met Zijn vriend en vertelt hem van Zijn verborgen voornemen.

Babel betekent verwarring (lett. babbelen; de wereld klets in de ruimte). Deze aioon zal eindigen met het bereiken van de EEN-heid. (Zach. 14:9). Op weg daarheen slaat God als het ware een omweg in. Een omweg is niet de kortste weg; ze kan wel de vlugste zijn als de kortste weg geblokkeerd is. Daarom beperkt God tijdelijk Zijn bijzondere bemoeienis met de mensheid tot één volk, om via dit volk de gehele wereld te behouden door het Zijn wegen te leren. Daartoe wordt Abraham en in hem Israël uitverkoren.

De Bijbel kent verschillende uitverkiezingen. Ze hebben alle het doel de uitverkorenen voor anderen ten zegen te zijn. Dat was reeds eerder het geval geweest met Adam, uitverkoren om de toenmalige mensheid tot zegen te zijn. Uitverkiezing is dus een werkwijze van God om tot Zijn doel te komen. Binnen het éne heilsplan, dat alle mensen omvat (Efz. 1:10, 1 Kor. 15:28) zijn er vele verkiezingen om dat plan uit te voeren. Waarom Hij de aarde heeft uitverkoren, weet niemand; er bestaan veel grotere planeten, maar alleen de aarde heeft Hij tot een bewoonbaar oord willen scheppen.

Waarom God Adam heeft uitverkoren te midden van andere schepselen, is onbekend. Waarom Hij later Abraham nam, een afgodendienaar uit Ur (Deut. 26:5) en niet bijv. Melchitsedeq, blijft Zijn geheim. Waarom bijv. Mozes, Jeremia, Maria en Paulus geroepen werden tot een taak waar ze niet om hadden gevraagd, God heeft het er niet bij gezegd. Maar al die uitverkorenen hadden één gemeenschappelijk kenmerk: ze moesten anderen tot zegen zijn. Dit geldt ook van twee belangrijke uitverkoren groepen: Israël als volk en de bijzondere groep, die het Lichaam van de Messias wordt genoemd.

Dit houdt in dat de uitverkiezing niet de verwerping als keerzijde heeft. Dat met name Calvijn dit er van heeft gemaakt kwam voort uit een ontoelaatbare vereenvoudiging van Gods heilsplan. Bij hem, (maar ook bij vele anderen) zijn er na het sterven voor de mens slechts twee mogelijkheden: de hemel of de hel, beide eindeloos. Omdat God vrijmachtig is, kan Hij naar eigen verkiezing Zijn schepselen bij voorbaat tot het één of het andere bestemmen. Dit wordt soms wel iets afgezwakt door de keus aan de mens te laten, maar omdat God alwetend is, staat bij Hem het lot van de mens al bij zijn geboorte vast. Zodoende wordt uitverkiezing een kwestie van heilsbestemming in plaats van een (soms hardhandige) roeping tot heilstaak.

In deze gedachtegang ziet en slechts enkelingen als voorwerp van de uitverkiezing; dat Israël als volk de voornaamste drager van het heil zou zijn, ziet men geheel over het hoofd. Trouwens, eigenlijk ziet men Israël helemaal niet; dat ze een heilstaak hadden, was slechts tijdelijk, want ze waren de kerk van het oude verbond, zoals de kerk het Israël van het nieuwe verbond is. En om dit laatste zou het dan te doen zijn. Dat heeft dan weer tot gevolg, dat men het Messiaanse Rijk (het zg. duizendjarig Rijk als voorlopige aardse heilstijd) ontkent of terugbrengt tot de “heilsdagen” die met de komst van de kerk zouden zijn aangebroken. Al deze misvattingen hangen met elkaar samen. Ze zijn geenszins onschuldig zoals de geschiedenis duidelijk leert: de noodlotsleer der verwerping, die velen tot wanhoop en sommigen zelfs tot zelfmoord bracht; het anti-semitisme en de pogroms, en het verwaarlozen van de aardse taak der christenheid komen – met nog andere hier niet genoemde euvelen – alle voort uit het niet willen verstaan en aanvaarden van de uitverkiezing van Israël.

Verwerping is slechts daar, waar men willens en wetens Gods geboden overtreedt en zichzelf zodoende maakt tot verklaarde vijand van God. Daarmee is tegelijk gezegd, dat er behalve de gelovigen (zowel de geestelijk-volwassenen als de kleingelovigen) en die vijanden nog een brede schare is, die noch het een noch het ander is. Zij komen eerst na het Messiaanse Rijk tot opstanding en zullen dan geoordeeld worden naar hun werken. Zij, wier gemeenschap met God ontoereikend was om deel te hebben aan de eerste opstanding kunnen, op grond van hun goede werken (d.w.z. goed voor zover men die van hen in hun omstandigheden mocht verwachten) toegang krijgen tot de nieuwe aarde alwaar het geboomte des levens maandelijks vrucht draagt en welker bladeren zijn tot genezing (lett. therapie = méér dan genezing) der heidenen. Deze ‘middenweg’ willen we geenszins als aantrekkelijk aanprijzen; haar bestaan is op zichzelf reeds voldoende om aan Calvijn’s uitverkiezings- en verwerpingsleer haar noodlotskarakter te ontnemen.

Keren we terug naar Abraham. Zijn roeping hield in, dat hij God op Zijn woord moest gaan vertrouwen, ook al is van de verwerkelijking der belofte niets te zien. Allereerst de belofte, dat zijn nakomelingen zouden uitgroeien tot een groot volk, dat in het beloofde Land mocht wonen. Daarenboven dat ze zouden lichten als de sterren aan de hemel.

Abrahams geloof werd telkens beproefd: hij moest afstand doen van zijn familie en hun goden (vertrek uit Ur); afstand van de wereldgelijkvormigheid (afscheid van Lot); afstand van de vrome zelfhulp (wegzenden van Ismaël); ja zelfs afstand van de goddelijke gaven (bereid om de zoon der verwachting te offeren). Daardoor groeit zijn geloof; Abraham leert dat het ware leven door lijden wordt verkregen. (Gen. 22:1-9, Hebr. 11:8-19).

Zo wordt Abraham de vader van alle gelovigen, óók voor die buiten Israel. In hem beginnen twee lijnen. De eigenlijke Israëlitische lijn begint bij het verbond der besnijdenis; hierbij zijn alle beloften afhankelijk van voorwaarden! Van hieruit loopt een rechte lijn naar de Wet van Mozes. Doch reeds eerder (Gen. 15:6 [besnijdenis in Gen. 17:4; dus later]) wordt een boven-Israëlitische lijn aangegeven, nl. dat God het vertrouwen op Zijn woord als gerechtigheid toerekent. D.w.z. dat het geloof (maar dan niet als het aannemen van een léér, doch als een vertrouwensverhouding, met alle consequenties van dien) ons in de rechte verhouding tot God stelt. Deze lijn blijft evenwel grotendeels verborgen gedurende de tijd van het O.T. en de evangeliën.

Eerst in de prediking van de apostel Paulus komt zij (met het oog op niet-Joden) opnieuw naar voren. (m.n. in Rom. 4). De ware betekenis van de rechtvaardiging door het geloofsvertrouwen is pas goed te begrijpen als men eerst de massalitiet en de gruwelijkheid van de zonde leert doorzien. Vandaar dat reeds in Gen. 15 gesproken wordt van de verdrukking van Israël in Egypte én de bevrijding daaruit, terwijl Paulus dit alles plaatst tegen de achtergrond van de moord op de Messias. Vandaar ook dat het geloof van de eenling Abraham (of dat van Izaak, Jakob en Jozef inbegrepen) geen blijvend hoogtepunt was.

Wil dat geloof voor de gehele wereld doorwerking hebben, dan moet eerst een heel volk met God leren omgaan en daartoe door God onderricht worden. Daartoe werd Mozes geroepen, die Gods Wet (Torah, d.w.z leer, onderwijzing [vgl. Spr. 1:8, Jes. 42:4, waar Torah met leer is vertaald]) mocht doorgeven. Sterk vereenvoudigd gezegd: het geloof van Abraham beperkte zich tot het eerste grote gebod: de liefde tot God; daarin kan een welgestelde eenling het misschien ver brengen. Israël moest ook het tweede gebod leren kennen en beoefenen: de naastenliefde. Daarvoor komt heel wat meer kijken, vooral als men ook te maken heeft met moeilijke levensomstandigheden. Daarom is de weg van Israël zo lang.

Was Abraham ten opzichte van Job een omweg, Mozes was dat ten opzichte van Abraham opnieuw. En later zouden de ballingschappen nieuwe omwegen blijken te zijn. Zo werd Israël het volk van de geschiedenis (d.w.z. het volk aan wie wij de voortgang van Gods handelen kunnen afzien).

Uit: Gods verborgenheid – van dhr. K.A. den Breejen … wordt vervolg!

JEZUS VAN NAZARETH

Als er één manier was, waarop God in het verborgen heeft willen werken, dan was het wel in de komst van Jezus van Nazareth. Geboren in een kleine stad, weliswaar met een eervolle traditie, maar waar verder in het N.T. nooit meer op gezinspeeld wordt. Tijdens doorreis, op een onbekende datum, met ouders wier verhouding in elk geval vragen oproept die het N.T. onbeantwoord laat. Verder dertig jaar volslagen incognito, behoudens een kort verhaal uit de tijd dat Hij twaalf jaar werd. Noch het getuigenis van de herders over de engelenzang, noch het bezoek van de wijzen uit het Oosten hadden bij Zijn optreden een blijvende herinnering overgelaten.

We beginnen de christelijke jaartelling met de geboorte van Jezus, doch erg gelukkig is dat niet. Daargelaten dat niemand dat toen wist en afgezien van een rekenfout, kan men onmogelijk zeggen dat Jezus kwam in het jaar 0, alsof de wereld eerst met Hem begon. Hij kondigde wel een nieuwe, messiaanse tijd aan, maar die is toch niet gekomen. Men zegt wel dat met Hem “de laatste dagen” aanvingen, maar dat kan alleen als men gaat beweren dat het Rijk reeds op onzichtbare wijze (of in de kerk) begonnen is.

Men kan ook niet zeggen, dat Hij kwam om alles te veranderen, of dat er Zijns ondanks veel veranderde. Hij heeft Zich veel moeite gegeven te laten zien dat Hij een wets getrouwe Jood was. En het merkwaardige is dat Hij nu juist daarop gestruikeld is. Al kan men achteraf beter zeggen, dat God Hem weer opgericht heeft, doch dat Israël over Hem en de Wet gestruikeld is.

Hij kwam in een tijd dat er veel corruptie was, politiek, financieel en religieus. En als men, zoals Hij, daar tegenin gaat wordt dit nooit in dank afgenomen. We raken hier het grote raadsel in de heilsgeschiedenis, hoe Israël er toe kwam Hem als Messias niet te herkennen en te erkennen. Een raadsel dat we in het volgende hoofdstuk nog iets verder willen overdenken, zonder het bevredigend te kunnen oplossen.

Als christenen moeten we dit vooral niet al te dogmatisch bekijken. Men kan Jezus tijdens Zijn rondwandeling op aarde slechts beoordelen vanuit de Wet en de Profeten; hierop heeft Hij zich beroepen. Een beoordeling vanuit een andere grondslag maakt van Hem iets wat Hij niet was. Dit mag in het “gesprek met Israël” nooit worden vergeten.

Bij ons ligt zo sterk de nadruk op Zijn godheid, dat we zijn mens-zijn meestal als niet zo belangrijk terzijde schuiven. Men meent dan dat slechts als men een rechtzinnige mening over Jezus heeft, d.w.z. erkent dat Hij de tweede persoon is in de goddelijke drie-eenheid, men in aanmerking kan komen voor het binnengaan van de hemel (wat tevens het eindpunt van het heil zou zijn). Immers wie dat niet erkent, geeft Jezus te weinig eer en dat is de grootste zonde, die men kan bedenken. Zulks gemotiveerd met een aantal teksten, zoals Joh. 14:6 “Niemand komt tot de Vader dan door mij!”; (zoals de Heidelbergse Catechismus beweert (vraag 7).

Nu lijkt het zo vanzelfsprekend, dat Hij mens was, als onze één. Toch zit nu net dáár het bijzondere. Want Hij was niet zomaar een mens, maar de Mens zoals God hem hebben wil. Zitten we onlosmakelijk vast aan de natuurwetten en de macht structuren, Hij was daar innerlijk los van, ook al was er een uiterlijk verbintenis. Als Paulus later de (uit Israël afkomstige) leer van de oude mens tegenover de nieuwe mens verder gaat ontwikkelen, dan hebben we in Jezus de nieuwe Mens als model voor ons. En het is heel wat gemakkelijker om er een stelling op na te houden dat Jezus God was (hetgeen we alleen maar kunnen zeggen, maar nooit begrijpen; want wie weet Wie of Wat God nu eigenlijk is??), dan om te zeggen: O, is dat nu de nieuwe mens, die als navolgenswaard ons wordt aangeboden, nou dat zullen we dan in vreugdevolle gehoorzaamheid gaan doen!

Dat er van de christenheid zo weinig is terechtgekomen, in elk geval geen heilstaat, komt niet omdat er onvoldoende mensen zijn die Jezus’ godheid belijden, maar omdat er te weinig zijn die Hem als Mens in geloofsvertrouwen aanvaarden en navolgen.

Wat kwam Hij doen?

In elk geval geen wereldkerk stichten; er is niets in het N.T. dat daarop wijst. (Ook de apostelen hebben geen wereldkerk gesticht.) Wat dan wel?

We zeiden al dat Hij een Wetsgetrouwe Jood was. Hij wist Zich door God geroepen de Messias van Israël te zijn en zag het als Zijn taak het Messiaanse Rijk aan Israël te brengen. Daarvoor was het nodig dat Israël zich bekeerde van alle corruptie en verdere boze daden. En dat met name allerlei soorten machthebbers bereid zouden zijn hun macht slechts op de juiste wijze te gebruiken. Anders gezegd: Israël moest de Wet houden!

Laat men nu niet zeggen dat dit niet kan. Dat heeft het christendom (aan wie de Wet overigens nooit gegeven is) er van gemaakt, door gebrek aan kennis van het O.T. en beïnvloed door een rationalistisch perfectionisme. De Wet is nooit gegeven aan een zondeloze Adam in het paradijs, maar aan een volk van zondaren, waar God iets mee bereiken wilde voor het oog van de gehele wereld. We zien dit kort samengevat in Mozes’ afscheidsrede (Deut. 30:11-14): het doen van Gods wil was voor Israël geen onmogelijke opgave. De mogelijkheid van struikelen was daarbij inbegrepen: heel het ritueel van de tabernakel, later tempeldienst was erop gericht dat de zonden vergeven konden worden. Wet en zonden vergeving sluiten elkaar niet uit, maar in. Want de vergeving berust bij Hem, Die in Zijn genade de Wet aan Israël gaf, opdat alle volken Zijn wegen zouden leren.

Daar moet men natuurlijk geen loopje mee nemen. Dan komen we terecht bij de goedkope genade. Doch aan de andere kant is het niet mogelijk de Wet zodanig te houden dat men, door zorgvuldige vermijding van alles wat niet mag, zó rechtvaardig tegenover God zou staan, dat men die vergeving nauwelijks meer nodig heeft. En nog minder heeft men de Wet begrepen, als men uit haar een verdiensten leer gaat afleiden, waarbij via een soort puntentelling bij een gunstig saldo men recht zou hebben op de toegang tot het Koninkrijk Gods. Oók van deze dwaalweg moest Israël zich bekeren, wilde het Messiaanse Rijk kunnen beginnen.

De kern van Jezus’ boodschap was: de vergeving der zonden. Niet in het algemeen, maar concreet in de toenmalige omstandigheden. Hij predikte het Evangelie van het Koninkrijk (Matth. 4:23, Luk. 8:1): allen die zich bekeerden (d.w.z. omwenden van hun boze werken en/ of hun vrome eigenwaan konden deel hebben aan de oprichting van het “rijk der hemelen”.

“Rijk (of heerschappij) der hemelen” is een Joodse uitdrukking die alleen door Mattheus wordt gebruikt; de andere evangelisten spreken over “Rijk Gods”. Maar ook Mattheus spreekt soms van “Rijk Gods”; eenmaal gebruikt hij beide uitdrukkingen in dezelfde tekst. (Matth. 19:23-24). Dit is geen willekeur of spreek fraaiigheid, maar bedoelt een onderscheid aan te geven; wanneer we daarop letten worden ook andere bijbel plaatsen duidelijker.  Welnu: “Rijk der hemelen” is niet een Rijk in de hemel of die hemel zelf, maar een rijk op aarde, geheel gekenmerkt door hemelse wetten. En dat is niets minder dan het Messiaanse Rijk zelf.

Vandaar de proclamatie: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij gekomen; bekeert u en stel vertrouwen in deze nieuwstijding.” (Mark. 1:14-15; met ‘het evangelie’ wordt niet een christelijke leer of dogma bedoeld, zoals M. Buber ten onrechte meent). Men kan het eigenlijk zo stellen: het koninkrijk der hemelen (dus op aarde) is een onderdeel van het koninkrijk Gods (dat aarde en hemelen omvat). We zagen reeds dat het Messiaanse Rijk niet het eind- noch het hoogtepunt is van Gods heilsplan; het is wél een noodzakelijk tussenstation.

Jezus’ komst veronderstelde zonde en schuld. Deze zijn, hoe ernstig ook, uiteindelijk niet beslissend of noodlottig. Wie zich bekeert, kan verzekerd zijn van vergeving der zonden. Dit was op zichzelf geen nieuws; ook de Wet spreekt daar uitvoerig over. Het grote nieuws was, dat die bekering toen geen uitstel meer gedoogde, dit temeer omdat het duidelijk werd dat die bekering heel wat radicaler moest zijn dan wat men er in de gezapige voortgang der dagen van maakte.

De verbinding tussen het Messiaanse Rijk en de vergeving der zonden zien we het duidelijkst in het “Onze Vader”, bij een strafrede tegen de Farizeeën, in de gelijkenis van de onbarmhartige dienstknecht en bij Jezus’ profetische woorden tijdens Zijn afscheidsmaal. (Matth. 6:9-15, 12:28, 31-32, 18:21-23, resp. 26:28-29).

Maar om nu goed duidelijk te maken wat de Wet, het Koninkrijk en de vergeving der zonden in hun onderlinge samenhang betekenen, worden de lijnen daarvan bijkans tot in het onmogelijke doorgetrokken. We zien dat vooral in de Bergrede. Het liefhebben van de vijand, het zich onttrekken aan aardse zorgen net als de vogels en de lelies, het onbeperkt geven van hetgeen men vraagt, enz. zijn dingen die, als we ze zonder meer willen toepassen, ons in onoplosbare conflicten brengen. Heeft bijv. een weduwe, die geprezen wordt omdat ze haar hele schamele bezit in de tempelschatkist wierp, dan geen verder verplichtingen tegenover haar kinderen en moet ze vanaf dan maar teren op andermans zak? Of: wie ontkomt er aan om zelfs meer dan twee heren te dienen met hun tegenstrijdige belangen? Wie van Jezus’ boodschap een handleiding maakt voor ons dagelijks leven, loopt hopeloos vast, gesteld dat hij het overleeft.

Het is waarlijk geen verlegenheidstheologie om te onderzoeken of de prediking van Jezus niet een andere bedoeling had dan om zonder meer te worden gevolgd. Iets soortgelijks geldt van Zijn zg. wonderen, die zich ook niet lenen voor herhaling. Iemand kan gemakkelijk aan anderen voorhouden niet bezorgd te zijn, wanneer hij in staat is om broden te vermenigvuldigen en water in wijn te veranderen, maar geen volgeling heeft het ooit nagedaan! De gevallen van ziekengenezing op gebed bij christenen zijn in elk geval pover gebleven in aantal, zeker wanneer men de gevallen er aftrekt die zo’n genezing psychologisch verklaren. En doden zijn na Hem nimmer opgewekt, behalve in het bijzondere geval-Dorkas. (Hand. 9:41. Mogelijk ook nog Hand. 20:10).

Die zg. wonderen worden altijd tekenen genoemd. Ze behoren geheel thuis in de leer van Deuteronomium: als Israël zich bekeert brengt dit heil, zelfs al geschiedde dit op een manier die niet “natuurlijk” kan worden verklaard. De tekenen legitimeren de nabijheid van het Koninkrijk. De keerzijde is het oordeel: als Israël zich niet bekeert komt onvermijdelijk de val van Jeruzalem en de grote verstrooiing: het Koninkrijk is dan niet langer nabij, en de Koning is afgereisd naar een ver gelegen land. Noch de tekenen zijn bestemd om door de christenheid te worden nagevolgd, noch het oordeel dreigt hen. Wat dit laatste betreft: we wezen reeds op het lot van Ananias en Saffira (Hand. 5), dat zich ook niet heeft herhaald.

De evangeliën leren ons, hoe vreemd dat op het eerste gezicht mag lijken, geen Jezus Wiens levensloop dogmatisch was bepaald. Ook geen Jezus Wiens voornaamste taak het was een nieuwe leer te verkondigen, een nieuwe gemeenschap te stichten of een nieuw ideaal ter navolging te geven. Hij kwam om de Wet en de Profeten tot volheid te brengen; daarom was Zijn “moeten gaan naar Jeruzalem” een profetische noodzakelijkheid (Matth. 5:17, 16:21), een Messias-zijn buiten de stad van David een onmogelijkheid. Hij kwam om een dienaar der besnijdenis (d.w.z. Israël) te zijn, opdat Hij de beloften aan de vaderen zou bevestigen. (Rom. 15:8).

Maar het is nu eenmaal zo dat de profetie en de beloften altijd te maken hebben met de verborgenheid van God. God werkt op een andere wijze dan men zou kunnen verwachten en dat is bij de komst van Jezus niet anders.

Hoe groot Gods verborgenheid is toen Hij zich in Jezus als Messias openbaarde, blijkt wel uit twee bekende figuren: Johannes de Doper en Petrus. Meestal vinden we Petrus groter dan Johannes de Doper. Gaf hij niet de goede belijdenis over Jezus: “Gij zijt de Messias, de Zoon van de levende God”? (Matth. 16:16). En de Heer prijst hem daarom: “Gelukkig ben je, Petrus, want vlees en bloed (d.w.z. aardse stervelingen) hebben je dat niet onthuld, maar Mijn Vader die in de hemelen is!”

Vergeleken hiermee valt Johannes de Doper erg tegen. Vanuit de gevangenis zendt hij leerlingen naar Jezus met de vraag: “Zijt Gij Degene Die komen zou, of hebben we een andersoortige (grieks: heteros, d.w.z. van een andere soort. Te onderscheiden van ‘allos’, d.w.z. een ander exemplaar van dezelfde soort, bijv. Matth. 5:39: een andere wang) te verwachten.

Toch wagen we het te zeggen dat Johannes de Doper beter begrepen heeft waar het om ging dan Petrus. Men bedenke dat ook Johannes de Doper een goede belijdenis over Jezus had gegeven: “Hij moet wassen, ik moet minder worden.” Ook deze woorden waren, evenals die van Petrus, hem door de Vader gegeven. (Joh. 3:27-30). Wie brengt dat op??

Maar waarom gaat Johannes de Doper dan twijfelen? We kunnen beter vragen: Waaraan twijfelt hij? Voor hem waren de komst van de Messias en het Messiaanse Rijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als de Messias kwam, zou de wereld veranderen. Nou komt Jezus, predikt en … er verandert niets! De vraag van Johannes de Doper is dan ook: Waar blijft nu dat Rijk, door de profeten onthuld? Moet het dan toch een andersoortige zijn, iemand die het anders doet dan Jezus? Of is Jezus op de goede weg, maar duurt het allemaal wel wat erg lang?

Jezus heeft Johannes de Doper beslist niet als een ontrouwe volgeling laten vallen. Na Zijn antwoord te hebben gegeven, roemt Hij tegenover de schare Johannes’ standvastigheid: hij is geen riet door de wind heen en weer bewogen. Integendeel: een groot profeet. In hem gaat de laatste profetie van het O.T., over de wederkomende Elia (als voorloper van de Messias) in vervulling. Tenminste … als Israël diens boodschap aanneemt. Wie oren heeft om te horen: hij hore! (Matth. 11:2-15, vgl. Mal. 4:4-6).

Johannes de Doper heeft er begrip voor gehad dat profeten kwalijk behandeld zouden worden, of zelfs gedood. Hij heeft dat lijden ter wille van zijn taak niet geschuwd, of door een compromis vermeden. De gevangenis van Herodes was nog wel te verdragen. Maar wat niet te verdragen was, was dat desondanks het Rijk niet kwam en dat Jezus daar niet de minste haast mee scheen te maken! Wat Johannes de Doper niet wist (en ook niet kon weten) was wat wel genoemd wordt: de insnijding van de profetie, d.w.z. een profetie wordt soms voor een deel vervuld en het overige niet, ook al noemt de profetie die twee delen in één adem.

Het duidelijkste voorbeeld daarvan is Jes. 61:1-2, als tekst van de enige preek die ons van Jezus bewaard gebleven is. (Luk. 4:17-19). Jezus spreekt daar wel over het uitroepen van “het aangename jaar des Heren”, maar laat opzettelijk weg wat erop volgt: “en de dag der wrake onzes Gods”. M.a.w.: tussen het uitroepen van het Jubeljaar en de dag van het oordeel blijkt een tussentijd te liggen wat de vervulling betreft, ook al behoren ze wezenlijk bij elkaar. Deze tussentijd dient om Gods liefde beter te openbaren en aan Israël meer gelegenheid te geven voor de noodzakelijke bekering.

In dit licht wordt het antwoord van Jezus begrijpelijk: “Vertel wat je hoort en ziet: blinden zien weer en kreupelen lopen rond, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt de boodschap der bevrijding verkondigd; en gelukkig is hij, die in Mij geen aanleiding tot struikelen vindt.” Er moet nog heel wat water door de Jordaan stromen voordat het Messiaanse Rijk werkelijk kan komen. Johannes de Doper had zichzelf (niet en onrechte) gezien als Elia II: een boetgezant, dreigend met vuur van de hemel als het oordeel Gods, voordat de heilstijd kwam.

Maar de volgorde is anders. Het Rijk komt niet door hardhandig ingrijpen van bovenaf, ook al zal het uiteindelijk niet zonder enig bovennatuurlijk geweld kunnen. Eerst moet de wereld dat Gods liefde zo groot is, dat Hij Zich niet van de wereld afwendt als zelfs Zijn Zoon vermoord wordt. Juist dan kan God eerst in rechtvaardigheid recht spreken.

Er is altijd de neiging terug te grijpen naar onze natuur en het Rijk Gods met geweld te willen bouwen. Jezus wijst daar in Zijn nabeschouwing over Johannes de Doper nadrukkelijk op. (Matth. 11:12). Ook Johannes is daaraan niet geheel ontkomen. Daarom moet hij het doen met de verwijzing van de Heer naar de tekenen die het Messiaanse Rijk aankondigen. Tekenen die duidelijk een voor vervulling zijn van hetgeen Jesaja voorzag. (Jes. 29:18-19, 35:5-10). Een andersoortige Messias is er niet.

Maar Petrus begrijpt al bijzonder weinig van hetgeen de Vader hem laat zien. Zijn belijdenis is een formule, een goed stukje dogmatiek, doch ze mist elke diepgang. Dat blijkt al dadelijk hieruit, dat hij de Heer van Zijn taak wil afhouden als dit lijden met zich meebrengt. Ook zelf schuwt hij het lijden, hij wil zich verweren, en zwaard en compromis al heel vlug aangrijpen voor het goede doel. Wat voor Johannes de Doper een vraag was: “zo’n Messias of een andersoortige”, is voor Petrus helemaal geen vraag. Lijden? “Geen sprake van Heer, dat nooit!”

Doch daarmee wordt Petrus een “satan”, een tegenstander die een andersoortig Rijk wil dan God wil. En daarom verbood de Heer aan Zijn leerlingen om verder over Zijn Messiasschap te praten. Als zelfs Petrus er niets van begreep, hoe dan het volk?

Zo was dan Gods handelen in Jezus van Nazareth openbaring en verborgenheid tegelijk. Vandaar dat de Evangeliën eigenlijk meer leren omtrent de verborgenheid van het Koninkrijk Gods dan over het Rijk zelf.

Uit: Gods verborgenheid – van dhr. K.A. den Breejen … wordt vervolg!

DE ORDE VAN NOACH

Zo was er dan, ondanks Adams val, toch een geweldige vooruitgang in de ontwikkeling van de mensheid, zowel in technisch opzicht als wat betreft het godsdienstige. Wat dit laatste betreft, volstaan we met te verwijzen naar Abel en Henoch, beiden genoemd in de rij der grote geloofsgetuigen uit Hebreeën 11. Hun geloofsvertrouwen richtte zich op dingen, die met het natuurlijk oog niet te zien zijn: de verborgenheid van God, Die door een wereld die in het boze ligt toch Zijn weg gaat naar Zijn einddoel.

Maar ondertussen nam ook het boze in de wereld zowel in hevigheid als in hoeveelheid toe. Wat Kain in enkelvoud presteerde, met althans nog enig gevoel dat er iets verkeerds was gegaan, deed Lamech in veelvoud (Gen. 4:13-14, resp. vs 23-24) en hij ging dat nog bezingen ook!

Het kwaad kan op een bepaald ogenblik zo groot worden, dat zelfs de mogelijkheid van het goede verloren dreigt te gaan. De lange leeftijden van die dagen (Nawerking van de invloed van de boom des levens in de Hof van Eden. Na de zondvloed zien we die leeftijden zeer geleidelijk dalen, met als laatste Mozes die 120 jaar werd, doch die in Psalm 90 leeftijden van 70 en 80 jaar als sterk, resp. zeer sterk noemt) werkten daaraan mee: de boosdoeners hadden een haast onbeperkt leven voor zich. Zij werden niet noemenswaard geremd door ouderdomskwalen en dreiging van de dood. De onbeperkte macht is in handen van de zondigende mens levensgevaarlijk voor de gehele schepping (iets wat van de economische macht door volken ook geldt)!

Die publieke macht en de verborgen voortgang van Gods heilsplan zijn twee dingen die elkaar niet verdragen. Het is merkwaardig dat altijd in de geschiedenis de onbeperkte machthebbers er geen genoegen mee namen om de baas te spelen in de hele wereld met alle omliggende plaatsen, maar ook behoefte hadden om de goedheid van eenvoudige mensen te dwarsbomen. Dat waren dan de zwakke mensen, die zich wel onderwierpen aan de bestaan orde, doch alleen niet wilden geloven in de valse ideologie van de macht en deswege werden vervolg of uitgeroeid. Dit is eigenlijk alleen maar hierdoor te verklaren, dat die wereldmachten gedreven werden door boven-natuurlijke krachten: de strategie van Satan, die immers niet slechts de aarde wil hebben, maar ook Gods troon wil bezetten.

In de dagen voorafgaand aan de zondvloed komt dit naar voren in de vermenging van de ‘zonen Gods’ met aardse vrouwen (letterlijk: dochters der Adamieten), waarvan reuzen het zichtbare gevolg waren. Met ‘zonen Gods’ worden hier (gevallen) engelen aangeduid. (vgl. Job 1:6, 2:1, 38:7, Dan. 3:25, Ps. 29:1, 89:7; aldus ook vele Joodse verklaringen. “Zonen Gods” is ook te vertalen als zonen der goden, omdat Elohim meervoud is. Dat zonen der geweldenaren zou zijn bedoeld is ook niet onmogelijk, er zijn trouwens ook hemelse geweldenaars). Dit is een sprekend  voorbeeld van het zaaien van schoon-lijkend doch giftig onkruid tussen de tarwe (Matth. 13:24-30), een vermenging die wij niet kunnen ontwaren, met alle gevolgen van dien.

Uiteindelijk was er nog maar één man, die oprecht en rechtvaardig was: Noach. Oprecht wil zeggen: van het goede zaad (tussen het onkruid); rechtvaardig betekent niet: zondeloos, maar de rechte verhoudingen in acht nemend. Bij hem was er nog overeenstemming tussen binnen- en buitenkant, tussen denken en handelen, tussen juistheid van een zaak en het zich inzetten daarvoor. Hij beantwoordde aan de verwachtingen, die men met recht van hem kon verwachten.

Wellicht zou het voor God technisch mogelijk zijn geweest om alle mensen uit te roeien en helemaal opnieuw te beginnen. Of althans alle nakomelingen van Adam te verdelgen en weer een nieuwe Adam te formeren. In beide gevallen zou God toch een streep gehaald hebben door Zijn vroegere werk en hebben laten varen wat Zijn hand begon. De zg. moederbelofte kon dan niet meer waar gemaakt worden. (Gen. 3:15; men lette erop dat er niet staat ‘zaad van Adam’, maar van de vrouw. Dit zaad is, evenals het zaad van de slang, een veelvoud, ook al culmineren beide in een persoon: de Messias en de antichrist. Over de slang: zie 2 Kor. 11:14 (het Hebr. woord voor slang is verwant aan vurig, brandend).

We zien hier een een belangrijk voorbeeld, hoe God in het verborgen werkt, de zg. Wet van het overblijfsel. Veel kan wegvallen, maar niet alles: er is altijd een of andere vorm van concrete continuiteit tussen wat was (en waarvan het meeste afvalt) en wat komt (waarmee God verder gaat). Met minder dan één man kon God niet toe. Dat was Noach; de overige Adamieten verdwenen in de zondvloed. (Er is weinig bezwaar de zondvloed te zien als een historische gebeurtenis, mits men het Hebreeuws ‘erets’ vertaalt met landstreek en niet met aarde, (erets Israel, 1 Sam. 13:19 enz.) en verder adamah met cultuurgrond en niet met aardbodem. Over buiten die landstreek Mesopotamië, waar reeds cultuurgrond was ontstaan, spreekt de Schrift niet; evenmin over de mensen die daar woonden. In de vlakke streek kwamen alle heuvels onder water te staan (door een vloed die uit zee opkwam); de Kaukasus en verdere hoge bergen blijven buiten de gezichtskring. Dit verder uit te werken valt buiten ons onderwerp; ook hier geldt: de Schrift is nauwkeuriger dan u denkt!).

Tussen de tijd voor en na die zondvloed zijn een aantal opmerkelijke verschillen. De Bijbel spreekt zelfs van een nieuwe aioon. (Het Griekse woord “aioon” wordt in het verdere als een gewoon woord gebruikt. Een aioon is een tijdvak, een hoofdfase in de heilsgeschiedenis; zeer lang (daarom vaak met “eeuw” vertaald), maar niet eindeloos (zoals de vertaling “eeuwigheid” suggereert. Dat het woord vaak in het meervoud voorkomt, moet men letterlijk nemen. Een eindeloze eeuwigheid kent de Schrift niet. De  ‘eeuwige inzettingen’ van de Thora hebben hun einde; het eeuwig Verbond der besnijdenis is in het hiernamaals niet van toepassing. (Men vergelijke de eeuwige vervloeking van Jes. 32:14 – St. Vert. – met ‘ totdat’ van het volgenden vers). Om te beginnen enkele veranderingen in de natuur (althans in de vlakte van Mesopotamië, waar zich de zondvloed afspeelde). Na de zondvloed wordt de regenboog tot teken gesteld (Gen. 9:14), terwijl er aldaar voordien geen regen was. (Gen. 2:5-6). “Voortaan” zullen de seizoenen niet ophouden (Gen. 8:22); er komt dus in de natuur een zekere orde, die er voordien niet was.

Ook bij de mens treden veranderingen op. Was hem in het begin het zaaddragend gewas tot spijs gegeven, nu gaat hij ook vlees eten. (vgl. Gen. 1:29 met 9:3). Voor de zondvloed horen we van lange leeftijden, later zakt dit snel af tot het ons bekende peil. Een ander verschil is dat hij eerst moet heersen over het dier, doch het nu niet verder brengt dan vrees en verschrikking over het dier. (vgl. Gen. 1:28 met 9:2).

Het belangrijkste verschil met de vorige aioon is evenwel dat de boosheid van ‘s mensen hart oorzaak was van Gods gericht, doch dat diezelfde menselijke boosheid na de vloed juist reden is van Gods geduld. (vgl. Gen. 6:5-7 met 8:21). De nieuwe aioon is daarom de aioon der genade, een woord dat vóór de zondvloed alleen gebruikt wordt t.a.v. Noach (Gen. 6:8), die naar deze aioon overgaat.

Deze genade houdt evenwel in, dat de mens niet meer als voorheen onbeperkt mag kunnen zondigen. Daartoe sluit God met Noach een verbond. Doel van dit Noachitisch verbond is: de aarde bewoonbaar te doen zijn ondanks het ontbreken van de dreiging van een zondvloed. Achtergrond is daarom: eerbied voor het leven. Dit wordt bereikt door de zg. Noachitische geboden, welke volgens het geloof van Israël omvatten:

  1. verbod van moord;
  2. verbod van roof;
  3. verbond van bloedschande;
  4. verbod van vlees eten van levende dieren;
  5. verbod van afgodendienst;
  6. verbod van Godslastering;
  7. instelling van rechtspraak.

Nrs. 1 t/m 6 omvatten zg. pekelzonden, met in 7 een menselijke correctie om het doorvreten van het kwaad te verhinderen. Al wordt eerder van bloedwraak gesproken dan van een aanstonds georganiseerde overheid, toch is bloedwraak beter dan de methode van Lamech. (vgl. Gen. 9:6 met 4:23).

Dit verbond omvat alle mensen; vandaar dat we deze geboden ongeveer terugvinden in Hand. 15:29 als voorschriften die ook de heidenen moeten houden. Dit verbond houdt dus geen uitverkiezing in, zoals de latere verbonden met Israël. Het brengt ook geen ideale samenleving.

Want de regenboog welft zich boven de aarde, waarop de arme Lazarus nog steeds aan de poort van de rijke man ligt. De jacht op de dieren wordt geopend (Gen. 9:2-3) en daarna gaan de mensen het inboezemen-van-vrees-en-schrik op elkaar proberen. De echtscheiding wordt toegestaan, niet als een recht, maar omdat de mens boos is (Matth. 19:8) en opdat een kapot huwelijk niet tot erger kwaad zal voeren. De orde van Noach is een minimum, doch de heilsweg van God voert hogerop.

In het licht van de orde van Noach moeten we ook de taak van de overheid zien. De gereglementeerde bloedwraak, aanvankelijk een verbetering van het voorafgaande, werd geleidelijk door een betere rechtshandeling vervangen. De overheid beschikt over de feitelijke macht. Verschillen tussen macht de-facto en macht de-jure kent de Bijbel niet. Het bekende Romeinen 13 constateert dit alles als een feit, niet om te beweren dat de toenmalige plaatselijke overheid (Bij het zo veelvuldig aanhalen van Romeinen 13 voor bepaalde politieke doeleinden wordt vrijwel altijd vergeten dat dit hoofdstuk een deel uitmaakt van een brief, gericht aan bepaalde bewoners van Rome. Het verdrijven van de Joden uit Rome (zie Hand. 18:2) en hun geleidelijk weer terugkeren leidt tot een concrete waarschuwing van Paulus, om er door twisten geen aanleiding toe te geven dat dit zich zou herhalen. Een algemene beschouwing over de overheid als zodanig zou in het geheel van Paulus’ vermaningen een “Fremdkoper” zijn), die toevallig (maar dat staat buiten het probleem waar het in Romeinen 13 om gaat) de macht in heel de beschaafde wereld bezat, niet voor een betere overheid zou kunnen plaatsmaken. De slechtste dictatuur is beter (d.w.z. minder slecht) dan de anarchie.

Zo wordt ook tegen Pilatus gezegd, dat de macht hem is gegeven (Joh. 19:11); dat is niets bijzonders, doch een uiting van de orde van Noach. Een overheid is altijd een compromis tussen het ideaal (Gods Koningschap) en de werkelijkheid (de feitelijke macht van Satan). Ze is er om er voor te waken dat het kwaad geen al te grote vormen aanneemt, die het voortbestaan van de samenleving op het spel zet. Als de overheid daarvoor geen zorg meer kan of wil dragen, is revolutie gewenst, in de hoop dat dit een minder kwaad is.

Eens, aan het einde van deze aioon, zal de orde van Noach ten onder gaan als het rijk van de Antichrist zich breed zal maken. Zolang dit er nog niet is, mag men de onvolmaakte orde van Noach zien als een teken van Gods bemoeienis met de onvolmaakte mens, hetgeen men dankbaar mag aanvaarden en waaraan men zich niet, uit vrees voor vuile handen, mag onttrekken. Beter met vuile handen in verantwoordelijkheid helpend bezig zijn, dan met schone handen het boze onbeperkt laten voortwoekeren.

De orde van Noach geeft de ruimte voor Gods verborgen handelen. Zoals in die merkwaardige korte gelijkenis uit Marcus 4 (de verzen 26-29), de boer gezaaid heeft en toen rustig ging slapen, zo laat God schijnbaar de wereld aan zichzelf over. Onmerkbaar is er een groeiproces, dat de voleinding van deze gang van zaken in onze aioon én de komst van het Messiaanse Rijk voorbereidt. Tot zolang zijn de regenboog en de wisseling van dag en nacht, zomer en winter, enz. een teken van Gods heilsorde. (Gen. 8:22).

Uit: Gods verborgenheid – van dhr. K.A. den Breejen … wordt vervolgd!

WIJSHEID IN VERBORGENHEID

Was het handelen van God in de O.T.-tijd steeds een handelen in verborgenheid en was het optreden van Jezus niet meer dan dat van een Heer-incognito, dit blijft later ook zo. Was Zijn terechtstelling een publieke zaak geweest, bij Zijn opstanding was niemand aanwezig. Waarlijk een grote verborgenheid! De hiep-hiep-hoera-stemming, die antieke en middeleeuwse voorstellingen van de opstanding geven, worden door de Bijbelse gegevens beslist niet gedekt. En dat voor iets wat toch waarlijk het grootste heilsfeit in de geschiedenis mag heten, voorzover tot op heden geschied!

Met de hemelvaart is het niet anders. Het was een merkwaardige afsluiting van de al even merkwaardige verschijning gedurende de veertig dagen na de opstanding. Onaangekondigd werd de Heer opgenomen, en een wolk nam Hem weg voor hun ogen. Het spectaculaire van Elia’s hemelvaart ontbreekt. Over de aard van Zijn bestaan sindsdien weten we niets; wat er met Zijn aards lichaam gebeurde al evenmin. Hij is en blijft verborgen tot Zijn wederkomst.

Die …

Be Sociable, Share!
 Posted by at 11:07

 Leave a Reply

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

(required)

(required)

Translate »