Jul 012011
 

Op 4 april 2009, aan de vooravond van Pesach, deden prof. Elihu Richter en prof. Israel Charney van de Hebreeuwse universiteit te Jeruzalem, in een brief aan de Israelische regering een indringende oproep om de zogenaamde Declaration of Principles van de Oslo-akkoorden, die in 1993 tussen de PLO en de Israelische regering waren gesloten, eindelijk eens serieus te nemen.

[Westerse media hebben aan deze indringende oproep van twee Israelische wetenschappers geen enkele aandacht geschonken. Prof. dr. Hans Jansen sprak hierover tijdens het congres over het oplaaiend antisemitisme (georganiseerd door Christians for Israel International), dat op 7 april 2011 in Nijkerk werd gehouden. Dit is de tekst van het referaat dat hij heeft gehouden. Aan dit bijzondere vruchtbare congres namen maar liefst tweehonderdvijftig mensen deel uit Nederland, Belgie en Israel. Op verzoek van de deelnemers wordt de tekst van dit referaat gepubliceerd in dit nummer van het Simon Wiesenthal Bulletin, September 2011).

In deze verklaring had de PLO ermee ingestemd dat het beeindigen van de haatcampagne tegen Israel een éérste vereiste, een conditio sine qua non is, om het vredesproces te doen slagen. Volgens genoemde hoogleraren hadden achtereenvolgende regeringen in Israel veel te weinig haar protest laten horen tegen het onmiskenbare feit dat de Palestijnse Autoriteit nauwelijks iets ondernam om in de media de stem van haat tegen Israel tot zwijgen te brengen. Richter en Charney laten sindsdien onophoudelijk horen dat dit protest eindelijk eens een integraal aspect dient te worden van de politiek van de Israelische regering.

Israel wordt niet alleen bedreigd door de Palestijnse Autoriteit (PA), maar door de hele islamitische wereld, die dagelijks wordt overspoeld door een endemische, giftige haat. Omdat in veel moslimlanden aanhangers van Mohammed in de media worden opgehitst Joden vijandig gezind te zijn, zal de giftige uitwerking hiervan van de ene op de andere generatie worden overdragen. De gevaren die een dergelijke campagne van vijandschap en haat oproepen, scheppen een cultuur van de dood, waarvan vooral Arabische jongeren het slachtoffer zijn worden. De tol die betaald moest worden, is schrikbarend hoog: sinds het einde van de 2de Wereldoorlog zijn twaalf miljoen moslims het slachtoffer geworden van oorlogen en andere vormen van geweld.

Het Iraanse regime is het epicentrum van een internationale as van genocidale terreur. Iran en zijn bondgenoten (Hezbollah, Hamas, Syrie) bezigen in de media genocidale haat-taal om de Twee-Staten Oplossing te veranderen in de Twee-Fazen Oplossing, dat wil zeggen dat het uiteindelijk gaat om de vernietiging van Israel. Behalve Hezbollah, Hamas, en Syrie, werken ook Noord-Korea, Venezuela en Noord-Soedan samen met Iran. En de Palestijnse Bevrijdingsbewegingen (PLO), die Khomeini in Iran aan de macht hielp, voelt zich gesteund door de internationale as van de genocidale terreur.

In de afgelopen jaren hebben Israelische regeringen telkens weer opnieuw territoriale concessies gedaan (Land for Peace), maar ze hebben niet tot minder maar wel tot meer terreur en dood geleid (Territory for Terror). We weten wat de dramatische gevolgen zijn geweest van de terugtrekking van het Israelische leger uit Libanon en Gaza. Het is aan geen twijfel onderhevig dat de escalatie van Palestijns geweld mede wordt veroorzaakt door de virtulente campagne van haat tegen Israel, die door de Palestijnse Autoriteit wordt gesanctioneerd!

We kunnen volgens de beide Israelische wetenschappers geen enkele duurzame politieke overeenkomst tussen Israel en de Palestijnse Authoriteit verwachten, als zij wordt ondermijnd door een wijdverspreide haat-campagne in onderwijs, in lesprogramma’s op school, in preken van imans in moskeeen, in toespraken van politici, in televisie- en radioprogramma’s, in trainingen op zomerkampen, en last but not least in de elektronische media. Om de verhouding tussen de prediking van de catechese van haat door de Palestijnen en de gevolgen hiervan in de hedendaagse taal te formulieren, schreven beide wetenschappers:

  • “Als verrijkt uranium en raketten de hardware zijn, dan is opruiende taal en aansporing tot vijandschap en haat tegen Israel de software. Je hebt de software nodig om de hardware aan te sturen”.

De zelfmoordcommando’s van de Palestijnen zijn onverbrekelijk verbonden met wat zij elke dag in alle vormen van het lager en hoger onderwijs over de Joden te horen krijgen. Sinds de Oslo-akkoorden in 1993 zijn gesloten, hebben noch Israel noch onderhandelaars van buiten geeist, dat er een einde moest worden gemaakt aan de wijdverspreide haatcampagne van de PA en de PLO, die hét grote struikelblok vormt voor verzoening en wederzijds respect voor leven, voor leven en laten leven. Beide, de Palestijnse Authoriteit en de PLO hebben na de Oslo-akkoorden al meer dan vijftien jaar elke vorm van terreur tegen het Joodse volk geentameerd en gesanctioneerd.

Daarom, aldus de beide wetenschappers, moeten Israel en al diegenen in de wereld, die betrokken zijn bij de oplossing van het Israelisch-Palestijnse conflict, nu onmiddellijk iets doen, wat zij nooit eerder hebben gedaan en wat zij wel, gezien de Declaration of Principles van de Oslo-akkoorden, hadden moeten doen. Zij moeten allereerst de wijdverspreide taal van haat en aansporing tot genocide en genocidale terreur definieren, opsporen, controleren en registreren. Zij moeten het materiaal specificeren en van de Palestijnse Authoriteit tastbare resultaten eisen met betrekking tot het beeindigen van de haatcampagne tegen de Joodse staat. Omdat de PA die campagne blijft sponsoren, hebben we te maken met een zeer ernstige vorm van “staats”-antisemitisme!

Omdat in de politiek van Israel en zijn bondgenoten (de Verenigde Staten en de Europese Unie) het protest tegen dit antisemitisme van de PA niet structureel was opgenomen, liepen álle onderhandelingen in de afgelopen vijftien jaar stuk er was er geen enkel uitzicht op verzoening tussen beide volkeren. Beide wetenschappers schrijven onomwonden aan de Israelische regering: “Als wij nu in de komende jaren dezelfde fouten maken, zal de overleving van Israel als Joodse staat in de waagschaal worden geworpen”.

Israel en al diegenen die bezorgd zijn voor de toekomst, moeten de geschiedenis van de Joodse staat opnieuw vertellen. Het is noodzakelijk dat de Israelische regering een nieuw standpunt inneemt als het gaat om de oplossing van het Israelisch-Palestijnse conflict. Elihu Richter en Israel Charny denken aan de volgende principes:

Meer dan ooit te voren draagt de wereld nu de verantwoordelijkheid de Joodse staat te verdedigen tegen de wijdverspreide gevaren van genocide en genocidale terreur. Het Joodse volk, dat is teruggekeerd naar zijn voorvaderlijk thuis, heeft altijd de verantwoordelijkheid geaccepteerd om zichzelf te verdedigen. Als gevolg van een resolutie van de Verenigde Naties in 1947 was Israel de eerste natie die kon worden gesticht, maar nu is Israel ook de eerste die wordt bedreigd met nucleaire genocide. Voor de oplossing van het Israelisch-Palestijnse conflict is het een conditio sine qua non, een éérste vereiste, dat het nucleaire gevaar Iran wordt afgewend, dat er een einde komt aan de virulente haatcampagne tegen Israel, dat leden van Hamas en Hezbollah niet langer worden getraind door Teheran, én dat terreurgroepen als Hezbollah en Hamas geen wapens meer ontvangen uit het land van Komeini. In de strategie moet centraal staan, dat Iraans wijdverspreide en door de staat gesanctioneerde taal van haat en aansporing tot  het plegen van genocide op Israel, klip en klaar worden verboden. Het gaat erom dat de gevaren van nucleaire genocide en genocidale terreur worden afgewend.

Preventie van genocide vereist dat de Verenigde Naties, de Verenigde Staten, de Europese Unie en Rusland (Het Kwartet) onmiddellijk gebruik maken van de bestaande internationale wetgeving om Iraanse leiders en hun bondgenoten voor het gerecht te dagen, die persoonlijk verantwoordelijk zijn voor het voeren van de afschuwelijke haatcampagne tegen Israel (“Israel is een kanker”, “Israel is een microbe”, “Israel is een smerig lijk” enz. enz.). Bescherming en respect voor individueel leven en menselijke waardigheid vereisen verder, dat de Palestijnse Authoriteit terreur en het aanzetten tot terreur om Israel te vernietigen, overeenkomstig de Oslo-akkoorden radicaal afzweert. Zolang de brandende lucifer van vijandschap en haat niet wordt gedoofd, kan Israel het slachtoffer worden van een nucleaire brand! Het staken van de incitement to genocide is een éérste vereiste om de vredesbesprekingen tussen de Israelische regering en de Palestijnse Authoriteit weer vlot te trekken.

[Van deze brief, die de beide wetenschappers Richter en Charny op 4 april 2009 aan Benjamin Netanyahu stuurden, ontving Simon Peres, de president van Israel, een afschrift.]

Omdat genoemde wetenschappers niet alleen op de Israelische, maar niet minder op de Amerikaanse regering een indringend appél wilden doen om de Palestijnse Authoriteit te dwingen een halt toe te roepen aan de haatcampagne tegen Israel, benaderde professor Elihu Richter senator George Mitchell, de speciale afgezant van de Amerikaanse president voor het Midden-Oosten. Hij schreef hem op 16 april 2009 een klein essay, getiteld Want Peace? Stop the endemic hate language and incitement against Israel, waaraan ik het volgende ontleen:

  • “Zoals veel Israeliers die instemden met de Oslo-akkoorden van 1993, werd ik in de afgelopen jaren bijna gewurgd door wanhoop: wij hebben namelijk ontdekt dat het adagium Land voor Vrede is veranderd in Territorium voor Terreur! Zoals velen die lang en intensief hebben nagedacht over de problemen in ons land, ben ik serieus tot de conclusie gekomen, dat wij niet meer moeten spreken over het vredesproces tussen Israel en de Palestijnen. “Het vredesproces”, dat is trouwens een heel vage uitdrukking, in feite gaat het natuurlijk om: respect voor het leven, leven en laten leven en vooral waardigheid voor allen! Het is tragisch dat het vredesproces heeft geresulteerd in duizenden Israelische en Palestijnse doden!”
  • “Ik heb groot respect voor de wijze waarop u bemiddelt in het conflict tussen Israel en de Palestijnen, waarbij u uitgaat van de filosofie van het conflict-model. Ik heb de indruk gekregen dat u van oordeel bent dat alle meningsverschillen tussen beide volkeren op deze wijze kunnen worden opgelost. Toch durf ik u eerlijk te zeggen, dat deze aanpak van het probleem niet relevant is voor dit land in het Midden-Oosten. Het Israelische-Palestijnse conflict wordt nu overschaduwd door asymetrische existentiele gevaren, omdat Israel dodelijk wordt bedreigd door kernwapens die Iran wil fabriceren, door een ongehoord felle haatcampagne die Iraanse politieke en geestelijke leiders tegen Israel voeren én door de financiele steun die de Iraanse regering verleent aan de genocidale terreur van Hamas en Hezbollah. De Iraanse regering roept terreurgroepen onophoudelijk op Israel van de kaart te vegen. Zoals wij weten van de genocide op zes miljoen Joden in Europa en niet minder van de genocide in Ruwanda in Afrika, is de taal van de haat en de oproep om de vijand te vernietigen, de voorspeller, de iniator, de katalisator en de promotor van de uiteindelijke genocide zelf. Als raketten en bommen de hardware van de genocide zijn, dan zijn de woorden (de haatcampagne tegen Israel) de software, die nodig is om de hardware aan te sturen! Woorden doden! Arthur Koestler zei in 1978: ‘Oorlogen breken niet uit voor territorium, maar voor woorden! Het dodelijkst wapen van de mens is de taal. Zoals de mens vatbaar is voor infectieziekten, is hij gevoelig om door slagers te worden gehypnotiseerd! En waar een epidemie heerst, wordt de groep het slachtoffer'”.
  • “Welke krachtige en stoutmoedige stappen zal de regering in Israel zetten om politieke en juridische acties te ondernemen tegen de door de ‘staat’ gesanctioneerde taal van haat en vijandschap tegen Israel, die onophoudelijk wordt gehoord in moskeeen, in het lager en hoger onderwijs, in de massa-media, aan universiteiten en in het Parlement. De wijd verspreide ophitsing om Israel te haten en te vernietigen is hét grote struikelblok voor vrede en verzoening in het Midden-Oosten. De waarden van leven en laten leven moeten in de plaats komen van de cultuur van de dood, de demonisering en ontmenselijking van Israel, die nu in het hele Midden-Oosten het dagelijks leven van de moslim-wereld bepalen. Deze cultuur van de dood heeft sinds het einde van de 2de Wereldoorlog al het leven gekost aan twaalf miljoen moslims”.

Deze dringende oproep op 4 en 16 april 2009 van twee professoren van de Hebreeuwse universiteit aan de Israelische en Amerikaanse regering, heeft verstrekkende gevolgen gehad. George Mitchell, die het hartgrondig eens was met de analyse van de beide hoogleraren, herinnerde zich dat Dennis Ross, een van zijn eminente voorgangers in het Midden-Oosten, in zijn boek The Missing Peace (1998) tot dezelfde conclusie was gekomen als Elihu Richter en Israel Charny: Ross probeert in het 800 pagina’s tellende boek te analyseren waarom de Oslo-akkoorden waren mislukt. Hij levert felle kritiek op de Amerikaanse regeringen, die het thema van de Palestijnse haatcampagne voortdurend verontachtzaamden en negeerden: “The Palestinians’ systematic incitement in their media, a educational system that bred hatred, and the glorification of violence made Israel is feel that their real purpose was not peace”. Ook Richard Holbrook was in zijn boek To End a War (1998) tot de conclusie gekomen dat de haatcampagne van de Servische leiders op de televisie a root cause was van de genocide op 8500 moslims. En hadden volgens historici de genocide op zes miljoen Joden in Europa én de genocide in Ruwanda niet eenzelfde stramien laten zien? Ook de virulente haatcampagne van de Palestijnen tegen Israel is niet een begeleidend verschijnsel maar a root cause van het Israelisch-Palestijnse conflict, die niet nóg langer mag worden genegeerd door politieke en geestelijke leiders in de wereld.

Daarom nam Mitchell onmiddellijk contact op met Hillary Clinton, de minister van Buitenlandse Zaken van de Amerikaanse regering van Obama. Toen Hillary Clinton nog Senator was, had zij er verscheidene keren op gewezen, dat er geen duurzame vrede in het Midden-Oosten mogelijk is, zonder dat de Palestijnse catechese van de verguizing van Israel verdwijnt. Hillary Clinton zei op 8 Februari 2007 over de nieuwste Palestijnse schoolboeken: “Vandaag herhaal ik nog eens, dat wij een onverbiddelijk halt moeten toeroepen aan de haatcampagne, waaraan Palestijnse kinderen worden blootgesteld. Voor alle mensen die zorg dragen voor de toekomst van hun kinderen en die werken aan de vrede, de stabiliteit en de veiligheid van de staat Israel moet dit de hoogste prioriteit hebben. Hetzelfde geldt voor allen die zich inzetten voor de toekomst van het Palestijnse volk. Ik heb in 2001, toen de eerste schoolboeken door de Palestijnse Autoriteit werden gepubliceerd, al geprotesteerd tegen het aanzetten tot haat en geweld in de schoolboeken. Ik heb me toen in New York aangesloten bij Nobelprijswinnaar Elie Wiesel, overlevende van Auschwitz, om de lessen van haat en geweld die in de Palestijnse scholen worden gegeven, krachtig te veroordelen. Het is voor mij zeer schokkend dat in de nieuwste Palestijnse schoolboeken, die onder verantwoordelijkheid van Mammoud Abbas werden samengesteld, het bestaan van de staat Israel klip en klaar wordt ontkend en zelfs wordt beweerd, dat er in de Tweede Wereldoorlog geen Holocaust heeft plaatsgevonden”.

Toen George Mitchell Hillary Clinton uitvoerig had geinformeerd over het essay dat Elihu Richter hem had gestuurd, zag zij kans om van de catechese van de verguizing van Israel, die de PA bleef verkondigen, de speerpunt te maken van het nieuwe Midden-Oosten beleid van de VS. Ook Obama was bereid de virulente haatcampagne tegen Israel niet langer te negeren. Een week nadat Elihu Richter zijn essay aan George Mitchell had gestuurd, zei Hillary Clinton op 23 april 2009 tot leden van het Amerikaanse congres het volgende: “Wij willen alléén samenwerken met de regering van de Palestijnse Authoriteit in Ramallah, als zij ondubbelzinnig en met even zoveel woorden de principes van het Kwartet (De Verenigde Naties, de Verenigde Staten, de Europese Unie en Rusland) accepteert: het afzweren van het geweld, de erkenning van Israel, én de acceptatie van vroegere overeenkomsten en verplichtingen (inclusief die van de Road Map), waarin ondubbelzinnig staat, dat in faze 1 van het proces ‘alle officiele Palestijnse instellingen (organen) een einde moeten maken aan de haatcampagne  tegen Israel”‘.

 In de zomer en herfst van 2009 kwam de brief van Elihu Richter en Israel Charny (4 2009) én het antwoord hierop van Hillary Clinton (23 april 2009) in talrijke kabinetsvergaderingen in Jeruzalem uitvoerig aan de orde. Op 19 januari 2010 zei Netanyahu tijdens de vergadering: “Het zijn niet alleen raketten die de veiligheid van Israel in gevaar brengen. Ook woorden kunnen levensgevaarlijk zijn”. Een van de aanwezige ministers in het kabinet merkte toen op dat Sharon 18 november 2004 (hij had het aangetekend in zijn boekje!) had gewaarschuwd: “De Palestijnse opvoeding en propaganda vormen een grotere bedreiging voor Israel dan Palestijnse wapens!” Het is duidelijk dat de Israelische regering voor de volle honderd procent instemde met de houding van de Amerikaanse regering en die van het Kwartet: Vredesbesprekingen kunnen nu nog niet vlot worden getrokken. Daarom besloot de Israelische regering in het voorjaar van 2010 om in mei te starten met voorbereidende besprekingen tussen Israel en de Palestijse Authoriteit. George Mitchell, de speciale afgezant van Obama in het Midden-Oosten, had 9 mei 2010 aan Netanyahu laten weten, dat Mahmoud Abbas bereid was om tijdens de voorbereidende besprekingen alles in het werk te stellen om een einde te maken aan de haatcampagne tegen Israel, én dat hij ook akkoord ging met de afspraak om telkens na twee maanden de balans op te maken.

Op 21 juli 2010 bracht de Palestinian Media Watch een rapport uit, getiteld PA still inciting Hatred (in eerste instantie bestemd voor de Israelische regering), waaruit blijkt dat van alle mooie beloften die Mahmoud Abbas op 9 mei 2009 had gemaakt tegenover George Mitchell om een eind te maken aan de haatcampage tegen Israel, helemaal niets terecht was gekomen. Volgens Itamar Marcus en Barbara Crook, de samenstellers van het rapport, blijft de PA maar zeggen en schrijven dat het bestaan van Israel niet wettig is, dat Israel helemaal geen recht heeft om te bestaan , dat er geen sprake is van een territoriaal conflict, maar dat de Palestijnen een religieuze oorlog voeren voor Allah om Israel te vernietigen, dat de PA op alle mogelijke manieren haat promoot door demonisatie, laster en smadelijke aantijgingen, én dat zij terreur en geweld verheerlijkt. Het rapport, dat ook aan de Amerikaanse regering en het Congres werd aangeboden, bewijst ook, dat Palestijnse televisie-programma’s blijven zeggen, dat de Israelische steden zoals Jaffa en Haifa, Palestijnse steden zijn en dat het territorium waarop de staat Israel is gesticht, het thuisland van de Palestijnen is, dat in 1948 werd bezet. Politieke en geestelijke leiders interpreteren het conflict tussen beide volkeren als een ribat, dat wil zeggen als een godsdienstoorlog. Daarom heeft de Palesijnse president Mahmoud Abbas in de afgelopen maanden het recht van de Palestijnen verdedigt “om naar de gewapende strijd terug te keren” en beschrijft hij de voorbereidende besprekingen als een ‘tactische manoevre ( … … ) als een voorlopige maar niet als een definitieve beslissing!”. Het rapport gaat vergezeld van een video-opname, die duidelijk laat zien dat de PA blijft onderwijzen dat we leven in een wereld, waarin Israel gewoon niet bestaat. In het hele onderwijsmateriaal van de PA is nog altijd geen kaart te vinden, waarop Israel als natie is aangegeven. De auteurs van het rapport citeren in dit verband een uitspraak van de Amerikaanse president Obama: “Het gebruikmaken van kaarten in het Palestijns onderwijs zonder dat Israel erop voorkomt is een ernstige bedreiging voor de veiligheid van Israel”. Miljoenen Palestijnse kinderen en jongeren leren op school dat zij leven in een wereld zonder Israel. Alle kaarten die hangen aan de muur van Palestijnse kantoren en bureau’s, álle officiele websites van de PA, álle schoolboeken en álle televisieprogramma’s laten ook na 9 mei 2010 Palestina zien zonder Israel.

In het genoemde rapport PA still inciting Hatred bewijzen de auteurs bovendien, dat de PA Israel blijft beschuldigen van het verspreiden van drugs en aids onder de Palestijnen. “De ergste aantijging waarvan Israel wordt beschuldigd, is, dat het moorden en het aanrichten van massaslachtingen het gedrag van Israeliers kenmerken, ja dat het hun is aangeboren om zo te handelen. De ware natuur van Israel is verschrikkelijk onmenselijk, lelijk en wreed”.

In juni 2010 liet de Palestijnse televisie voor de zoveelste keer (van oktober 2007 tot december 2009 elke dag!) een muziek-video zien, waarin een gigantische slang het hele land Palestina in zijn wurggreep heeft om alle inwoners te vergiftigen. Op het 3de Palestijnse Festival voor Cultuur en Educatie, dat in juni 2010 te Ramallah werd gehouden, waren actrices te zien, die gewapend wilde dansen uitvoerden en een lied zongen, waarin geweld tegen Israel werd verheerlijkt en de martelaren-dood als een verheven ideaal werd geprezen. De dansen werden uitgevoerd in aanwezigheid van de ministers voor Cultuur en Vrouwen-emancipatie. Het jaarlijks terugkerende Festival wordt gesponsord door de Nationale Commissie voor opvoeding, wetenschap en cultuur van de PLO.

De auteurs van het rapport PA is still inciting Hatred van 21 juli 2010 concluderen: “Als wij uitspraken van politieke en geestelijke leiders van de Palestijnse Authoriteit analyseren, als wij nagaan hoe de Palestijnse jeugd wordt onderwezen, als wij in kaart brengen hoe sinds het begin van de voorbereidende besprekingen in mei 2010, in de media de haat en vijandschap tegen Israel wordt gevoed, dan is heel evident dat de Palestijnse Authoriteit niet de voorwaarden heeft vervuld, die de Amerikaanse minister Clinton van Buitenlandse Zaken op 23 april 2009 heeft gesteld om het vredesproces weer vlot te trekken, integendeel, de PA heeft niets ondernomen om de virulente vijandschap en haat tegen Israel uit te bannen. In de eerste twee maanden sinds het begin van de voorbereidende besprekingen heeft de PA gefaald om deze voorwaarden ondubbelzinnig te vervullen. De Palestijnse Authoriteit heeft het tegenovergstelde gedaan! De PA gaat maar door met het ondubbelzinnig en expliciet ontkennen van het bestaan van Israel, het promoten van vijandschap en haat tegen Israel én het verheerlijken van terreur en geweld”.

Wat was het antwoord van president Mahmoud Abbas op het rapport PA still inciting Hatred against Israel van 21 juli 2010? Itamar Marcus (auteur) had het rapport ook gestuurd aan Hillary Clinton, de minister van Buitenlandse Zaken van de Amerikaanse regering, die het uitvoerig besprak met Obama. Toen Mahmoud Abbas, de president van de Palestijnse Autoriteit eind juli 2010 in het Witte Huis door de Amerikaanse president werd ontvangen, kwam het zojuist genoemde rapport natuurlijk uitvoerig ter sprake. Obama sprak zijn diepe teleurstelling uit en herhaalde wat zijn minister van Buitenlandse Zaken al op 23 april 2009 had gezegd: “Alle officiele organen moeten een einde maken aan de haatcampagne tegen Israel, voordat de vredesbesprekingen tussen beide volkeren weer kunnen worden hervat!”. Wat was hierop het antwoordt van de Palestijnse president? Hij zei: “I say in front of you, Mr. President, that we have nothing to do with incitement against Israel, and we are not doing that” (“Ik zeg, nu ik tegenover u zit, meneer de president, dat wij niets te maken hebben met een haatcampagne tegen Israel, wij doen dat helemaal niet”).

 

De Amerikaanse president was sprakeloos en kon niet geloven wat Abbas hem antwoordde. In het najaar van 2010 heeft de Palestijnse president telkens opnieuw ontkend, dat de PA een virulente haatcampagne tegen Israel voert. In september 2010 bracht de Palestinian Media Watch een tweede rapport uit, getiteld PA incitement against Israel on the Rise, waarin de ontwikkelingen over de maanden juli en augustus werden geanalyseerd. Dit rapport werd op 4 november 2010 uitvoerig besproken op het ministerie van Buitenlandse zaken en Defensie te Jeruzalem. Opnieuw was duidelijk geworden dat de Palestijnse president zich niet aan de belofte had gehouden, die hij op 9 mei 2010 tegenover George Mitchell, de speciale afgezant van de Amerikaanse president in het Midden-Oosten, had gedaan. Integendeel, de haatcampagne tegen Israel nam steeds ernstiger vormen aan.

Naar aanleiding van de afschuwelijke moord op het gezin Fogel in Itamar, waarbij op 11 maart 2011 Rabbi Udi Fogel (36), diens vrouw Ruth (35), en de kinderen Yoav (11), Elad (4) en Hadas (3 maanden) op een gruwelijke wijze om het leven kwamen, werden in heel Israel in de media maanden lang een verband gelegd tussen de virulente haatcampagne van de PA tegen Israel en deze ten hemel schreiende moorden in Itamar. Dit gebeurde ook tijdens de bijzondere kabinetsvergadering op 13 maart 2011. Tijdens deze zitting van het kabinet hield brigadier generaal Yossi Kuperwasser van het ministry of Strategic Affairs een presentatie van de Palestijnse haatcampagne tegen Israel, waaraan ik het volgende ontleen: “Nu heel Israel vandaag treurt om de afschuwelijke moord op de familie Fogel in Itamar, zijn leden van de Fatah-partij van Mahmoud Abbas in Ramallah bijeen, omdat een belangrijk plein van de stad de naam krijgt van Dalal al-Mugrabi, de terrorist die in 1978 een bus opblies, waarbij zevenendertig Israeliers werden gedood en eenenzeventig gewond. Dat dit vandaag gebeurt is een teken aan de wand! Sinds het voorjaar van 2010 heb ik, mede naar aanleiding van de oproep van twee hoogleraren van de Hebreeuwse universiteit, bijna een jaar lang met leden van het Kabinet en de Knesset, en met geestelijke en politieke leiders in binnen- en buitenland gesprekken gevoerd over de Palestijnse haatcampagne tegen Israel. Er is werkelijk niemand te vinden die niet van oordeel is dat aan deze campagne een onverbiddelijk halt moet worden toegeroepen. In de media van de PA kunnen we dagelijks lezen en horen, dat de Joden geen recht hebeen om hier in het Midden-Oosten te zijn, ja dat ze geen recht hebben om uberhaupt ergens in de wereld te zijn. Dat geldt heel bijzonder voor de schoolboeken, waarin Israels bestaan niet wordt vermeld. Er zijn geen kaarten waarop Israel is getekend. In cartoons die dagelijks in Arabische en Palestijnse kranten verschijnen, worden Joden getypeerd als figuren, die géén mensen zijn.

In de officiele krant van de PA, de al-Hayat al-Jadida, werd onlangs een cartoon gepubliceerd van Muhammad Saba’ana: je ziet een hoog Palestijnse vrouw die zegt: ‘Ik ben in mijn achtste maand met shahid (een martelaar) in mijn buik!” (zie cartoon). En op de Palestijnse TV spelen kinderen een “Suicide Bomber Game’: het gaat er om wie in staat is om als eerste als martelaar voor de bevrijding van Palestina te sterven! En als Mahmoud Abbas de band ‘Alashekeen’, die zingt over de heilige oorlog en de aanstaande vernietiging van Israel, via een presidentieel decreet promoot tot de nationale band van de PA, wie gelooft dan nog dat de Palestijnse Authoriteit serieus verlangt naar vrede met Israel?” Toen een minister van het kabinet tijdens de Powerpointpresentatie Kuperwasser vroeg, of de PA verantwoordelijk is voor de afschuwelijke moord op de familie Fogel in Itamar, antwoordde hij: “Ik geloof niet dat de PA de terroristen stuurt, maar zij creeert door de haatcampagne zo’n klimaat in het land, dat de Palestijnen gaan geloven dat Joden helemaal geen recht hebben om hier te zijn en dat zij wrede schepselen zijn, die allesbehalve menselijk zijn. En dan is het niet vreemd, dat élke vorm van terreur wordt gerechtvaardigd. Daarom moet deze brainwashing van het Palestijnse publiek zo spoedig mogelijk worden gestopt”.

Op 14 maart 2011 werd op de Israelische Radio  Mahmoud Abbas, de president van de Palestijnse Authoriteit, geinterviewd. Toen de interviewer de president had verteld dat het hele kabinet er diep van overtuigd is, dat de alarmerende haatcampagne van de PA de grond had voorbereid voor de ten hemel schreiende terreur in Itamar, die leidde tot het vermoorden en verminken van de ouders en drie kinderen van de familie Fogel, antwoordde Mahmoud Abbas zonder blikken of blozen: “There is no Palestinian Incitement against Israel in schools and Mosques” (“Er is helemaal geen sprake van een aansporing tot haat tegen Israel in scholen en moskeeen”). Hij voegde er aan toe, dat het ministerie voor godsdienstige zaken enige tijd geleden had besloten, dat de imans van álle Palestijnse moskeeen elke week dezelfde preek  zouden ontvangen van het ministerie. In een telefoongesprek tussen Netanyahu en Abbas (zaterdag 12 maart 2011) had Abbas gezegd, dat de Palestijnse veiligheidsdienst zelfs vuurwerk had verboden, waarop Netanyahu had geantwoord: “Wij zijn helemaal niet geinteresseerd in jullie fireworks, maar wel in jullie firewords, die elke dag ons land in brand steken!”. 

Op 18 maart 2011 maakte Netanyahu in de Knesset bekend dat het kabinet op 13 maart 2011 een  opmerkelijk besluit had genomen, namelijk het publiceren van een Palestinian Incitement Index. De index zal vier keer per jaar verschijnen en alle uitingen van vijandschap en haat tegen Israel registreren en analyseren. De Index zal worden  samengesteld door de volgende instanties: Military Intelligence, The Israel Defence Forces Spokesman Office, de Foreign Ministry, The Shin Bet Security Services, and The Coordinator of Goverment Activities in the Territories. Brigadier generaal Yossi Kuperwasser zal het werk coordineren! De index zal via de ambassades over de hele wereld worden verspreid om een internationale campagne te voeren: de PA onder leiding van Mahmoud Abbas zal worden gedwongen eindelijk de haatcampagne tegen Israel te staken. De onophoudelijke haatcampagne van de PA tegen Israel mag ook niet nog langer worden genegeerd door: Het Vaticaan, De Wereldraad van Kerken, de PKN, de Lutherse Synode, de Nederlandse Bisschoppen-conferentie, de landelijke Raad van Kerken en de Raad van Patriarchen en Bisschoppen in het Midden-Oosten.

Op 29 maart 2011 schreven Mark Kirk en Kirsten Gillibrand, senatoren van de Amerikaanse Senaat, mede namens 25 ander senatoren, de volgende brief aan Hillary Clinton, minister van Buitenlandse Zaken: “Naar aanleiding van de brute moord op een Joodse familie in Itamar (Israel) en de aanslag van een zelfmoordkommando op een bus met inwoners van de stad Jeruzalem, schrijven wij u over de onophoudelijke ophitsing tot vijandschap en haat tegen Joden en Israel in de Palestijnse media, moskeeen en scholen en in geschriften die officiele organen van de Palestijnse Authoriteit publiceren. Wij zouden graag willen weten welke bijzondere stappen u gaat zetten om een eind te maken aan deze gevaarlijke aanzetting tot haat, die ook de verheerlijking van terroristen en de jihad impliceert én antisemitische stereotypen in de Palestijnse media. Hiervan zijn talrijke voorbeelden te geven, die ook het kabinet van de prime-minister heeft gepubliceerd.

Wij beperken ons tot de eerste maanden van dit jaar: Op 9 maart 2011 hield Sabri Saidam, adviseur van president Mahmoud Abbas, een toespraak, waarin hij onderstreepte dat Palestijnen weer hun wapens op Israel moesten richten. Hij vroeg het Palestijnse volk ook om er goed op te letten hoe de financiele positie van de families van de martelaren is. Sabri Saidam zei tenslotte dat de herdenking van Dalal Mughrabi (die in 1978 bij een zelfmoordaanslag aan de kust een bloedbad had aangericht) dit jaar zou plaatsvinden in de stad El Bireh, waar een plein haar naam zou krijgen. Op 9 februari 2011 zond de officiele Palestijnse televisie een programma uit, getiteld “Vrouwen als voorbeeld”, waarin onder meer Dalah Mughrabi als martelaar werd verheerlijkt en als voorbeeld gesteld voor Palestijnse vrouwen. In de zomer van 2010 droegen ook verscheidene zomerkampen voor kinderen de naam Dalah Mughrabi. Op 24 januari 2011 overhandigde de Gouverneur van Jenin namens president Mahmoud Abbas, aan de familie van de Palestijnse terrorist Khaldoun Samoudi, die bij een zelfmoordaanslag om het leven was gekomen, een cheque van 2000 dollar ter ondersteuning. Op 2 januari 2011 konden we in de officiele krant van de Palestijnse Authoriteit Al Hayat Al-Jadida lezen, dat Azzam Al-Ahmed, lid van de Fatah Central Committee tijdens het 46ste anniversarium van de oprichting van de politieke partij Fatah had gezegd in zijn toespraak: “De politieke partij Fatah is een beweging van de massa onder de Palestijnen, die geloven in de revolutie van het volk, dat het recht heeft om alle middelen te gebruiken om weerstand te bieden teneinde het doel te bereiken (de vernietiging van de staat Israel)”. De Palestijnse Authoriteit moet aktie ondernemen om een onvoorwaardelijk halt toe te roepen aan de haatcampagne, die leidt tot dergelijke misdaden. Wij vragen u dringend van de Palestijnse Authoriteit opnieuw te eisen dat zij stopt met deze afschuwelijk campagne tegen Israel”. Ondertekening door 27 leden van de Senaat in Washington.

Jacobus, de broer van Jezus van Nazareth en de eerste bisschop van Jeruzalem, schreef een paar duizend jaar geleden in overeenstemming met de eeuwenoude Joodse wijsheid, dat het dodelijkst wapen van de mens de taal is, die een wereld in brandt steekt. En de eminente Joodse geleerde Abraham Heschel schreef in de 20ste eeuw, dat “het niet gaskamers zijn die Auschwitz miljoenen Joden hebben vermoord, maar woorden van vijandschap en haat“, die de eeuwen door op hen werden afgevuurd.

Uit: Simon Wiesenthal Dokumentatie-centrum Wenen

prof. dr. Hans Jansen – Nijkerk, 7 april 2011

Een grove leugen verspreidt zich over alle continenten van de wereld: Israel is een apartheidsstaat

[Op vrijdag 3 juni 2011 organiseerde stichting WAAR. (Werkgroep voor Accuratesse en Autenticiteit in Reportages) een symposium in congrescentrum De Schakel in Nijkerk met als thema ‘Boycot van Israel: weg naar vrede?’, over de culturele boycot en delegitimering van Israel. Het evenement werd o.a. gesponsord door Christenen voor Israel. Sprekers waren Europarlementarier mr. drs. Hans van Baalen; hoogleraar aan het Simon Wiesenthal Instituut in Brussel, prof. dr. Hans Jansen; universitair hoofddocent aan de Rijksuniversiteit Utrecht, mr. dr. Matthijs de Blois; rabbijn dr. Tzvi Marx. Aan het eind van de middag werden stellingen besproken en conclusies opgesteld. Dit is de tekst van het referaat van prof. dr. Jansen].

In de Internationale Spectator, uitgave van het Nederlands Instituut voor internationale betrekkingen “Clingendael”, schreef prof. dr. S.W. Couwenberg, oud-hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam een paar jaar geleden op de opiniepagina een artikel, getiteld Israel en het apartheidsbewind in Zuid-Afrika: een vergelijking, waaraan ik het volgende ontleen: “De in 1948 gestichte staat Israel vertoont in grondslag en beleid, evenals het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime, duidelijk etnisch-nationalistische en koloniale trekken, zoals een exclusief joods karakter, discriminatie van in Israel achtergebleven Arabieren, kolonisatie en territoriale expansie via de nederzettingenpolitiek in bezet gebied, opgevat als welkome gebiedsuitbreiding of ‘bevrijding van het bijbelse en historische Israel’ en als zodanig geinspireerd door de zogenaamde Groot-Israel-ideologie”. Ten onrechte schrijft hij verder:

“Op de Wereldconferentie van de Verenigde Naties tegen Rascisme in Durban in 2001 werd Israel voor het eerst beschuldigd van racisme en apartheid”. Die beschuldiging dateert echter al vanaf 1975. De revolutionaire verandering die optreedt in het islamitisch beeld van de Joden, escaleert op 10 maart 1975, wanneer een grote meerderheid van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de beruchte resolutie 379 aanneemt, waarin het zionisme met een vorm van rascisme wordt gelijkgesteld, en de politiek van de staat Israel met de apartheidspolitiek van Zuid-Afrika. Pas in het begin van de negentiger jaren van de vorige eeuw wordt deze resolutie ingetrokken en de vorige secretaris van de VN sprak er zijn afschuw over uit dat deze verkaring door de VN ooit was afgeven.

Elke vergelijking die wordt gemaakt tussen Israel en het apartheidsbewind van de blanken in Zuid-Afrika gaat volkomen mank. In hetzelfe jaar 1948 waarin de racistische apartheidsstaat in Zuid-Afrika het levenslicht zag, werd ook de staat Israel gesticht, die wezenlijk democratisch is en niet racistisch. In de onafhankelijkheidsverklaring die Ben Goerion op 14 mei 1948 voorlas, staat: “De staat Israel zal openstaan voor Joodse immigratie en voor de inzameling onzer ballingen, zal het land ontwikkelen in het belang van al zijn inwoners, zal gegrondvest zijn op de leer der vrijheid, rechtvaardigheid en vrede overeenkomstig de visioenen van Israels profeten, zal de volledige sociale en politieke gelijkheid van al zijn burgers zonder onderscheid van geloof, ras of sekse bevorderen, zal de volle vrijheid garanderen van geweten, godsdienst, onderwijs en opvoeding, zal de heiligheid en onschendbaarheid van de heilige plaatsen aller godsdiensten in ere houden, en zal trouw zijn aan de principes, zoals die zijn neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties”.

Deze verklaring impliceert natuurlijk niet dat er geen discriminatie in Israel bestaat. Ik begin al jaren elke dag met het digitaal lezen van het Israelische dagblad Haaretz en dan valt me op, hoe in deze nog jonge staat op alle niveaus fel wordt gedebatteerd over vormen van discriminatie waartegen men de strijd aanbindt. In deze zin is Israel geen uitzondering onder alle democratische staten in de wereld, die allen zonder enige uitzondering met dit probleem worstelen. Maar iedereen die meent dat in Israel minderheden meer worden gediscrimineerd dan elders, moet zich het volgende goed realiseren (zie: ADL, Israel and Apartheid: The Big Lie, 29 augustus 2005):

Israelische burgers genieten volledige gelijkheid voor de wet. Dit geldt niet alleen van Joden, maar ook van de meer dan een miljoen moslim- en christen-Arabieren, die één vijfde van de totale bevolking uitmaken. In tegenstelling met de zwarten in Zuid-Afrika hebben Arabische burgers dezelfde politieke rechten als Joodse Israeliers: zij kunnen lid worden van alle politieke partijen, hebben stemrecht, worden gekozen en afgevaardigd naar gemeentebesturen, de Knesset én zijn lid van het Hoger Gerechtshof en het Kabinet.

In de stad Jeruzalem wonen 120.000 Arabieren, die allen zonder uitzondering het Israelische staatsburgerschap kunnen krijgen, maar de meerderheid van hen heeft er voor gekozen om Jordanier te blijven en worden door Israel als zodanig aanvaard. In 1996 en 2005 mochten de Arabieren in Jeruzalem hun stem uitbrengen op de Palestijnse Authoriteit. De buitengewone lage opkomst hebben waarnemers toegeschreven aan de corruptie van de PA. Israel is een van de weinige landen in het Midden-Oosten en weidere regio’s waar aanhangers van andere godsdiensten dan de Joodse in alle vrijheid hun geloof kunnen belijden. Dit staat in schril contrast met Saudi Arabie, waar alleen het islamitisch geloof mag worden gepraktiseerd, en met Irak en Pakistan waar met name christenen door moslim-terroristen worden vervolgd (zie het schokkend relaas van Betsy Udink, Allah en Eva, 2006), in schril contrast ook met de Palestijnse gebieden, waar talrijke christenen als gevolg van de islamisering van deze gebieden het land verlieten, met Libanon, waar de exodus van christenen het gevolg is van de verontrustende invloed van Hezbollah op de samenleving én van de moorden op christelijke leiders door Syrie. Tenslotte: Arabische studenten en professoren geven colleges en debatteren met Israelische studenten en professoren aan alle universiteiten in Israel, en aan de universiteit van Haifa is 20% van de studenten Arabisch. Geen redelijk mens die geen vreemdeling is in Jeruzalem zal ontkennen dat discriminatie ook in Israel een probleem is, maar aard en omvang hiervan is niet exceptioneel, en discriminatie is nog heel wat anders dan apartheid!

Ook als het gaat om de politiek van Israel met betrekking tot de Palestijnen is het niet moeilijk aan te tonen dat Israel niet wenst te regeren over het Palestijnse volk in de zogenaamde bezette gebieden, dat wil zeggen de Gazastrook en de West-oever, die Israel in de Zesdaagse Oorlog van 1967 annexeerde. Daar zijn veel bewijzen voor te geven. Onmiddelijk na de Zesdaagse Oorlog drong de Israelische regering er bij de Arabische leiders op aan om met vredesonderhandelingen te beginnen. Israel was bereid om in ruil voor een vredesverdrag de veroverde gebieden onmiddellijk af te staan. Heel even gloorde er hoop, omdat men dacht dat de Arabische politici na hun tweede nederlaag bereid zouden zijn om na bijna twintig jaar eindelijk vrede met Israel te leven. Niets bleek minder waar. Gamal Abdel Nasser, president van Egypte, trok de volgende consequenties uit de nederlaag die de Arabieren in de Zesdaagse Oorlog hadden geleden: “Het leven heeft voor ons geen betekenis meer en is waardeloos, als niet elk voetbreed stukje grond van Palestina is bevrijd”.

Geen wonder dat op de topconferentie van de Arabische leiders, die 1 september 1967 in Khartoum werd gehouden, uit de mond van alle Arabische politici de berucht geworden drie nééns klonken die bijna als dogma’s in de notulen van de topconferentie werden vastgelegd: “Géén vrede met de staat Israel, géén erkenning van de staat Israel, en géén onderhandelingen met de staat Israel”.

Op 22 november 1967 aanvaarde de Veiligheidsraad van de VN de volgende resolutie: “Terugtrekking van gewapende Israelische eenheden uit gebieden welke in het jongste conflict (De Zesdaagse Oorlog) werden bezet; stopzetting van alle oorlogsbetuigingen of oorlogstoestanden, alsmede respect voor en erkenning van de soevereiniteit, territoriale integriteit en politieke onafhankelijkheid van iedere staat in het gebied, en hun recht op leven in vrede binnen veilige en erkende grenzen, gevrijwaard van dreigementen of gewelddaden”.

Welnu, prof. Couwenberg citeert dit artikel om te illustreren dat Israel deze (en andere) resoluties van de Veiligheidsraad aan zijn laars zou lappen. Opmerkelijk is dat hij een heel belangrijk deel van de tekst van de resolutie gewoon weglaat, namelijk de woorden: “(….) en hun recht op leven in vrede binnen veilige en erkende grenzen, gevrijwaard van dreigementen of gewelddaden”. Het is duidelijk dat Israel wordt gesommeerd veroverde gebieden terug te geven in ruil voor vrede, erkenning van Israel door de Arabische naties en veilige grenzen. Maar Couwenberg laat deze laatste zin helemaal weg en bovendien negeert hij volkomen het onmiskenbare historische feit dat Israel deze resolutie 242 van de Veiligheidsraad onmiddellijk aannam, maar dat alle Arabische leiders in het Midden-Oosten resolutie 242 van de VN radicaal verwierpen, in overeenstemming met de verklaring dat zij in Khartoum hadden afgegeven: “Géén vrede met de staat Israel, géén erkenning van de staat Israel, en géén onderhandelingen met de staat Israel”. Op 17 juli 1968 publiceert de P.L.O. het Handvest waarin tot op heden staat: in Artikel 9: “Gewapende strijd is de enige manier om Palestina te bevrijden. Daarom is het de algemene strategie, niet slechts een tactische fase. Het Palestijnse Arabische volk bevestigt zijn absolute vastberadenheid en onwankelbare beslissing de gewapende strijd voort te zetten en te ijveren voor een gewapende volksrevolutie om zijn land te bevrijden en ernaar terug te keren. Het bevestigt ook zijn recht op een heel normaal leven in Palestina en er het recht op zelfbestemming en souvereiniteit over het land uit te oefenen”.

De Oslo-akkoorden van augustus 1993 zijn het zoveelste bewijs dat Israel resolutie 242 wil uitvoeren op de voorwaarden die de Veiligheidsraad stelde: Bijna het hele Palestijnse volk (ongeveer 3 miljoen), waarover Israel sinds de Zesdaagse Oorlog van 1967 zijn gezag liet gelden, wordt door de Palestijnse Autoriteit bestuurd. Met het ontketenen van de 2de intifada in September 2000 en de zelfmoordoperaties verbrak Arafat, zoals hij zelf openlijk toegaf, de Oslo-akkoorden. Arafat verwierp het vredesvoorstel van Barak-Clinton van juli/december 2000. Ehud Barak had een heel redelijk voorstel aan de Palestijnen voorgelegd, waarbij Israel zich uit het grootste gedeelte, z0’n 95 procent van de West-oever en volledig uit de Gazastrook zou terrugtrekken met ontmanteling van de Joodse nederzettingen. Een Palestijnse staat zou worden opgericht, die de soevereiniteit over Oost-Jeruzalem zou krijgen. Last but not least trok Israel zich in de zomer van 2005 terug uit de Gazastrook. Omdat Palestijnen vanuit de Gazastrook Israel met raketten blijft bestoken, moest het leger telkens de Gazastrook weer binnentrekken om de Israelische burgers veiligheid te garanderen. Israel is nog altijd bereid resolutie 242 van de Veiligheidsraad uit te voeren, op voorwaarde dat Israel door de Palestijnse Authoriteit wordt erkend, de Palestijnen geen geweld gebruiken en Israel kan leven in een land met veilige grenzen. De conclusie is: Israel van apartheid beschuldigen is een grove leugen.

Tenslotte zou ik mijn collega een aantal vragen willen stellen:

  1. “Waarom verzwijgt u dat honderden vooraanstaande Arabische wetenschappers en geestelijke leiders op hun topconferenties (Cairo in 1968 en Teheran tijdens de 1ste en 2de intifada) de drie nééns van de politieke leiders (Khartoum 1 september 1967) hebben onderschreven?
  2. Waarom verzwijgt u dat er grote overeenstemming bestaat tussen Palestijnse wetenschappers, hoogleraren, leraren, politici, imams, juristen, journalisten, columnisten, cartoonisten en makers van radio- en televisieprogramma’s als het gaat om de uiteindelijke verdwijning van de staat Israel?
  3. En waarom verzwijgt u dat tot op heden geen titel of jota is geschrapt uit de zogenaamde charters (Handvest van Hamas: artikel 11 en 13; Handvest van de PLO artikel 9, 15, 19, 20, 21 en 22; en Handvest van Al-Fatah (de politieke partij van Abbas): artikel 12 en 19), waar in tal van varianten wordt geformuleerd dat de staat Israel geen bestaansrecht heeft en vernietigd moet worden?
  4. Tenslotte: Waarom zwijgt u over het Palestijnse onderwijs, waarin aan meer dan 1 miljoen kinderen, leerlingen en studenten tot op vandaag wordt geleerd dat Israel uiteindelijk in een heilige oorlog vernietigd moet worden?”.

Té veel Arabieren en Palestijnen zien héél Palestina als hun onopgeefbare kolonie, dat de islam in 638 A.D. heeft bezet en geannexeerd.

uit: Simon Wiesenthal Dokumentatie-centrum Wenen

Prof. dr. Hans Jansen – Nijkerk, 3 juni 2011.

Resumerend, … een artikel van Charles H. Welch:  ‘Aanvoerder van de macht der lucht, van de geest die nu werkzaam is in de kinderen van de ongehoorzaamheid’, (Efz.2:2).

Does Scripture say anything concerning war in the air?

A superficial reading of 2 Thessalonians 2 would lead one to believe that at the time of the end complete atheism will prevail, for in verse 4 we read:

  • ‘Who opposeth and exalteth himself above all that is called God, or that is worshipped; so that he as God sitteth in the temple of God, shewing himself that he is God’ (2 Thess.2:4).

The phrase, ‘all that is called God, or that is worshipped’ would include even false gods, and false worship. To such an extent will the ruler of the last days be opposed to any thought of God that he will tolerate no act of worship at all. And yet one god remains in spite of all, for this Man of Sin places himself in the temple, ‘shewing himself that he is God’. So, when we turn to the  passage of the Book of the Revelation which corresponds to 2 Thessalonians 2, we find, in a day when God will be denied and the Beast shall open his mouth and blaspheme God and His name (Rev.13:6), that all the world will wonder after the Beast, ‘and they worshipped the Dragon which gave power unto the Beast; and they worshipped the Beast, saying, Who is like unto the Beast? who is able to make war with him? (Rev.13:4).

The word here translated ‘power’ is exousia and means ‘authority’:

  • All this authority (said the Devil) will I give Thee, and the glory of them: for that is delivered unto me; and to whomsoever I will I give it. If Thou therefore wilt WORSHIP ME, all shall be Thine’ (Luk.4:6,7).

Here is the direct contrast to Revelation 13:4. What Christ refused, the Man of Sin accepts.

Satan is called in Ephesians 2:2 ‘The prince of the authority of the air’, and his agents are described as the ‘world-holders of this darkness’ (Eph.6:12). There are only seven occurrences of aer (‘air’) in the New Testament and there can be no doubt that the ‘air’ in the commonly accepted sense of the word is intended. ‘They cried out, and cast off their clothes, and threw dust into the air’ (Acts 22:23). Had the passage read, ‘threw dust in their eyes’ we might have felt that a figure of speech was intended, but, as the passage stands, the meaning must be literal.

So 1 Corinthians 9:26, ‘beateth the air’, 1 Corinthians 14:9, ‘speak into the air’, 1 Thessalonians 4:17, ‘meet the Lord in the air’, are all to be taken literally. When we read in Revelation 9:2 that the sun and the air were darkened, the reason given, the smoke coming out from the pit, is a sufficient explanation, and no figure need be introduced.

In Revelation 16 we find the kings of the earth gathered together by demoniacal powers to battle. The place where they assemble is called Armageddon; and immediately this is stated, we read that the last of the seven vials is poured out into the ‘air’ (Rev.16:13-17).

Satan has the ‘authority of the air’. When he gives this authority to the Beast, the whole world realizes immediately that he is invincible, and their thoughts turn at once to war. The last of earth’s battles is to be fought at Armageddon, and it will be brought to an end when the angel pours out his vial into the ‘air’!

Leaving this passage for the moment, let us go back to the apocalypse of the Old Testament, the Book of Daniel. The eleventh chapter reveals the character of the time of the end:

  • ‘And the king shall do according to his will; and he shall exalt himself, and magnify himself above every god, and shall speak marvellous things against the God of gods … neither shall he regard the God of his fathers … but in his estate shall he honour the god of forces … . Thus shall he do in the most strong holds with a strange god, whom he shall acknowledge and increase with glory’ (Dan.11:36-39).

The Hebrew word maoz, ‘force’, occurs seven times in Daniel 11:

  • ‘Also I in the first year of Darius the Mede, even I, stood to confirm and to stenghthen him’ (11:1).
  • ‘Out of a branch of her roots shall one stand up in his estate, which shall come with an army, and shall enter into the fortress of the king of the north’ (1:17).
  • ‘His sons shall be stirred up, and shall assemble a multitude of great forces (chayil, “army” as in Dan.11:7,13,25,26): and one shall certainly come, and overflow, and pass through: then shall he return, and be stirred up, even to his fortress‘ (11:10).
  • ‘Then he shall turn his face toward the fort of his own land’ (11;19).
  • ‘And arms shall stand on his part, and they shall pollute the sanctuary of strenght, and shall take away the daily sacrifice, and they shall place the abomination that maketh desolate’ (11:31).
  • ‘He shall honour the god of forces‘ (11:38).
  • ‘In the most strong holds’ (11:39).

The first reference in this chapter is to the angelic power that strengthened Darius the Mede when he became king over the realm of the Chaldees (Dan.11:1). The closing references are to the supernatural powers that will be activating the Man of Sin.

One of the continual ascriptions of praise offered to God in the Old Testament is that He is the Strenght of His people, the same word maoz being used:

  • ‘He is the saving strenght of His anointed’ (Psa.28:8).
  • ‘He is their strenght in the time of trouble’ (Psa.37:39).

The Man of Sin is opposed to God and all His ways, and naturally turns elsewhere for strenght. Psalm 52, while speaking in the first place of Doeg the Edomite, is prophetic also the Man of Sin:

  • ‘This is the man that made not God his strenght (maoz) … and strengthened (azaz) himself in his wickedness’ (Psa.52:7).

Psalm 68 is also prophetic of the time of the end. It speaks prophetically of Christ’s ascension. ‘Thou hast ascended on high’ (verse 18), and also of His Second Coming: ‘His strenght is in the clouds’ (verse 34).

In the blessing pronounced by Moses, when he looks down the ages to the times of the end, he says:

  • ‘There is none like unto the God of Jeshurun, Who rideth upon the heaven in thy help, and in His excellency on the sky’ (Deut.33:26).

This is the prophetic answer to the world’s cry at the empowering of the Beast: ‘Who is like unto the Beast? who is able to make war with him?’ If the power of the Beast is the power of the ‘air’, it is equally true that the Deliverer of Israel ‘rides upon the heaven … and on the sky’. In Psalm 68 also we read: ‘Him that rideth upon the heavens’ (Psa.68:4,33). For the same reason the Second Coming is often associated with ‘clouds’.

Isaiah speaks of the day to come when Israel will be tempted to trust in chariots and horses, instead of looking to the Holy One of Israel (Isa.31:1). This will be following the policy of the Man of Sin, ‘the man who made not God his strenght’ (Psa.52:7).  After rebuking Israel for their trust in the arm of flesh, the passage goes on to speak of the deliverance that will be accomplished by the Lord:

  • ‘… so shall the LORD of hosts come down to fight for mount Zion, and for the hill thereof. As birds flying, so will the LORD of hosts defend Jerusalem; defending also He will deliver it; and passing over (hovering over) He will preserve it’ (Isa.31:4,5).

We are anxious not to fall into the mistake of misusing the prophets by attempting to prophesy ourselves. We simply draw attention to a series of facts, which have an obvious bearing on the subjext before us, and leave the reader to draw his own conclusions. It is clear that the great world power at the time of the end will be considered invincible. Its leader will receive power from Satan, and will worship one god only, a ‘god of munitions’ (Dan.11:38 margin). As we also know, he will worship Satan and so it seems clear that this god of munitions must be Satan himself. The Scriptures refer to Satan as ‘the Prince of the authority of the air’, and it is the general conviction among all nations that supremacy in the air and worldwide dominion will, in the future, go together. It is clear that the allusions to the deliverance of Israel by the Lord, Whose ‘strenght is in the clouds’, Whose excellency is ‘on the sky’ and Who will at lenght defend Jerusalem ‘as birds flying’, cannot be explained away. The Second Coming of Christ is often associated with ‘clouds’, so much so that the Rabbins gave the Messiah the title, ‘The Cloud Comer’. Taking all these things into consideration the conclusion seems irresistible that we are living in days when the last weapon is being perfected, the weapon which will be used by Satan and his agents in their final bid for world power.

It may well be that the great dictator at the time of the end will have such control over those lands rich in oil and the materials necessary for nuclear fission that the rest of the world will be obliged to say, ‘Who is able to make war with him?’ The prophetic earth is reshaping for the prophetic climax.

Prophetic times that lies ahead …

Expansie en omsingelingspolitiek

De geopolitieke agenda van het kwartet als dat van de V.N. – E.U. – V.S. en Rusland,  aangaande het Midden-Oosten geeft alle reden tot bezorgdheid als het gaat om de strijd over het bijbelse hartland Judea en Samaria en de verdeling van de Stad in Oost en West Jeruzalem. Mede door de voortdurende dreiging die uitgaat aan Israels grenzen van Hamas in het zuiden en Hezbollah in het noorden, en het gevaar van een overrompelings oorlog op de Golanhoogten door Syrie, de atoomdreiging van een Iraanse atoombom, en de oprukkende islamitische radicalisering in landen als Ethiopie, Soedan, Turkije, Gaza, Lybie, Libanon, en Egypte die aan de winnende hand zijn, met in de rug gesteund door de expansiepolitiek van Rusland in de levering van hypermoderne wapens en technologie, is het profetische plaatje waar de profeet Ezechiel over spreekt bijna rond en doet het de mensheid belandde in apocalyptische tijden, waarvan de profeten van Israel op een niet mis te verstane wijzemelding van hebben gemaakt (Jes.17:1-3;Ezech.38 en 39).

Aftellen begonnen

Het wegtikken van de tijd op de profetische klok heeft één voordeel, dat men dan meestal weet hoe laat het is! Dit geldt natuurlijk in de eerste plaats voor Israel, alsmede voor haar belagers, waarin de eschatologie [leer der laatste dingen] voor beiden een belangrijke rol speelt. Daarom is voor wat de profetie betreft de vraag haast overbodig van hoeveel tijd wordt er nog toegemeten, alvorens naar deze profetie die “vol” raakt en werkt als communicerende vaten, de zegels van de verzegelde boekrol als een “lossersakte” in het Apocalyptische gebeuren naar de Mozaische wetgeving worden losgemaakt?

Het blazen op de schofar

Tijdens de meest opzienbarende oorlog die Israel gevoerd heeft in haar prille bestaan, de ‘Zesdaagse Oorlog’ van 5 – 10 juni 1967 die ook wel genoemd wordt:

  • SIX DAYS how the 1967 war shaped the MIDDLE EAST
  • JUNI 1967 and the making of the modern MIDDLE EAST

is het de Opperrabbijn Shlomo Goren geweest die tijdens de herovering van Jeruzalem jubelend sprak over de komende ‘Messiaanse tijd’, toen hij op de 7e juni 1967 met de Schofar en Thora-rollen en uitzinnig van vreugde bij de Klaagmuur en op het Tempelplein begonnen is met het bazuinen! In het verlengde hiervan is die bazuin met het oog op de ‘Yom Kippur Oorlog’ van 6 oktober 1973 feitelijk niet meer tot rust gekomen. De 42 jaren die er liggen tussen de ‘Yom Kippur’ van 6 oktober 1973 en de ‘Yom Kippur’ van 23 september 2015, symboliseren de 42 geslachten (3×14) die uitliepen op de geboorte van de Jezus Messias, zo ook de 42 pleisterplaatsen die de kinderen Israels passeerde voordat het beloofde land door Jozua werd ingenomen (Num.33:1-49;Matth.1:17). Zo zullen de barensweeen in het Midden-Oosten hun toppunt bereiken in de aankondiging van de geboorte van een nieuwe eeuw [gr. aioon], die van het Messiaanse rijk, die Jesjoea als de Leeuw van Juda en als de Koning der koningen zal opeisen daar Hij de LOSPRIJS, d.i. Zijn Offerbloed betaald heeft!

Uit de visioenen in de Apocalyps valt op te maken dat er in de hemel, als de tijd “vol” is de voorbereidingen getroffen worden in de openbaarwording, het manifest worden van Jezus Messias, die de Losser (Goel) van de in beroering zijnde wereld in het Midden-Oosten is.

Mozaische wetgeving

In het boek Leviticus wordt er op een heel bijzondere wijze gesproken over het ‘Jubeljaar’, het 50e dat na 49 jaar (7×7 sabbatsjaren) manifest wordt in een ‘volheid’ van tijd. Het is daar, waar op een wonderbaarlijke wijze aangaande een stuk Mozaische wetgeving wordt weergegeven, dat ook in het stramien van het verlossingsproces voor wat betreft Israel en de heidenvolkeren zoals beschreven in het visioen uit het boek de “Openbaring van Jezus Messias” dit verduidelijkt wordt, dat ná een bepaalde tijd het vervreemde eigendom weer in de handen van de oorspronkelijke eigenaar terug kwam, en waar tevens het lot van het gehele bestaan van de wereld in de waagschaal ligt (Lev.25:8-10;Openb.5:1-14). In het licht van deze  losser-procedure krijgt het visioen van Openbaring 5, een buitengewoon verrassende en voor de uitleg van het laatste Bijbelboek bepalende betekenis in het licht van de 7×7=[49 x 36o dagen] (sabbatsjaren) jaar weken gerekend in een ‘volheid’ van tijd vanaf de hereniging (re-united) van Oost en West Jeruzalem op 7 juni 1967 tot aan de ‘Yom Kippur’ van 23 september 2015!

Wie is waardig

Zo suggestief en overtuigend treedt de onwaardigheid van alle schepselen hier aan het licht, dat de apostel Johannes bij het visioen huilt. De oorzaak van dit wenen kan ons pas duidelijk worden als we beseffen dat Johannes in dit visioen in de geest in de hemel aanwezig is, in de tegenwoordigheid van God. Daar waar God Zelf is, wordt gezegd dat niemand waardig is. Deze ongeopende “lossersakte”, waarvan gezegd is dat niemand deze kan openen, het Johannes is die een LAM ziet staan als geslacht, de LEEUW uit de stam van JUDA, die de spruit van David blijkt te zijn, hetgeen alles te maken heeft met de nog steeds vacante troon in de stad JERUZALEM (Ps.2:8;72:8).

Nadat adembenemende moment van stilte (5:5), is daar het Lam dat tevoorschijn komt en het eerste van de zegels opent! (6:1). The year of Jublilee proclaimed! Hierbij is gezegd dat de ‘Yom Kippur’ van 2015 op 23 september wel eens van grote betekenis kan zijn in het manifest worden van dat kleine boekje, dat de toests der eeuwen heeft doorstaan; en waarom is déze Apocalyps wél in de Bijbel opgenomen? Het zijn vragen die alleen vanuit het boek “De openbaring van Jezus Messias” zelf kunnen worden beantwoord; beter: vanuit de gehele Heilige Schrift en haar samenhangen, en dan in een vast geloof aan de waarheid van alle bijbelse profetie, die reeds aangaande Israel en de heidenvolkeren op zoveel punten vervuld werd!

Tekenen, en tot Gezette Tijden, en tot Dagen en Jaren

Wederom zullen er naar de Schriften in de voleinding van deze boze eeuw [gr. aioon]zich aan zon en maan tekenen voordoen, bij het naderbij komen van de Messias Jezus en het Messiaanse rijk (Joel 2:30-31;Matth.24:29-30;Luk.21:25-26). De eertse aanzetten hiervan vonden plaats in de jaren 1949 en 1950 nadat op 14 mei 1948 Israel een Onafhankelijke staat was geworden. Evenzo was dit het geval in 1967 bij de hereniging (re-united) van Oost en West Jeruzalem, en in 1968, waar in die jaren op ‘Pesach/Pasen’ en ‘Sukkot/Loofhuttenfeest’ er 4 opeenvolgende maaneclipsen (bloed rode manen) aan de sterrenhemel te zien waren. Het eerst volgende (tetrads) viertal zal zich voordoen in 2014 en 2015 (zie: eclipsen plaatje)!

Het feit dat zich in 2014 en 2015 opnieuw een aantal eclipsen aan zon en maan zich voordoen, bewijst nogmaals dat de Schriftplaatsen in Genesis 1:14-16 en Psalm 104:19 wáár zijn, daar zij zeggen dat zon en maan gesteld zijn tot TEKENEN en tot GEZETTE TIJDEN, en tot DAGEN en JAREN op Mijn gezette hoogtijden, de Feesten van Israel! (Lev.23:2).

De geest wordt uitgestort

Dat is de troost en hoop voor de wereld, en tevens het intermezzo … waarin de kracht van Gods Geest zal worden uitgestort over de twaalf stammen van Israel (7:1-8) te midden van het Apocalyptische gebeuren met in ‘t brandpunt daarvan Jeruzalem, waar ‘Gog’ met z’n krijgsbende (lees: Rusland, Iran, Turkije en de radicale islam) op de bergen van Israel tot hun einde komen, en ‘dan zullen zij die van het huis van Israel zijn, weten dat Ik, de Heere, hun God ben, vanaf die dag en voortaan (Ezech.38:8;39:22;Joel2:20,28-32).

Het voltrekken van het oordeel

Het voltrekken van het oordeel begint na het openen van de boekrol die beschreven (was) van binnen en van buiten, wel verzegeld met zeven zegels (Openbaring 5:1) Volgens Joodse traditie wordt het oordeel over de mens verzegeld aan het einde van ‘Yom Kippur’. Openbaring 6 begint te verhalen van de rampen die de mensheid over zichzelf heeft afgeroepen. Bij de opening van de eerste vier zegels komen alleen mensen om; er is daarbij sprake van oorlog, hongersnood en ziekte. Mensen komen om door het zwaard, honger, zwarte dood en door wilde dieren. Bij het vijfde zegel vragen de martelaren aan God om hun dood te wreken. Bij het zesde zegel ontrolt zich voor het oog een ecologisch en kosmisch drama aan zon, maan, sterren en gewassen. Op een schijnbaar willekeurig gekozen moment krijgt een engel opdracht in te grijpen, en roept het proces een halt toe:

  • ‘En ik zag een andere engel opkomen van waar de zon opgaat, met het zegel van de levende God. En hij riep met luide stem tegen de vier engelen aan wie het gegeven was de aarde en de zee schade toe te brengen, en zei: Breng geen schade toe aan de aarde, en ook niet aan de zee en de bomen, totdat wij de dienaren van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben’ (Openb.7:2-3).

Na afloop van dit hemelse ‘Sukkot’ (7:9-17) krijgen de engelen toestemming om de ramshoorn van ramspoed te blazen! (Openb.8:7-12). Vanaf Openbaring 8 wordt beschreven wat de gevolgen zijn als de mensheid zich (in meerderheid) niet door Gods waarschuwingen tot de orde heeft laten roepen. Op wereldmilieuconferenties worden tonnen papier verspreid en veel mooie woorden gesproken. Als de goede  voornemens niet gepaard gaan aan daden van bekering (tesjoeva), dan blijven het slagen in de lucht!

Wat tesjoeva inhoudt blijkt uit Jeremia 31:18-19, de laatste woorden van de profetenlezing op de tweede dag van Rosj Hasjana:

  • ‘Bekeer mij, dan zal ik mij bekeren, want Gij, Eeuwige, zijt mijn God. Want nadat ik tot inkeer ben gekomen, heb ik berouw gekregen.

Het ijselijke van wat de Apocalyps de mensheid meedeelt in het proces van de inbezitneming der aarde door Jesjoea hammasjiach, is dat de mensen zich niet tot Hem bekeren Die de macht over deze plagen heeft … (Ap.9:20-21;16:9-11).

  • ‘En de overige mensen, die niet door deze plagen werden gedood, bekeerden zich niet van de werken van hun handen; zij bleven demonen aanbidden [opdat zij niet … zouden aanbidden] en de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgoden, die niet kunnen zien, horen of lopen. Ook bekeerden zij zich niet van hun moorden, hun toverij, hun ontucht en het plegen van diefstal’.
  • ‘En de mensen werden verzengd door grote hitte. Maar zij lasterden de Naam van God, Die macht heeft over deze plagen, en zij bekeerden zich niet om Hem eer te geven. En de vijfde engel goot zijn schaal uit over de troon van het beest, en zijn koninkrijk werd verduisterd. En zij beten op hun tong van pijn. En zij lasterden de God van de hemel vanwege hun pijn en vanwege hun zweren, maar zij bekeerden zich niet van hun werken’.

Gerard J.C. Plas
|

Be Sociable, Share!
 Posted by at 06:00

  One Response to ““Als verrijkt uranium en raketten de hardware zijn, dan is opruiende taal en aansporing tot vijandschap en haat tegen Israel de software, die nodig is om de hardware aan te sturen” (prof. Elihu richter en prof. Israel Charney). – Een grove leugen verspreidt zich over alle continenten van de wereld: Israel is een apartheidsstaat – ‘The prince of the authority of the air’ – editoral”

  1. Thanks for sharing your thoughts on Israël.
    Regards

    Review my weblog Relationhip Management

 Leave a Reply

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

(required)

(required)

Translate »