Apr 032011
 

In de Schrift staat dat de vijand uiteindelijk tegen ons ten strijde zal trekken als we gewoon weggaan. RASHI naar Deuteronomium 20:11-12

Er wordt soms gedacht dat naarmate de mens langer op deze aarde rondloopt, hij leert om zich steeds beter te beheersen. De geschiedenis van de mensheid ondersteunt dergelijke theorieen van menselijke sociale evolutie echter niet. Dit is teleurstellend, vooral als het aankomt op de heilige plaatsen van de wereld, waar terughoudendheid als een deugd van religie misschien nog het meest verwacht zou worden. En dat geldt vooral in het geval van de tempelberg waar, boven alle andere plaatsen op deze wereld, God een speciaal doel mee heeft. Israel is gewend geraakt aan een lange geschiedenis van bedreiging en onderdrukking wat betreft de tempelberg. Op de dag waarop het Romeinse tiende legion de tempelberg bestormde en het Heiligdom in brand stak, kwam er een einde aan de Joodse soevereiniteit over het terrein. In daaropvolgende 1897 jaar werd Jeruzalem veroverd door allerlei verschillende volken, maar de tempelberg bleef altijd onder heerschappij van niet-Joden. Oorlogen tussen andere naties hadden de tempelberg als inzet, zoals de Krimoorlog (1853-1856), die uitbrak als gevolg van een conflict over de heilige plaatsen door Rusland en Frankrijk. Maar de Joden bleven buiten deze conflicten, want de heilige plaats bleef onbereikbaar voor hun aanbidding en al helemaal voor hun heerschappij. Saladin had bijvoorbeeld elke niet-islamitische toegang tot de tempelberg in 1187 A.D. verboden, toen hij de Kruisvaarders uit Jeruzalem verdreef. Dit verbod bleef de daaropvolgenden 668 jaar van kracht, totdat de hertog van Brabant in 1855 de eerste niet-moslim was die de Rotskoepel mocht bezoeken. Ondanks dit verbod tot de tempelberg, hebben de Joden er sinds de middeleeuwen naar gestreefd toegang te krijgen tot een overgebleven deel van de Tempel dat in het Hebreeuws bekend staat als Kotel (“Muur”) en in het Nederlands als de Westmuur of Klaagmuur.

De strijd begint bij de muur

Dit deel van de muur maakte geen deel uit van de muren van de Tempel zelf, maar was een onderdeel van de steunmuur die Herodus de Grote had laten bouwen rond de berg Moria om het tempelplatform te ondersteunen. Andere delen van deze muur zijn in het verleden ook toegankelijk geweest, zoals het zuidwestelijke deel, waar in de zesde eeuw een Joodse inscriptie is geplaats in verband met de hoop op de herbouw van de Tempel door keizer Julius, een ondergronds deel in de huidige Westmuurtunnel, waar Joden in de middeleeuwen in het geheim samenkwamen om te bidden en de Kotel Qatan (“Kleine Muur”), een klein gedeelte van de Westmuur dat tussen Arabische winkels en huizen in het moslimgebied staat.

Maar de Westmuur is door de eeuwen heen het meest prominente en toegankelijke deel van de muur voor de Joden geweest, vooral op Tisha B’Av, de datum waarop de Joden rouwen over de verwoesting van de twee Tempels. Eeuwenlang was dit de enige datum waarop het Joden toegestaan was de stad binnen te gaan en was de Westmuur de enige plaats om hun verdriet over het verlies van hun Tempel te uiten. Om deze reden werd de naam ‘Klaagmuur’ verbonden aan het terrein. Lange tijd mochten Joden alleen in een smalle steeg voor de muur komen, terwijl moslims op het 35 hectare grote moskeeplatform erboven baden. Tijdens de negentiende eeuw zorgde de toestroom van Joodse immigranten ervoor dat de Joodse bevolking flink in aantal toenam en werden de Arabische leiders bezorgd. Jeruzalem heeft altijd een overgebleven Joodse bevolking gehad, maar in 1866 maakten Joden voor het eerst sinds 614 A.D. weer de meerderheid van de stad uit. In 1827 weigerde de Egyptische heerser Mohammed Ali om tegemoet te komen aan het Joodse verzoek om de stoep bij de Westmuur te reparenen. Maar toen de Joodse bevolking de meerderheid ging uitmaken, was Mozes Montifiore in staat om op grote schaal reparaties uit voeren. Onder het Britse mandaat, dat in 1917 begon, kregen de Arabische moslims die het terrein bezochten speciale bescherming omdat de Arabische wereld gezien werd als een strategische aanwinst voor de Britten. Als gevolg daarvan werd het Joden onder bij de muur verboden om zelfs maar op een sjofar te blazen of een hoorbaar geluid te maken dat islamitische aanbidders kon storen, terwijl moslims onbeperkt toegang hadden tot de tempelberg en vijf keer per dag de oproep tot gebed mochten laten klinken. Ondanks deze beperkingen bleven de Joden hun religieuze verplichtingen uitvoeren in de nauwe steeg bij de Westmuur, ondertussen getart door moslims die hun gebeden probeerden te verstoren. Op 23 augustus 1929, na een jaar van voortdurende treiterijen aan het adres van de Joodse aanbidders bij de muur en het verzoek of er scheidingsmuren, banken en heilige (thora) arken geplaatst konden worden op deze plaats om de aanbidders van dienst te zijn, stormden duizenden Arabieren uit het tempelcomplex en vielen de Joden aan.

De strijd van 1948 om de tempelberg

De felle strijd tussen Arabieren en Joden om de toegang en heerschappij over de Westmuur was één van de factoren die leidden tot politieke inmenging in de problemen in Palestina. De grootmoefti van Jeruzalem Hajj Amin Al-Husseini, een Arabische nationalistische leider, stond aan het hoofd van de anti-Joodse opstanden in Jeruzalem tussen 1919 en 1940 en tijdens de Tweede Wereldoorlog spande hij met Adolf Hitler tegen de Joden samen. Hij was de voornaamste Arabische propagandist van het Derde Rijk en hielp de Nazi’s bij hun poging om de Joden volledig uit te roeien. Hoewel Israel op 14 mei 1948 onafhankelijk werd verklaard, nam Jordanie de leiding over Oost-Jeruzalem en werd de Joden de toegang tot de Westmuur en de tempelberg ontzegd. Op 25 mei 1948, na weken van hevige gevechten, werden de verdedigers van het Joodse Kwartier en ongeveer 80 Hagganah soldaten overmeesterd door de Arabische legioensoldaten. Om de meer dan 2000 bejaarden te redden die nog in dat deel van de stad woonden, gaven deze verdedigers zich over en viel het oostelijke deel van de stad in handen van de Jordaniers. In de daarop volgende 18 jaar versperde Jordanie de Joden de toegang tot hun aanbiddingsplaatsen in dit deel van de stad, inclusief de Westmuur, dat bijna 2000 jaar lang het middelpunt van het Joodse gebed had gevormd.

Terrorisme op de tempelberg

Op het moment dat de tempelberg onder de heerschappij van Jordanie kwam te vallen, was Abdulllah I de koning van dat land. Hij werd te welwillend ten opzichte van de Zionisten en de Britten geacht en hij verzwakte zijn machtspositie door Palestijnse Arabieren overheidsfuncties te laten bekleden. Hij werd impopulair, vooral onder de Arabische nationalisten die geleid werden door de militante moefti van Jeruzalem Hajj Amin Al-Husseini. Als gevolg hiervan werd hij op zekere dag, toen hij de Al-Aqsa moskee voor gebed betrad, vermoord door aanhangers van de moefti – slechts drie jaar nadat Jordanie de tempelberg had ingenomen. De gebeurtenis vond plaats onder de ogen van de tienerzoon van Abdullah, Hussayn bin Talal (Hussein), die zijn geestelijke zieke vader Talal in 1953 zou opvolgen als koning. En net zoals zijn grootvader de heerschappij over de heilige plaatsen was kwijtgeraakt aan een Palestijnse terrorist (Husseini), zo zou ook de kleinzoon, die koning Hussein werd, de heerschappij over het terrein verliezen aan een andere Palelstijnse terrorist, Yasser Arafat (een familielid van Husseini).

Het is ook belangrijk om op te merken dat dit terrorisme en geweld tussen de moslims plaatsvond, op een islamitische heilige plaats en op een tijd waarop de tempelberg volledig onder islamitische heerschappij viel. Zulke feiten trekken de zogenaamde heiligheid die de moslims aan de plaats toeschrijven net zozeer in twijfel als de manier waarop de huidige nakomelingen van deze terroristen, die de tempelberg nu besturen, de plaats vrij van geweld kunnen houden, zelfs als ze er soevereiniteit over hebben.

De “strijd” van Jordanie om de tempelberg

Het Hasjemitische koninkrijk Jordanie heeft een eigen strijd om de tempelberg gevoerd. In 1949 veroverden Jordaanse troepen het gedeelte dat nu bekend staat als de Westelijke Jordaanoever, dat het oostelijke deel van Jeruzalem met de tempelberg en het Joodse Kwartier omvatte, samen met Joodse instellingen als het Haddasa ziekenhuis en de Hebreeuwse universiteit. Jordanie bezette het gebied tijdens een slag in een agressieve oorlog en annexeerde het gebied op illegale wijze in 1950, waarbij het zijn eigen naam van Transjordanie in Jordanie veranderde, omdat het idee van trans (“naast [ten oosten van]“) niet langer toepasselijk was. In de daaropvolgende twintig jaar werd geen Jood in het westelijke deel van Jeruzalem toegang tot de tempelberg verleend – en zelfs niet tot de Westmuur.

In 1988, maanden nadat de PLO (Palestine Liberation Organisation) met succes een intifada (“opstand”) tegen Israel was begonnen, besloot de Arabische alliantie de PLO te erkennen als de officiele vertegenwoordiging van het Palestijnse volk, en dat Jordanie haar aanspraak op het gebied dat de toekomstige Palestijnse staat moest huisvesten, moest intrekken. Dit was een belangrijke verandering, want Jordanie had na 1967 nooit de hoop op het terugveroveren van de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem opgegeven, en de relatie van het land met de PLO werd gekenmerkt door conflicten. Om te voorkomen dat de intifada van de PLO zich tot in Jordanie zou verspreiden, legde de Jordaanse koning Hussein op 31 juli 1988 een officiele verklaring af, waarin hij formeel een einde maakt aan elke Jordaanse aanspraak op de Westelijk Jordaanoever. Maar Jordanie bleef de heerschappij houden over de islamitische heilige plaatsen in Jeruzalem.

Daarom, toen Israel in 1994 een vredesakkoord met Jordanie tekende, werd alleen dat land erkend als de beschermer van de heiligdommen op de tempelberg. Artikel 9 van het Israelisch-Jordaanse vredesverdrag van 26 oktober 1994 omschrijft deze erkenning als volgt: ‘Israel eerbiedigt de speciale rol van het Hasjemitische Koninkrijk van Jordanie inzake de moslim heiligdommen. Wanneer de onderhandelingen over de permanente status zullen plaatsvinden, zal Israel hoge voorrang aan de Jordanese historische rol m.b.t. deze heiligdommen verlenen.’ In het daaropvolgende jaar maakte koning Hussein zijn verplichting waar en plaatste hij zijn eigen Palestijnse moefti in Jeruzalem en begon hij met de restauratie van de Rotskoepel.

Voordat dat project echter voltooid was, ging Yasser Arafat aan de Jordanese moefti voorbij door zijn eigen Palestijnse moefti aan te stellen, die de Palestijnen opdroeg om elk religieus bevel dat niet van hem kwam, te negeren. Daarna droeg koning Hussein de controle over het terrein over aan de Palestijnen, hoewel hij (en later zijn zoon en opvolger Abdullah II) bleef volhouden dat hij de beschermer was van de heiligdommen van Jeruzalem.

De strijd van 1967 om de tempelberg

Op 5 juni 1967 sloot koning Hussein zich bij andere Arabische staten aan om samen een aanval op Israel uit voeren. Tijdens deze Zesdaagse Oorlog resulteerde de strijd om de tempelberg erin dat de Jordanese Arabieren van de tempelberg vluchtten en Israelische verdedigingstroepen het terrein innamen. Pas toen ontdekten de Israelische troepen de enorme omvang van de ontheiliging en verwoesting van alles was Joods was op de berg. Onder de Jordanese heerschappij waren er 56 Joodse synagogen vernietigd, was de Westmuur tot een vuilstortplaats geworden, waarbij stenen van de muur gebruikt waren om huizen te bouwen en waren Joodse grafzerken gebruikt om latrines op te richten. De tempelberg zelf, hoewel nog steeds in gebruik voor islamitische gebeden, was niet onderhouden. De Al-Aqsa moskee en de Rotskoepel bevonden zich in staat van verval en gras en onkruid bedekten de stenen van het heilige platform.

De Israelische soldaten die de berg triomferend ingenomen hadden, hesen de Israelische vlag op de Rotskoepel. Maar binnen enkele uren op de eerste dag van de overwinning beval hun leider, Moshe Dayan, dat de vlag weer omlaag gehaald moest worden. Deze daad vormde het begin van de koers die aangehouden zou worden wat de islamitsche heilige plaatsen betrof. Dayan vreesde dat de Arabieren wraak zouden nemen op de Joodse heerschappij over de tempelberg en gaf de jurisdictie over het terrein daarom terug aan de moslims. Volgens latere verslagen was de Waqf bereid genoegen te nemen met alleen het gebied van de Al-Aqsa moskee, in de overtuiging dat de Joden de heerschappij wilden houden over het gebied van de Rotskoepel, waar de Joodse Tempel had gestaan. Dayan had daar echter nooit aan gedacht, maar hij wilde vrije toegang voor alle religies tot het terrein onder de islamitische jurisdictie. Uiteindelijk werd hij gedwongen in te stemmen met de eis van de Waqf dat de islamitische wet elke toegang met religieuze redenen van niet-moslims verbood. Zo kreeg de Waqf de heerschappij over het hele terrein terug en oefenden ze zeer strenge controles uit op de Joden die ze met tegenzin als toeristen op het terrein moesten erkennen. Deze overeenkomst heeft de concessie van de Israelische regering aan de Waqf, die de politieke beslissingen samen met de Arabische staten en de Palestijen neemt, sindsdien doen voortduren, uit angst dat enige verandering die de overeenkomst schendt zal leiden tot een oorlog met de Arabische wereld.

Toch betekende de Israelische beslissing dat de Joden naar de Westmuur aan de voet van de Tempelberg konden terugkeren. Helaas stak de Australische toerist Dennis Michael Rohan, lid van een groep die als een sekte werd gezien door fundamentalisten en evangelische christenen, op 23 augustus 1969 de Al-Aqsa moskee in brand, in de overtuiging dat dit de komst van Christus zou bespoedigen. Als reactie demonstreerden moslims en beschuldigden ze de Israelische regering ervan de brand opzettelijk te hebben gesticht om een gelegenheid te creeren om de Tempel te kunnen herbouwen. De islamitische Waqf sloot de tempelberg toen twee maanden lang voor niet-moslims.

In februari 1976 kwam er een wetsvoorstel dat Joden zou toestaan om op de tempelberg te bidden. Arabische scholen en winkels gingen dicht en er braken rellen uit in protest tegen het wetsvoorstel. Toen in maart 1979 het gerucht de ronde deed dat er een Joodse gebedsdienst op de tempelberg gehouden zou worden, ontstond er een enorme opstand op de Westelijke Jordaanoever en bestormden tweeduizend Arabische jongeren de tempelberg met stenen en stokken. In augustus 1981 veroorzaakte de ontdekkingen en opgraving van een tunnel uit de tijd van de tweede Tempel weer een rel onder de moslims. Uit protest sloten Arabische scholen en winkels opnieuw hun deuren en de islamitische autoriteiten eisten dat de Israelische autoriteiten de oude poort voorgoed zouden sluiten, ondanks dat de rabbi’s die de poort ontdekt hadden beweerden dat de Ark van het Verbond achter de poort begraven lag.

In januari 1986 ontstonden er weer opstanden toen een Israelisch Knesset-lid probeerde te bidden op de tempelberg. Op 8 oktober 1990, toen meer dan 20.000 Joodse aanbidders bij de Westmuur bijeenkwamen voor gebed tijdens het Loofhuttenfeest, gooiden 3000 Palestijnse moslims vanaf de tempelberg stenen op de Joodse menigte onder hen. In de gevechten die daarop volgden, lieten 18 Arabieren het leven en werd er vanuit Irak door Saddam Hussein, die de Palestijnse zaak toejuichte, een raket op Israel afgevuurd. Eind oktober 1991, tijdens de vredesbesprekingen over het Midden-Oosten in Madrid, beschuldigde de Syrische minister van buitenlandse zaken Farouk al-Shara Israel van een poging om de Al-Aqsa moskee op te blazen en verklaarde hij dat er geen vrije toegang zou komen voor Joden tot de religieuze plekken op de tempelberg, tenzij Israel Oost-Jeruzalem (inclusief de tempelberg) zou teruggeven aan de Palestijnen.

Op 13 september 1993, de dag waarop het vredesakkoord tussen Israel en de PLO getekend werd, kondigde PLO-voorzitter Yasser Arafat aan dat alle moskeeen, kerken en heilige plaatsen in Oost-Jeruzalem binnenkort onder Palestijnse heerschappij zouden vallen. En als reactie op een schietpartij in de Hebron moskee in februari 1994 werd de tempelberg tijdelijk gesloten voor niet-moslims. In september 1995 veroorzaakte de opening van een uitgangstunnel voor toeristen die naar de Westmuur leidde, rellen van moslims op de tempelberg. Deze rellen spreiden zich uit tot in nabijgelegen Arabische dorpen en 58 mensen kwamen hierbij om het leven. In 1996-1997 veroorzaakte elke poging van de Joden tot openlijk gebed op de tempelberg nieuwe opstanden en uiteindelijk de sluiting van de tempelberg voor korte perioden.

In 1998 eigenden moslims zich het gebied van de Hulda-poort achter de zuidelijke muur van de tempelberg toe en bouwden er een moskee, ondanks Joodse protesten. De moefti verklaarde dat de islamitische soevereiniteit over de heilige plaatsen niet in het geding zou komen. Tijdens de eerste paar maanden in 1999 werden meer dan vijf pogingen om de tempelberg aan te vallen tegengehouden door de politie van Jeruzalem en kregen de Palestijnen nog meer macht over de tempelberg met het oog op een onafhankelijke Palestijnse staat, met Oost-Jeruzalem als hoofdstad. De moefti bedreigde ook Joodse activisten, door te zeggen dat enige Joodse aanwezigheid op de tempelberg een belediging voor de islam was en niet getolereerd zou worden. De voormalige geestelijke leider van de Hamas, sjeik Yassin, en de Palestijnse moefti Ikrima Sabri hebben verklaard dat drie miljard moslims wereldwijd de heilge plaats tot hun dood zullen verdedigen.

Geheimen van de Zesdaagse Oorlog

Toen de Israelische troepen de tempelberg in juni 1967 innamen, verwachtte het grootste deel van de Arabische wereld dat Israel de islamitische moskeeen zou vernietigen en de Tempel zou herbouwen. Toen de moslims de berg in 638 A.D. innamen, richtten zij tenslotte wel hun moskeeen op de plaats van de Joodse Tempel op. Dit is ook wat de Arabische legers in 1967 gedaan zouden hebben als de situatie andersom was geweest. Deze religieuze redenering zorgt er trouwens nog steeds voor dat moslimsleiders bepaalde acties van de seculiere Joodse overheid met betrekking tot de tempelberg verkeerd interpreteren als pogingen om de moskeeen te vernietigen en de Tempel te herbouwen. In het licht van deze verwachtingen en angsten van de Arabische wereld heeft Israel de heerschappij over de tempelberg aan de moslims teruggeven. Vele Israeliers hebben sindsdien echter gesteld dat de Arabische wereld geen oorlog zou hebben gevoerd tegen Israel als Israel de heerschappij over de tempelberg in handen had gehouden. Op dat moment waren de Arabische legers verslagen en heerste Israel over de regio. Dus toen de Israelische overheid de heerschappij over het terrein uit handen gaf, was dat in feite een teken van zwakte in de ogen van de Arabische wereld en Israels concessies wendden de oorlog met de Arabische naties juist helemaal niet af.

Het geheim van Motta Gur

In de afgelopen jaren zijn een aantal prominente figuren uit de Zesdaagse Oorlog overleden – mensen die hadden afgesproken te zwijgen over controversiele gebeurtenissen die in verband met de tempelberg hebben plaatsgevonden. Het overlijden van deze mensen hebben een aantal ‘geheimen’ van de Zesdaagse Oorlog aan het licht gebracht. Er is door de Israelische overheid altijd beweerd dat het geen bedoelingen had met de strijd om de tempelberg, maar dat de berg hen onverwachts in handen viel. Eén van de ‘geheimen’ is dat de Israelische kolonel Motta Gur, bevelhebber van de paratroepers die de oude stad innamen en de tempelberg bevrijdden, alleen had gehandeld toen hij de gelegenheid aangreep om een eind te maken aan de tweeduizendjarige bezetting van de islam. Abraham Rabinovitch, schrijver van The Battle for Jerusalem, herinnert zich dat generaal Gur tijdends de dreiging van oorlog in mei al hoopte op de kans om de oude stad aan te vallen en de tempelberg te heroveren. Als ondergeschikte moest hij echter wel bevelen opvolgen. Hoofd legerpredikant (en later hoofdrabbi) Rav Shlomo Goren vroeg hem om ‘de bevelen te negeren’ en spoorde hem aan door te zeggen: ‘U bent niet bang om kansen aan te grijpen? We kunnen het later wel weer recht breien!’ Hoewel Gur niet onmiddellijk het advies van de rabbi aannam, vertelt Rabinovitch: ‘Gur … dacht eigenlijk al aan hetzelfde! Hoe zou het de geschiedenis ingaan, vroeg hij zich af, als Israel die kans aan haar neus voorbij zou laten gaan? Hoe zou het de geschiedenis ingaan als hij, als bevelhebber, deze historische kans niet met beide handen zou aangrijpen? Dus op 7 juni greep generaal Gur zijn kans en viel de tempelberg in Israelische handen.

Toen Gur en zijn troepen de tempelberg veroverden, zouden ze nooit geloofd hebben dat hun regering de heerschappij over het terrein opnieuw uit handen zou geven. Gurs uitroepen op die dag maken die overtuiging duidelijk: ‘De tempelberg! De berg Moria … we zijn op de tempelberg! De tempelberg is van ons!We zijn in Jeruzalem en we blijven. Het is interessant dat Moshe Dayan, bevelhebber van de Israelische troepen, die de paratroepers van generaal Gur bij de pas veroverde Westmuur trof, eenzelfde uitspraak deed: ‘We hebben Jeruzalem verenigd, de verdeelde hoofdstad van Israel. We zijn op onze heiligste plaats teruggekeerd en zullen er nooit meer afstand van doen …’

Geheimen van moshe Dayan

Zoals we al eerder gezien hebben, was Moshe Dayan verantwoordelijk voor de teruggave van de leiding over de tempelberg aan de door Jordanie bestuurde Waqf en er is altijd van uitgegaan dat Dayan bevelen van de overheid opvolgde. Rabbi Goren vertelde me in 1994 echter dat Dayan in zijn eentje heeft gehandeld, zonder de overheid van tevoren zelfs maar over zijn plannen in te lichten. Nadat het eenmaal gedaan was, durfde niemand van de overheid zijn beslissing terug te draaien. Volgens rabbi Goren was hij de enige die Dayan geconfronteerd heeft met zijn daad, door tegen hem te zeggen: ‘Je hebt de meest heilige plaats weggegeven aan de vijand van gisteren en morgen!’

En zijn vele factoren die aan Dayans daad bijdroegen. Vanuit zijn eigen standpunt, als seculier die met Arabieren was opgegroeid en een bijzondere affiniteit met hen had, was hij niet geneigd om de tempelberg op religieuze gronden in bezit te houden en wilde hij zijn goede bedoelingen aan de Arabieren tonen. Vanuit militair en politiek standpunt geloofde hij dat de Westelijke Jordaanoever en de Sinai, die ook veroverd waren tijdens de oorlog, in handen gehouden moest worden om gebruikt te kunnen worden als ruilmiddel tijdens toekomstige vredesonderhandelingen, terwijl Jeruzalem en de tempelberg een bijzondere religieuze waarde hadden voor de moslims en het alleen maar tot oorlog zou leiden als de Joden daar de heerschappij hielden. Dayan vond dat Israel het houden van Joodse souvereiniteit over het terrein niet kon rechtvaardigen in het licht van deze grotere dreiging van de Arabische wereld.

Verder had het voornaamste rabbinaat van Israel tegen Dayan gezegd dat de Joodse halakah (religieuze wet) geen Joden op het terrein toestond. Daarom zag Dayan geen reden om geweld vanuit de islamitische wereld te ontketenen om een plaats die al 1300 jaar in handen van moslims was en waarvan een meerderheid van de rabbi’s Joodse bezoekers de toegang ontzegden. En inderdaad, een maand later steunde het rabbinaat de beslissing van Dayan en vaardigde een bevel uit dat Joden verbood de tempelberg te betreden, uit angst dat ze het Heilige der Heiligen onbedoeld zouden ontheiligen. Maar Dayan wist ook dat andere orthodoxe rabbi’s, zoals de rabbi van zijn eigen vredestroepen, Shlomo Goren, niet geloofden dat Joden van de gehele tempelberg geweerd zouden moeten worden. Hij wist dat Goren meteen na de oorlog een team van soldaten had opgedragen het terrein te bewaken en vond dat het voor de Joden mogelijk moest zijn om een bepaald afgesloten gedeelte te bezoeken. Hij wist dat Rav Goren zelfs een synagoge had geopend binnen dit gedeelte aan de noordzijde van de tempelberg. Maar Dayan gaf niets om religieuze zaken omdat hij al een beslissing genomen had. Tien dagen na de verovering van de tempelberg ging Dayan de Al-Aqsa moskee binnen en zat hij op sokken op het islamitsche gebedstapijt tijdens een bijeenkomst met de Waqf en gaf, tot hun verbazing de heerschappij over het terrein aan hen terug.

Geheimen van rabbi Shlomo Goren

Rav Goren werd bekend als de eerste rabbi die na 1330 jaar voorging in gebed bij de door Joden beheerste Westmuur. Goren blies op de sjofar, las het gebed op en kondigde aan dat de inname van Jeruzalem het begin van het Messiaanse tijdperk had ingeluid. Deze overtuiging motiveerde hem tot een plan om de Joodse aanbidding weer terug naar de tempelberg te brengen en op zekere dag de herbouw van de Tempel te kunnen aanschouwen. Bijna onmiddellijk na de inname van de berg, droeg hij een groep soldaten op om het terrein te onderzoeken, zodat ze de precieze toegangsmogelijkheden konden bepalen, zonder, door per ongeluk het heilige gebied te betreden, het rabbijnse verbod de schending van de heiligheid van het terrein te verbreken, waarvan geloofd werd dat de Ark van het Verbond nog steeds in een geheime ondergrondse kamer verborgen lag. Deze overtuiging zou er toe leiden dat hij en rabbi Getz, rabbi van de Westmuur, in 1991 een clandestiene uitgraving op touw zetten vanaf de pas ontdekte Warren’s Gate (diep in de Westmuur), op zoek naar de heilige Ark.

In mei 1998 werd voor het eerst onthuld dat rabbi Goren, slechts enkele uren nadat de Israelische soldaten de tempelberg ingenomen hadden, de Israelische bevelhebbers smeekte om de Rotskoepel op te blazen. Gorens opmerkingen werden geciteerd in een interview dat de gepensioneerde Majoor-generaal Uzi Narkiss, aanvoerder van de troepen die de oude stad van Jeruzalem inname, voor zijn dood aan de Israelische krant Ha’aretz gaf. Volgens het interview had rabbi Goren gezegd: Uzi, dit is het moment om honderd kilo springstof in de moskee van Omar te leggen, zodat we er voor eens en vooral tijd vanaf zijn!’ Toen Narkiss hem terrechtwees, hield Goren vol: ‘Uzi, je zult de geschiedenis in gaan als je dit doet!’ En toen Narkiss opnieuw weigerde, wordt gezegd dat Goren gesmeekt heeft: ‘Je snapt niet hoe belangrijk dit is. Dit is een gelegenheid die we nu kunnen aangrijpen, op dit moment! Morgen zal het te laat zijn!’ Narkiss vertelde dat hij hierna tegen Goren zei dat, als hij er niet over op zou houden, hij hem in de gevangenis zou laten gooien. Toen liep Goren zwijgend weg.

Gorens voormalige hulp, rabbi Menahem Hacohen, die bij de discussie aanwezig was, gaf echter een iets ander verslag van het verhaal aan Israels legerradio. Volgens hem ‘zei de rabbi tegen Uzi dat het goed zou zijn geweest als er tijdens de oorlog een bom op de moskee was gevallen en deze, zeg maar, verdwenen was. Uzi zei: ‘Ik ben blij dat dat niet gebeurd is.’ Hacohen zei ook dat Goren ‘nooit iets gezegd heeft over het gebruik van explosieven’ en dat ‘Uzi nooit gezegd heeft dat hij het niet moest doen.’

De legerradio heeft echter een opname van een toespraak die Goren in 1967 gehouden heeft, waarin hij het een tragedie’ noemde dat Israel de tempelberg weer had overgegeven aan de moslims. Op die opname zei Goren ook: ‘Ik zei dit tegen de minister van defensie [Moshe Dayan] en hij zei: ‘Ik begrijp wat je bedoelt, maar denk je echt dat we de moskee hadden moeten opblazen?’ En ik zei: ‘Natuurlijk hadden we hem moeten opblazen!

Het is een tragedie voor vele generaties dat we dat niet gedaan hebben …! Ik zou er zelf heengegaan zijn en het zo volledig van de aardbodem hebben weggevaagd dat er niet eens meer een bewijs te zien was dat er ooit een moskee van Omar gestaan had!

Rav Goren stond niet allen in zijn enthousiasme over de bevrijding van de tempelberg. Sinds die gedenkwaardige dagen 1967 zijn er een aantal oorlogen gevoerd om het terrein en deze zijn dus belangrijk voor ons historisch onderzoek van de strijd om de Tempel uit de eindtijd.

De strijd van de activisten om de tempelberg

De tempelberg kwam alleen door militaire acties onder de soevereiniteit van de Israelische regering en Joodse activisten begrijpen dat geweld de enige manier is om hem weer uit de handen van de Waqf terug te veroveren. Bijna onmiddellijk nadat het terrein door Dayan overgedragen was, begonnen activistische groeperingen plannen te smeden om de Arabische bezetters weg te krijgen en de tempelberg voor Israel terug te veroveren. Het belangrijkste doel van al deze groepen is het klaarmaken van het terrein voor de bouw van de derde Tempel. Sommigen geloven dat dit kan worden bewerkstelligd door menselijke pogingen, terwijl anderen geloven dat dit doel alleen door de komst van de Messias kan worden bereikt.

Brand op de tempelberg!

De eerste belangrijke daad van agressie tegen de moslimgebouwen op de tempelberg was niet afkomstig van Joden, maar van een Australisch lid van een sekte. Op de vroege morgen van 23 augustus 1969 stak Dennis Rohan, gelovend dat zijn daden de terugkomst van Christus zouden bespoedigen, de Al-Aqsa moskee in brand. Het vuur verwoestte delen van de binnen- en de buitenkant van het gebouw en verwoestte een houten kansel uit de zesde eeuw die in de moskee stond, volledig. De reactie van de Arabieren was niet gericht op de geestelijke onstabiele, jonge dader of het christendom, maar op de staat Israel. Afgevaardigden van de Waqf beschuldigden de Israelische overheid van een samenzwering om de Islamitische heilige plaatsen te verwoesten, zodat de derde Tempel gebouwd kon worden. Vier dagen later sloot de Waqf de tempelberg twee maanden lang voor niet-moslims, terwijl duizenden woedende moslims in de oude stad riepen om een jihad tegen Israel.

Hoewel de Israelische regering de daad afkeurde en zwoer dat er geen plannen tot verovering van de tempelberg bestonden, legde het officiele onderzoek van de Waqf naar de brand de schuld volledig bij de Israelische overheid neer. Eén van de bewijzen was, volgens de Waqf, dat de Israelische brandweerlieden hun komst naar het terrein met opzet hadden vertraagd en toen ze er aankwamen, spoten ze volgens getuigen benzine op het vuur in plaats van water! De mening van de Arabieren over dit incident is vandaag de dag nog steeds onveranderd en beschuldigingen tegen Israelitische invallen op de tempelberg verwijzen vaak naar de ‘brand die gesticht is door de Joden’, als bewijs van de ware bedoelingen van de Israelische regering.

De eerste strijd om de Westmuurtunnel

Van 28-30 augustus 1981 vond er opnieuw een rel om de tempel plaats. Rabbi Goren en medewerkers van het ministerie van religieuze zaken ontdekten een lekkend waterreservoir en ontdekten, als gevolg daarvan, één van de oorspronkelijke ingangen van de tempelberg, die bekendstaat als de Warren Gate. Samen met rabbi Yehuda Getz begon hij in het geheim een anderhalf jaar durende opgraving, vanaf deze poort, onder de Rotskoepel, op zoek naar een verborgen kamer waarin de Ark van het Verbond misschien verstopt lag. Toen het nieuws van de opgravingen en het doel ervan in de media kwamen, ontstaken de Arabieren in woede en sloten ze de poort af, waarmee ze de toegang tot de opgravingstunnel versperden. In de periode 2-4 september braken Joodse seminarstudenten in opdracht van rabbi Getz de Arabische muur af die de poort afsloot, hetgeen tot een gevecht met de Arabieren en hun arrestatie door de politie leidde. De hoogste moslimraad gaf opdracht tot een algemene staking van alle Arabische scholen en winkels in Oost-Jeruzalem (op 4 september), als protest tegen de opgravingen onder de tempelberg en op 10 september sloten de Waqf en de Israelische autoriteiten samen de toegang af.

Sabotage op de tempelberg

Er vond op 11 april 1982 opnieuw een aanval plaats toen een Amerikaanse immigrant in het Israelische leger, Alan Goodman, het vuur op de tempelberg opende, zoals hij zei: ‘Om de heilige plaats van de Joden te bevrijden!’ Hoewel hij ontoerekeningsvatbaar verklaard werd door het Israelische gerechtshof en levenslang kreeg, veroorzaakte het incident wekenlange opstanden in Jeruzalem, de Westelijke Jordaanoever en Gaza en werd er zelfs internationale kritiek op Israel geleverd. Nauwelijks twee weken later probeerde een lid van de Kach-partij, Yoel Learner (die later het hoofd van het Sanhedrin Instituut werd, een organisatie met als doel het onvormen van de regering in een theocratie), om een moskee op de tempelberg opzettelijk te beschadigen. Hij werd gearresteerd en kreeg een gevangenisstraf van tweeenhalf jaar. En Joodse activisten waren niet de enige die wapens naar de tempelberg smokkelde; op 9 december 1982 uitte Geula Cohen, een lid van de Israelische Knesset, de beschuldiging dat de moslims grote hoeveelheden wapens op de tempelberg hadden opgeslagen in afwachting van de volgende oorlog.

Drie maanden later, op 10 maart 1983, vroegen rabbi Yisrael Ariel en een groep van meer dan veerig volgelingen om toestemming om op de tempelberg te bidden, op het gebied van de stallen van Salomo, naast de Al-Aqsa moskee. Maar nadat vier jongeren die verbonden waren aan de Yamit Yeshiva, betrapt waren op inbraak op het terrein, werden wapens en diagrammen van de tempelberg ontdekt tijdens een politieonderzoek naar Ariels basis, en werden er vele arrestaties verricht. Toen, op 27 januari 1984, werden tempelactivisten opnieuw gearresteerd vanwege een plan om de moskeeen op te blazen, toen een bewaker van de tempelberg een voorraad explosieven ontdekte.

Het ‘bloedbad’ op de tempelberg

Drie jaar later begon de Palestijnse intifade en werkten de mensen van de tempelbeweging er hard aan om de dreiging te weerstaan die de intifada op de tempelberg wierp. In oktober 1989 resulteerden demonstraties op de tempelberg door de activistenorganisatie de Getrouwen van de Tempelberg in kleine rellen op Arabische scholen – rellen die zich tot aan het plein bij de Westmuur verspreid zouden hebben als de groep niet tegengehouden was door de Israelische politie. In het daaropvolgende jaar herhaalde de groep zijn demonstratie en opnieuw werd door de politie voorkomen dat de leden ervan het terrein zouden betreden. De Israelische politie verzekerde de islamitische autoriteiten ervan dat de groep geen toegaan tot het tempelgebied verleend zou worden, maar op 8 oktober 1990 organiseerden de Getrouwen van de Tempelberg een parade buiten de muren van de oude stad, een hoeksteen voor de derde Tempel met zich meedragend, en brak er geweld uit. Arabieren begonnen vanaf de tempelberg met stenen te gooien naar de Joodse aanbidders bij de Westmuur onder hen. Eerst probeerde de politie de rellen onder controle te krijgen door het gebruik van traangas en rubberen kogels, maar uiteindelijk werden ze gedwongen om echte kogels te gebruiken om de moslimaanvallers tegen te houden, die met honderd keer zoveel mensen als de politie waren. Tegen de tijd dat er een einde aan het geweld was gekomen, hadden ten tenminste 21 Palestijnen de dood gevonden en werd de tragedie door de media het ‘bloedbad op de tempelberg genoemd.

Een later onderzoek van de gebeurtenissen toonde aan dat het geweld niet spontaan losbarstte als gevolg van de provocatie door de Getrouwen van de Tempelberg, maar zorgvuldig gepland was door de Intifada Commando van de PLO . De Palestijnse opstandelingen hadden van tevoren al stenen, ijzeren staven, gebroken glas en messen klaargelegd. Voordat het onderzoek naar de opstand voltooid kon worden, steunden de Verenigde Staten een VN resolutie die Israel de schuld van het incident gaf. Bovendien gebruikte de Irakse dictator Saddam Hoessein het incident om de aandacht van zijn inval in Koeweit af te leiden (die slechts twee maanden eerder had plaatsgevonden) en wees hij op de toestand van de Palestijnen. Als voorstander van de Palestijnse zaak kondigde Hoessein aan dat hij ‘niet uit Koeweit zou vertrekken, tenzij de Joden uit Palestina vertrokken’ en lanceerden hij meer dan 37 Scud-raketten tegen Israel (waarvan de meeste in Tel Aviv landden). De Verenigde Staten drongen er bij Israel op aan geen vergeldingsacties te houden, maar de nerveuze media vroeg zich hardop af of dit niet het begin was van Armageddon. Voor het eerst in de geschiedenis had een incident op de tempelberg het begin van een internationaal conflict gevormd.

De tweede strijd om de Westmuurtunnel

De Palestijnse intifada bespoedigde een aantal nieuwe vredesgesprekken, hetgeen de hoop wekte dat vrede, zoals met Egypte, gesloten kon worden met de Arabische landen rondom Israel (Libanon, Jordanie en Syrie) en met de Palestijnse Arabieren op de Westelijke Jordaanoever en Gaza. Vanaf het begin was echter duidelijk dat er te veel trots heerste voor een dergelijk vredesverdrag, want beide partijen konden niet instemmen met elkaars eisen wat de verdeling van Jeruzalem en het bezit van de tempelberg betrof. Op 31 oktober 1991, op de vredesbesprekingen over het Midden-Oosten in Madrid, Spanje, toen de Syrische minister van buitenlandse zaken Farouk Al-Shara Israel beschuldigde van een poging om de Al-Aqsa moskee op te blazen, verklaarde hij dat er geen vrije toegang tot de religieuze plaatsen zou worden verleend tenzij Israel geheel Oost-Jeruzalem aan de Arabieren teruggaf. Deze eis werd herhaald in alle toespraken van Yasser Arafat en zijn vertegenwoordigers. Dat de Arabieren vastbesloten waren in dit opzicht werd duidelijk in september 1995, toen de Israelische regering de Westmuurtunnel openstelde voor toeristen. De Waqf en Yasser Arafat beschuldigden Israel openlijk van een poging de islamitische heilige plaatsen te verwoesten en er ontstonden rellen op de tempelberg en op de gehele Westelijke Jordaanoever, waarbij zo’n tachtig mensen omkwamen. Later, op 14 mei 1998, werden de grote houten poorten die rondom het gebied van de tempelberg stonden in brand gestoken. De minister van internationale veiligheid Avigdor Kahalani meldde dat er een brandbom naar de deur was gegooid, die hem in lichterlaaie zette en een aantal stenen rondom de poort beschadigde. En na de verkiezing van premier Ehud Barak, bleef de Waqf elke poging van Joden om te kunnen bidden op de tempelberg zien als invasies op Arabisch gebied en zwoor ze dat er vergeldingsacties zouden komen.

De strijd om Al-Aqsa (de Al-Aqsa intifada)

De Palestijnse Autoriteit heeft de meest recente strijd om de tempelberg de naam ‘de strijd om Al-Aqsa’ gegeven. Deze strijd, ook wel bekend als de Al-Aqsa intifada of de tweede intifada, had zijn hoogtepunt op 28 september 2000, toen Israels premier Ariel Sharon de tempelberg bezocht. Het doel van Sharons bezoek, met volledige instemming van de moslimautoriteiten, was het escorte van een comité van zijn Likud-partij om beweringen dat de bouw van een nieuwe moskee op de tempelberg, gestart door de Waqf, belangrijke archeologische restanten op het terrein had beschadigd, te onderzoeken.

Hoewel de tempelberg op dat moment geopend was voor zowel bezoeken van Joden als toeristen, had de Waqf zowel archeologen als de media toegang tot de bouwplaatsen ontzegd. Ze hadden Sharon ook gewaarschuwd voor de inspectie. Hoewel de schijn van deze waarschuwing gekoppeld was aan de uiting van islamitische autoriteit over het terrein, was de echte angst dat de Israelische overheid actie zou ondernemen wat de nieuwe moskee betrof. Deze zorg komt naar voren in een dreigement dat geuit werd door Hasan Tahboub, hoofd van religieuze zaken van de Palestijnse Autoriteit: ‘Er zullen bloedbaden volgen als er gepoogd wordt de opening van de moskee tegen te houden.’ Ook sjeik Ahmed Yassin, toen de islamitische geestelijke leider van de militante Palestijnse organisatie Hamas, verklaarde dat elke poging van Joodse militanten om de heerschappij over de tempelberg over te nemen of de islamitische heiligdommen te vernietigen zou resulteren in een bloedbad. ‘Ze zullen een brand stichten waarin ze zelf vergaan.’

Zulke verklaringen overtuigden Sharon er alleen maar van dat het nodig was om de Waqf en de Palestijnse Autoriteit ervan te vergewissen dat Israel nog steeds de leiding over de tempelberg had en dat Joden het recht hadden om het terrein te betreden. Toch beperkte Sharon zijn bezoek aan de tempelberg en betrad hij geen van de moskeeen, om de moslimautoriteiten niet te provoceren. Gedurende zijn gehele ronde over het terrein werd hij vergezeld door de Arabische leden van de Knesset, vertegenwoordigers van de Waqf en ongeveer duizend gewapende bewakers. Het bezoek verliep zonder incidenten en Sharon vertrok weer. De volgende dag hield een islamitische geestelijke een felle preek in de moskee op de tempelberg en keurde hij Sharons bezoek af, bewerend dat de Joden de moskee hadden bezoedeld. De aanwezige moslimaanbidders gingen massaal de moskee uit en riepen overal moslims op om te ‘komen en de Joden af te slachten’ en om te ‘komen en de moskeeen te verdedigen.’ De moslims gooiden stenen naar de Joodse aanbidders bij de Westmuur en er braken rellen uit. De Israelische politie greep in en hoewel die de Al-Aqsa moskee, waar de relschoppers heen gevlucht waren, niet betrad, zorgde alleen al de aanwezigheid van de politie op het terrein voor beschuldigingen dat de Joden de moskee waren binnengegaan.

Yasser Arafat reageerde hierop door een oproep voor een hernieuwing van de intifada, die volgens hem gerechtvaardigd was door Sharons agressieve daden en het feit dat de Israelische regering geen acht geslagen had op de waarschuwingen van dePalestijnse Autoriteit, waardoor de moskeeen met geweld waren binnengedrongen. De Waqf reageerde door alle Joden de toegang tot de tempelberg te ontzeggen – een duidelijke schending van de 33- jarige status-quo overeenkomst die mensen van alle religies toegang tot het terrein verleende, die in 1967 door beide partijen geaccepteerdwas. De Israelische regering koos ervoor de religieuze schendingen en politieke usurpatie van het terrein te negeren, omdat ze al onder vuur lagen in de internationale media en omdat er een resolutie door de VN veiligheidsraad was uitgevaardigd die het bezoek van Sharon afkeurde. In plaats daarvan sloot de Israelische regering het terrein voor alle niet-moslims, want Israel verklaarde dat ze de veiligheid van de bezoekers, in het licht van de toenemende spanningen die veroorzaakt werden door de hernieuwing van de intifada, niet kon garanderen. Deze impasse duurde 33 maanden, terwijl de intifada Israelische levens eiste door zelfmoordaanslagen, en Palestijnse levens door Israelische vergeldingsacties. In juni 2003 wendde Israel haar soevereiniteit over de tempelberg weer aan en begon beperkte bezoeken toe te laten, hoewel niet aan de moskeeen.

Een gevoelig dilemma

Uit de recente strijd die gewoed heeft om de tempelberg komt duidelijk naar voren dat de moslims erg assertief zijn in het verklaren van hun autoriteit over de tempelberg en bij de minst waargenomen provocatie snel hun toevlucht tot geweld nemen. De tempelberg is ook één van de meest gevoelige punten gebleken in alle vredesonderhandelingen tot nu toe!

Uit: DE TEMPELBERG BETWIST – Wordt de tempel herbouwd? (politiek, profetie en de tempelberg) J. Randall Price

…………………………………………………………….

MILLENNIAL STUDIES (Charles H. Welch – Berean Expositor, London)

The Times of the Gentiles, and the treading down of JERUSALEM

Let us first of all examine the term, ‘the treading down of Jerusalem’. The prophecy of the Second Coming is given in Matthew 24 and in Luke 21. Luke’s account adds a reference to the times of the Gentiles, a feature that the study of Luke’s gospel leads us to expect. One peculiar and outstanding character is given, the relationship that exists between the lenght of time allotted to Gentile dominion, and the treading down of Jerusalem by the selfsame Gentiles.

‘And Jerusalem shall be trodden down of the Gentiles, until the times of the Gentiles be fulfilled’ (Luke 21:24).

Immediatly following these words, we are projected into the day of the Lord:

‘And there shall be signs in the sun, and the moon, and in the stars; and upon earth distress of nations, with perplexity … the powers of heaven shall be shaken. And THEN shall they see the Son of Man coming in a cloud with power and great glory’ (Luke 21:25-27).

If the words ‘treading down’ accurately translate in Luke’s intention, then there is proof that the times of the Gentiles coincide with the subjugation of Jerusalem, that both run together into the Coming of the Lord and the setting up of the Millenial kingdom, with no possible room for a period of blessing upon or through Israel until Israel is delivered. Jerusalem cannot be at the same time ‘trodden down’ and a centre of light and peace. We claim no ability to convince any who can believe two contradictory statements. We must and do leave them in the hands of God.

Where Luke 21 emphasizes the relationship of subjected Jerusalem to the times of the Gentiles, Matthew gives another yet parallel evidence:

‘When ye therefore shall see the abomination of desolation, spoken of by Daniel the prophet, STAND IN THE HOLY PLACE … flee’ (Matth.24:15,16).

Matthew concentrates on the desecration of the holy place, Luke concentrates on the desecration of the city. Matthew takes us to the final seven years of Daniel’s prophecy, and the end of Gentile dominion, Luke points to the parallel subjugation of the city of Jerusalem. There is no discrepancy, both accounts meet at the same point.

We now turn our attention to the term, ‘trodden down’, for if this should turn out to be an expression that means blessing, then we must accept the consequences. The Greek word so translated is pateo, and if we bow to the choice of words ‘which the Holy Ghost speaketh’, the matter will be at an end.

Pateo

Luke 10:19 ‘Power to TREAD on serpents and scorpions’. – Luke 21:24 ‘Jerusalem shall be TRODDEN DOWN’. – Rev. 11:2 ‘The holy city shall they TREAD UNDER foot’. – Rev. 14:20 ‘The winepress was TRODDEN’. – Rev. 19:15 ‘He TREADETH the winepress … wrath’.

This testimony of usage admits of no debate. It has been argued, that inasmuch as Rome did not cover the same territory as that ruled over by Nebuchadnezzar, it cannot be considered as a legitimate successor, but this argument is self-destructive and invalid. First: Nebuchadnezzar was told that the kingdom that succeeded after him would be ‘inferior’ but this inferiority in no wise invalidated succession. Secondly: There is all the difference in the world between the dominion that God GAVE to Nebuchadnezzar, and what the actually ruled over, for if that be the criterion, Nebuchadnezzar himself would be ruled out, which is not only absurd, but contrary to truth (Dan.2:38). Thirdly: The dominion given to Nebucadnezzar is specified in Daniel 2:38, and reads:

‘And wheresoever the children of men dwell, the beast of the field and the fowls of the heaven hath He given into thine hand, and hath made thee ruler over them all’.

Neither Nebuchadnezzar nor any of his successors exercised this authority. Rome exercised dominion over tracts of earth that in all probability Nebuchadnezzar never heard of, so that if extent of territory be the standard, we could as well say that Rome has more right to a place than Babylon, which is absurd. Fourthly: At the time of the end GLOBAL war and dominion may well characterize Nebuchadnezzar’s last succersor. The hint that Nebuchadnezzar came in the line of Adam and Noah opens up a vista of prophetic truth that we cannot pursue here, except that when Israel succeeds to the throne and Jerusalem is a praise in the earth, Paradise will, then and not till then, be restored. When the treading down of Jerusalem ends, then, and only then, will the words of Isaiah 60 become possible:

‘ Arise, shine; for thy light is come, and the glory of the LORD is risen upon thee … the Gentiles shall come to thy light … the sons of strangers shall build up thy walls … thy gates shall be open continually … the nation and kingdom that will not serve thee shall perish … they shall call thee, The city of the LORD … and the DAYS OF THY MOURNING SHALL BE ENDED’ (Isa. 60:1,3,10-12,14,20).

The treading down of Jerusalem continues right up to the Second Coming of Christ. The moment the Stone strikes the feet of the Gentile colosses, ‘the kingdoms of this world’ will become the kingdom of our Lord, and of his Christ, when, ‘He shall reign for ever and ever’ (Rev.11:15).

The kingdom of the heavens and The kingdom of God

A word or two here may be well, in briefly explaining the meaning of the two expressions, ‘the kingdom of the heavens’, and the kingdom of God’. The word basileia (kingdom) refers not so much to the country, or the subjects, as to the sovereignty and rule of the king. The termination ‘dom’ is an abbreviation of ‘doom’, meaning judgment, then office, power. Hence the kingdom refers tot the rule of the king. In this sense we speak of wis-dom, Christen-dom.

‘The kingdom of the heavens’ signifies that blessed period when the prophetic type of Daniel 4:25,26 shall be fulfilled: ‘the heavens do rule’; ‘the Most High ruleth in the kingdom of men’, and there shall be realized what is spoken in Daniel 2:44, ‘In the days of these kings shall the God of heaven set up a kingdom which shall never be destroyed’; and in Daniel 7:13,14, ‘I saw in the night visions, and behold, one like the Son of man came with the clouds of heaven … and there was given Him dominion, and glory, and a kingdom, that all peoples, nations, and languages should serve Him’; and in Daniel 7:27, ‘and the kingdom, and dominion, and the greatness of the kingdom under the whole heavens shall be given to the people of the saints of the Most High’; and in Revelation 11:15, ‘And the seventh angel sounded and there were great voices in heaven, saying, The kingdoms of this world are become our Lord’s, and His Anointed’s; and in Psalm 2:2-6, ‘The kings of the earth set themselves, and the rules take counsel together, against the Lord, and against His Anointed … Yet have I set My King upon My holy hill of Zion’.

The kingdom of the heavens refers to that kingdom which shall be set up on earth when the Lord Jesus returns to the Mount of Olives, destroys antichrist, and brings blessing to His people Israel. The term ‘kingdom of the heavens’ is confined to the Gospel according to Matthew, and hence the Gospel opens with the words, ‘The book of the generations of Jesus Christ, the Son of David, the Son of Abraham’. The kingdom of the heavens will be the rule of heaven’s king upon earth, the millennial earth will be its sphere, but the rule of heaven its law, ‘Thy will be done on earth as it is in heaven’. It will belong to ‘a people’ and ‘a nation’, indeed to ‘a kingdom of priests’, namely, redeemed Israel.

The ‘kingdom of God’ is a wider term. Nothing is outside this sovereignty. This kingdom is limited by no bounds of time or space. The sovereignty or kingdom of God includes all ages and dispensations, past, present, and future; all realms, earth, heaven, and the universe; all creation, dominions, principalities, powers, angels, and men, things temporal, and things spiritual. It includes the kingdom of the heavens, and the church. ‘The church’ is not ‘the earthly kingdom’, but both are within the kingdom of God, and rest upon the same rock foundation. Thus it is that while we read in the Gospels of the wider term, the kingdom of God, and in the epistles of the Mystery, of the kingdom of God, and the heavenly kingdom, we never read in the epistles of the Mystery of the narrower and Jewish name, ‘the kingdom of heavens’. Those who speak of ‘extending the kingdom’ by missionary effort doubtless mean well, but use terms that are unscriptural and misleading.

The history of Jerusalem opens and closes with a Priest and a King of God’s appointing, but the attainment of that goal will not be accomplished without great opposition from the enemy. In the overcoming of Adoni-zedek there is a foreshadowing of the ultimate triunph of the true seed over the evil seed, for all prophecy runs back at last to Genesis 3:15. When David slew Goliath he chose as his weapon a ‘smooth stone out of the brook’, and did so, apparently, because as a shepherd lad he had become skilful with sling and stone. Goliath represented the colossus of Daniel, and the smooth stone foreshadowed ‘the stone cut out without hands, which smote the image’ (Dan.2:34). If we can but keep these tremendous issues in mind, then the chequered history of Jerusalem will become intelligible and overthrowing of Babylon at the close of the Apocalypse essential. The usurpation and domination of Jerusalem by Gentile powers characterizes the history of Jerusalem, until, in the language of Zechariah 14:21, ‘There shall be no more the Canaanite in the house of the LORD of hosts’ and the treading down of the Holy City ceases for ever.

The story of Jerusalem cannot be told in these pages, the amount of material is too great. Perhaps no one book provides so clear and varied a light as does the prophecy of Zecharia. The name Jerusalem occurs forty times (the number of testing), and is related to both blessing and judgment. What was foreshadowed in Genesis 14 under the King-Priest, is at last seen to be fulfilled when Israel becomes a kingdom of Priests and the sacred words HOLINESS UNTO THE LORD will no longer be exclusively used on the high priest’s mitre, but ‘In that day shall there be upon the bells of the horses, HOLINESS UNTO THE LORD; and the pots in the LORD’s house shall be like the bowls before the altar. Yea, every pot in Jerusalem and in Judah shall be holiness unto the LORD of hosts: and all they that sacifice shall come and take of them, and seethe therein: and in that day there shall be NO MORE THE CANNAANITE in the house of the LORD of host’ (Zech.14:20,21).

………………………………………….

Resumerend:

Als Theodor Herlz in 1897 A.D. het éérste Zionistencongres in Bazel tot stand brengt, kan hij niet het vermoeden hebben gehad, dat 1897 jaar na de verwoesting van de stad Jeruzalem in het jaar 70 A.D., het de ‘Israeli Paratroop Brigades’ zijn geweest die op 7 juni 1967 het tempelplein en de stad Jeruzalem verenigen (re-united) tot de ondéélbare hoofdstad van Israel. Herlz heeft in zijn overwegingen aan het eind van de 19e eeuw contact gezocht met een aantal ‘christen-zionisten’ waaronder ds. William E. Blackstone die aan de grondlegging van het Zionisme heeft gestaan. Ook was dr. Ethelbert W. Bullinger bekend om z’n -Dispensational Truth’s- een goede vriend van Herl. Samen hebben zij in London en op het Europese Continent ‘Israels Profeten’ bestudeerd. Herlz is in die zin ook een profeet geweest, als hij op dat eerste Zionistencongres in Bazel die beroemde uitspraak neerlegt, als hij zegt: ‘dat er over 5 jaar en zeker over 50 jaar er een Joodse staat zou zijn’ in Palestina!

De staat Israel

Met het vertrek van de laatste Britse militairen in ’48 komt er een einde aan het mandaat over Palestina. David Ben Goerion proclameert in Tel Aviv op 14 mei 1948 staat Israel, die onmiddellijk door de president van de Verenigde Staten Harry Truman wordt erkend. Onmiddellijk na het uitroepen van de staat Israel vallen op 15 mei, de legers van Egypte, Syrie, Jordanie, Libanon, Saoedi-Arabie en Irak de nieuw geboren staat Israel binnen. Het Jordaanse legioen is getraind en wordt aangevoerd door Britse officieren en staat onder bevel van de Engelse generaal John Glubb. Groot Brittannie stuurt grote hoeveelheden wapens en munitie naar Egypte, Irak en Transjordanie en probeert met een blokkade te verhinderen dat de Joodse staat militair kan worden bevoorraad. Na een voor de Arabieren aanvankelijk voorspoedig verlopende strijd lanceren de Israeli’s een meer frontige tegenaanval die de agressors tot staan brengt.

Op 3 april 1949 sluiten Israel en Transjordanie een wapenstilstand. Mede op aanraden van Londen gaat Amman besprekingen over een formeel vredesverdrag met de Joodse staat uit de weg. Transjordanie blijft de landstreken Judea en Samaria (samen later door Amman in ‘Westelijke Jordaanoever’ omgedoopt) en Oost-Jeruzalem bezet houden. Ter hoogte van het in de kustvlakte gelegen plaatsje Kfar Saba bevindt de wapenstilstandslijn zich op 15 kilometer van de Middellandse Zee. De bestandsvoorwaarden worden vanaf het eerste moment op grove wijze door Amman geschonden. Zo worden alle synagogen in de Oude stad van Jeruzalem verwoest, alsook de eeuwenoude Joodse necropolis op de Olijfberg. Joden wordt de toegang tot de voor hen heilige plaatsen ontzegd, zoals de Westmuur. Op 24 april 1950 formaliseert Jordanie de op 1 april 1949 aangekondigde annexatie van de ten westen van de Jordaan gelegen landstreken van Judea en Samaria (met de oostelijke stadsdelen van de in Judea gelegen stad Jeruzalem). Deze eenzijdige daad wordt alleen erkend door Pakistan en Groot-Brittannie.

Deze bezetting en annexatie door Jordanie duurde 19 jaar, dus vanaf het uitbreken van de Onafhankelijkheidsoorlog in 1948 tot aan het uitbreken van de Zesdaagse Oorlog in 1967. Deze negentien jaar hebben om twee redenen hier een diepere betekenis. Ten eerste hanteert de astronomie een rekenkundige tijd cyclus van 19 jaar (3,5,8,11,13,16,19) waarin zeven schrikkelmaanden vallen om zon en maan kalender op elkaar af te stemmen, deze zgn. Metoncyclus wordt ook gebruikt voor de vaststelling van Pesach. Ten tweede is er een cyclus van 19 jaar te vinden in de Schrift, met name als het gaat om de stad Jeruzalem.

De strijd om Jeruzalem

We kunnen stellen dat vanaf de 7e juni 1967 ‘The Fight for Jerusalem’ is begonnen; waarvan Dore Gold als voormalig adviseur van Benjamin Netanyahu en voormalig Israels ambassadeur bij de V.N. in zijn boek ‘The Fight for Jerusalem’, een fascinerende uitéénzetting geeft over de strijd tussen de ‘Radical Islam, The West, and the Future of the Holy City … Jerusalem!’

Zo geven de huidige ontwikkelingen in de 20e en deze 21e eeuw aangaande de stad Jeruzalem met in het voorbijgaan der ‘eeuwen’ er alle aanleiding toe om het e.a. in het verlengde van het ‘profetisch perspectief’ nog eens nader te bezien

Het vierde dier, Rome of Babylon? Het beest, dat gij zaagt, was en is niet, en het zal opkomen uit de afgrond (Openb.17:8). Johannes ziet het beest opkomen, … en vanaf dat moment oefent het een geweldige macht uit (de opkomst van de Islam van 630 tot 1683)! Maar daarna beheerste het Westen de toestand in de wereld en bezat het macht, d.w.z. het beest was zeer machtig, totdat het Westen de leiding overnam. ‘Het beest is niet’, het was zijn macht kwijtgeraakt. Het was dienstbaar geworden. Het Westen, het Christelijke Romeinse Rijk van de koloniale tijd van de volken had het lot van de geopolitieke vraagstukken een tijdlang in handen. Na de 2e Wereldoorlog begon het geleidelijke verval van het Westen en daarmee ook van Rome. Vanaf nu krijgt het beest de Islam voor een korte tijd weer de overhand. Vanaf het moment in 1967 dat de Israelisch heersen over Jeruzalem, en Judea en Samaria, zien we een radicaliserende Islam onder leiding van de P.L.O en Fatah zijn invloed uitbreiden naar gebieden als de Gazastrook waar Hamas nu domineert en naar de Libanon waar de Hezbollah onder de invloed van Syrie en Iran een raketdreiging vormen voor de industriesteden als Tel-Aviv en Haifa. Ook Jeruzalem ligt onder de actieradius van een steeds grotere raketdreiging.

De Islam zal niet lang, maar wel des te vreselijker heersen en woeden, en de macht die het van de Draak ontvangt ten volle gebruiken. Denk aan de vele aanslagen op burgers en burgerdoelen in gematigde Islamitische landen als Irak en Pakistan. De strijd die inmiddels gaande is tussen aan de ene kant het Saudische-Soennitische blok met o.a. Egypte en Jordanie en het Sji’itsche-Iranese blok met o.a. Lybie, geven afschrijselijke beelden te zien.

De Christelijke autoriteit, die door de Romeinse keizer Constantijn op de troon werd gezet en die alle koningen der aarde zegende met alles wat zij aan gruwelen en ongerechtigheden, oorlogen, Christen- en Jodenvervolging en kruistochten presteerden, zal aan het gericht vervallen en het loon van haar hoererij krijgen. Het beest zal het Westen alles betaald zetten; op het ogenblik verkeert het in die mogelijkheid. Hier en daar hoort men al dat het post-christelijke Westen gevallen is voor de Islam. Het beginpunt voor het starten van ‘Gods profetische klok’ in de eindtijd ligt in Jeruzalem en niet in Europa. Daar waar de voeten van het standbeeld van Nebukadnezar stonden, zal ook die kolos die sinds Nebukadnezar het wereldtoneel beheerst de doodsteek krijgen (Dan.2:44). Babylon, of anders gezegd Irak het laatste Rijk aan de Eufraat, is momenteel sterk in opkomst! Irak is een olieland waar grote hoeveelheden aan oliereserves liggen opgeslagen. Veronderstel dat na de ‘Gog-Magog’ oorlog de gebieden in de Kaukasus met Iran en Saoedi-Arabie waar op dit moment de grootste olievoorraden zijn gelegen niet meer toegankelijk zijn (Ezech.38-39), het Irak van morgen zal zijn, … dat de gehele Arabische en Westerse wereld zal leiden voor wat betreft haar olieproductie en reserves!

Babylon, ligt circa 80 kilometer ten zuiden van Bagdad. Deze Oudtestamentische stad Babel aan de Eufraat is buiten schot gebleven tijdens de Golf-oorlogen van 1991 en 2003! Babylon wordt in het geheim weer herbouwd met behulp van de Verenigde Staten, met als doel het de rijkste en machtigste stad ter wereld te maken, als tegenpool van Jeruzalem.

Babylon, dat zal drijven op de aardolie, zal de gehele wereld bedwelmen. In dit nieuwe Babylon van de eindtijd vinden wij de geest van Nimrod terug, die ‘een geweldig machthebber op de aarde was’ (Gen.10:8). Hij zal een onbekende zijn, die door intriges de macht naar zich toe zal trekken (Dan.11:21,24), en wel voor een door de ‘Eeuwige’ vastgestelde tijd. Hij zal de godsdienst gebruiken om zijn doel te bereiken. Hij zal zich hovaardig en trosts gedragen tegenover de God der goden en zich boven alles verheffen (Dan.11:36;2Thess.2:4). Maar ook dit vierde dier zal het niet lukken om Israels ‘Endlosung’ te realiseren. Het probleem van de ‘Endlosung’, de totale vernietiging van Israel, zal een testcase zijn voor de gehele wereld. Een steen, die zonder toedoen van mensenhanden uit de hemel komt vallen (Dan.2:34-35;7:7), zal en einde maken aan de Koninkrijken der dieren, daar het de Zoon des Mensen zal zijn die in de wolken des hemels verschijnen zal, om de gehele aarde met zijn Woord te vervullen (Jes.11:1-10;Opb.1:7;Hand.1:11).

De 4 Apocalyptische dieren verschijnen als manifest in de 20e en 21e eeuw, het gaat in die zin ook om een ‘vol worden der profetie’, dat wil zeggen dat zij alle 4 weer tegelijk opnieuw aanwezig zullen zijn in de eindtijd, zoals Daniel 2:45 vermeldt. Het boek Daniel wordt ook wel het kleine Apocalytische geschrift van het Oude Testamenst genoemd, daar er vele overeenkomsten zijn met de visioenen die Johannes op Patmos zag.

Zo’n 2400 jaar geleden zijn deze verborgenheden aan Daniel in een nachtgezicht geopenbaard. Nu, in 2011 zijn zij als het ware tastbaar en moeten deze dingen in haast geschieden, … en ‘gelukkig is hij die leest en zijn zij, die horen de woorden van deze profetie, en die bewaren, wat daarin geschreven is, want de tijd is nabij’, vertelt ons het Apocalyptische geschrift van het Nieuwe Testament (Opb.1:2,3;22:7).

Tijden der Heidenen

De uitdrukking ‘totdat de tijden der heidenen vervuld zijn’ (Luk.21:24) corresponderen met het voeren van de heerschappij over Jeruzalem, dit proces begon met Nebukadnezar de vorst van het koninkrijk Babylon in het jaar 605 B.C. (Dan.2). Stuart Allen (The Berean Publishing Trust) zegt hierover in zijn boek ‘ The Gospel according to Luke’ in chapter 21 page 161 … dat als dat waar is -en daar heeft het alle schijn van-, dat ‘de tijden der Heidenen vervuld zijn’!

Hiermede is dan ook gezegd dat vanaf het Babylonische koninkrijk van Nebukadnezar tot op het Ottomaanse-Turkse Rijk, dat aan de vooravond van het ‘Chanoeka feest’ op 9 december 1917 de heerschappij over de stad Jeruzalem verloor, … er vijf Rijken over Jeruzalem geheerst hebben, te weten:

  1. Het Babylonische Rijk
  2. Het Medo-Perzische Rijk
  3. Het Griekse Rijk
  4. Het Romeinse Rijk
  5. Het Ottomaanse Rijk

In de 50 en 70 jaren die er liggen tussen 1897 – 1917 – 1947 – 1967 was Jeruzalem vanaf 1917 eigenlijk ‘niemandsland’ en viel de stad op 24 juli 1922 onder het Britse mandaat tot aan 14 mei 1948, waarbij het Transjordanie geweest is dat het oostelijk deel van Jeruzalem tot op de 7e juni van ’67 onrechtmatig bezet hield. Vandaar ook dat de apostel Johannes kon schrijven, ‘vijf ervan zijn gevallen (gesymboliseerd in Daniel 2) één is er nog (dat is ten tijde van het visioen) en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij komt, moet hij een korte tijd blijven’ (Openb.17:10). De 50 en 70 jaren duiden ook op een volheid van tijd!

Zo moest daar op 9 december 1917 het Ottomaanse Imperium wijken voor het Britse leger, en was het voor het eerst sinds ‘the Crusades’ dat Jeruzalem onder de controle stond van ‘non-Muslim authorities.’ Het Britse mandaat was vanaf 1917-1947 verantwoordelijk voor alle regeringsbesluiten, administratieve en veiligheidskwesties, maar moest uiteindelijk bij het uitroepen van de staat Israel op 14 mei 1948 vertrekken! In de onafhankelijkheidsoorlog van 1948 (waaraan feitelijk nog een burgeroorlog aan vooraf ging startend op 29 november 1947 het moment waarop de Algemene Vergadering van de VN resolutie 181 aanneemt) is het Trans-Jordanie dat bij gevechten om Jeruzalem, 19 jaar lang Oost-Jeruzalem met Judea en Samaria bezet hield, en deze bezette gebieden (de Westelijke Jordaan-oever) op 24 april 1950 formeel annexeerde en het Hasjemitische Koninkrijk zijn naam veranderde in Jordanie, deze bezetting duurde tot aan de historische dag van 7 juni 1967!

De Metoncyclus

De mogelijkheid om de maankalender en de zonnekalender op elkaar af te stemmen, is die waarbij men twaalf omlopen van de maan gelijk stelt aan een zonne-omloop en waar nodig een extra schrikkelmaand invoegt, om de twaalf benoemde maanden ongeveer te laten overeenkomen met de seizoenen volgens de zonnekalender.

De Griekse astronoom Meton ondekte dat negentien tropische jaren gelijk zijn aan 235 synodische maanden. Om de negentien jaar vallen de maanfasen dus vrijwel op dezelfde data. Op grond hiervan stelde Meton een tijd-rekenkundige cyclus voor, deze bevatte 6940 dagen, verdeeld over 125 maanden van 30 dagen en 110 maanden van 29 dagen. In een cyclus van 19 (3,5,8,11,13,16,19) vallen zeven schrikkelmaanden zes van dertig dagen en één van 29 dagen; waar een schrikkeljaar in de burgelijke zonnejaar-rekening valt, wordt de extra dag ook toegevoegd aan het bijzondere maanjaar. Deze Metoncyclus wordt gebruikt voor de berekening Pesach. Een cyclus van 19 jaren is ook terug te vinden in de Bijbel, met name voor wat Jeruzalem betreft, zie de feiten:

a. In 1004 v.Chr. wordt David koning over zowel Judea als Israel en hij verovert Jeruzalem.

b. In 966 (2 cycli van 19 jaar later) wordt begonnen met de bouw van de Tempel in Jeruzalem.

c. In 605 (19x19 jaren later) trekt Nebukadnezar tegen Jeruzalem en voert o.a. Daniel weg.

d. In 586 (19 jaar later) wordt de Tempel verwoest en Jeruzalem in brand gestoken. De wederopbouw van de Tempel kon (door tegenwerking van Samaria) pas in 520 v.Chr. beginnen.

e. De opdracht tot wederopbouw van Jeruzalem werd in 444 (4x19 jaar later) gegeven. In A.D. 70 (27x19 jaar later) volgde de volledige verwoesting van de Tempel en de verbranding van Jeruzalem.

f. Jeruzalem wordt in 1077 (dus 53x19 jaar na de verwoesting in 70 A.D.) door de Turken veroverd (op de Arabieren). Jeruzalem werd overigens vele malen, door verschillende volken, veroverd, maar de perioden daartussen worden meestal gekenmerkt door het getal 11. Zo werd Jeruzalem in 637 door de Arabieren (Omar) veroverd en in 1077 door de Turken, dus 440 (40×11) jaar later. In 1187 (dus 10×11 jaar later) volgt dan de verovering van Jeruzalem door Saladin van Egypte. In 1244 (3×19 jaar later) valt Jeruzalem in de handen van de Egyptische Mamelukken, die tot 1517 over Palestina heersten. Na 1517 kwam Jeruzalem onder het bewind van de Osmaanse Turken, en dat bleef zo totdat de Britse generall Allenby zijn intrede deed en de stad zich aan hem overgaf in 1917. Van 1518 tot aan 1917 is 399 jaar (21 cycli van 19 jaar). Na de eerste wereldoorlog werd Jeruzalem hoofdstad van het Britse mandaatgebied Palestina. Op 14 mei 1948 wordt de staat Israel uitgeroepen, en nog diezelfde dag werd Israel door alle buurlanden aangevallen, met als resultaat dat de Joodse wijk in de oude stad verloren ging aan Jordanie. Precies 19 jaar later, in de Zes-daagse oorlog van 1967, herwint Israel de oude stadswijk en sindsdien behoort geheel Jeruzalem tot Israel. Als bijzonderheid kan nog vermeld worden dat vanaf 637, toen de stad door de Arabische Omar werd ingenomen, tot 1948, toen de stad (gedeeltelijk) in handen viel van Jordanie, een periode van 1311 jaar omvat, hetgeen overeenkomt met 69 cyclussen van 19 jaar. Pas na de 70ste cyclus van 19 jaar in 1967 kwam Jeruzalem weer geheel onder Israelisch bewind.

Dan is het niet zo vreemd dat de tijdsklok van God precies aansluit op een komend tiende ‘Jubeljaar’ gerekend vanaf die 7e juni 1967 (7×7=49×360) uitkomend op 23 september 2015 de dag waarop Israel zijn heiligste dag viert in de feestcyclus van het jaar de ‘Yom Kippur’ (Lev.25:8-10). Ook zij nog vermeldt dat toen de Tempel in het jaar 70 A.D. door de Romeinen onder leiding van titus verwoest werd, 666 jaren daarna in 637 A.D. de belegering en inname van Jeruzalem door Omar Ibn al Kattab plaatsvond. Het Islamitische kalifaat was een rijk dat gesticht is na de teloorgang van het Byzantijnse rijk door de profeet Mohammed, de grondvester van de islam, tussen 622 en 632, de opvolgers van Mohammed breidden het rijk daarna verder uit.

De Rotskoepel-moskee in Jeruzalem is het schrijnende voorbeeld van een gruwel der verwoesting. Ieder die deeze moskee wil binnengaan moet zijn schoenen uittrekken. Niet om de tapijten te sparen, maar om eerbied aan Allah te betonen. Menige christelijke toerist zou deze daad van eerbetoon misschien wel met een slecht geweten volbrengen als hij wist wat er op de fries rondom de Rotskoepel in het Arabisch geschreven staat: ‘Er is geen God buiten Allah! Geprezen zij allah, die geen zoon heeft verwekt, noch een helper in de hemel heeft, noch een beschermer uit zwakheid. roem zij zijn grootheid …!’ (Koran 4:169).

Moet deze inscriptie ons niet te denken geven? Is dat niet het afschuwelijke spreken van iemand die rebelleert tegen alles wat aan God behoort, en tegen de God der goden? (Dan.11:37;2Thess.2:4).

Maken deze verzen boven de rots Moria de God van Abraham, Isaak en Jakob niet tot een leugenaar?! En geeft de apostel Johannes hier niet een onmiskenbaar klip en klaar antwoordt op de vraag … ‘wie is de leugenaar dan wie loochent, dat Jesjoea hammasjiach is? Dit is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent.’ (1Joh.2:22).

In wat voor een bijzondere tijd leven we toch! Het negende ‘Jubeljaar’ waarbij Israel haar ondeelbare hoofdstad Jeruzalem controleert loopt ook ten einde op 23 september 2015! Daarop breekt het tiende ‘Jubeljaar’ aan, dat dan ook op een volheid van tijd kan duiden! Immers het wachten is op het Messiaanse Vrede Rijk, een rijk dat van boven af geregeerd zal worden, nl. het koninkrijk der Hemelen’, hetgeen gepaard zal gaan met Apocalyptische oordelen om de bezetter die van geen wijken weten wil te ontzetten. Het getal tien wekt eenzelfde associatie als het getal zeven, namelijk het begrip van de totaliteit.

Het Midden-Oosten met Jeruzalem ‘t Zion in het midden daarvan zal worden als de hof van Eden (Jes.51:3;58:11;61:11). Het woord ‘hof’ is in het hebreeuws het woordje ‘gan’, gimmel-noen, dus 3-50 en betekent gewoon ‘tuin’. ‘Eden’ wordt geschreven ajin-daleth-noen, dus 70-4-50, en is opgebouwd uit twee typische veelheidsgetallen. De 70 als veelheid van de mens, en 4 als het getal van de verste ontwikkeling, en als basis dient voor de 40 en de 400, en daardoor eveneens voor de 10 de 100 en de 1000 (duizendjarig rijk). Verder loopt het woord ‘Eden’ uit op de 50 van de komende wereld de komende ‘achtste dag’, de dag voorbij deze vervulde ‘zevende dag’, voorbij de 49, de 50, ‘Jubeljaar’!

Denk daarbij ook aan de 10 plagen (Ex.9:14), en de confederatie van 10 naties die aanzetten tot een heilige oorlog opdat aan de naam van Israel niet meer gedacht zal worden (Gen.15:18-21;Ps.83). Zo ook de 10 tenen en de 10 hoornen van het vierde beest uit Daniels visioen (Dan.2:44;7:7.,20,24) wat zich openbaart als het beest uit de zee en het beest uit de aarde (Opb.12:3;13:1,11;17:3,7,12), maar beiden machteloos gemaakt door de adem zijns mond door Zijn verschijning als Hij komt.

Aan het einde van die laatste 3 jaarweken van een totaal van 70 (Dan.9:24-27) en die nu nog op hun vervulling wachten, toen deze op de 67e jaarweek zo abrupt werden afgebroken waarvan de profeet Jesaja en Jesjoea Masjiach al gesproken hadden (Jes.6:9-10;Matth.13:14-15;Joh.12:40;Hand.28:24-28), zal bij die laatste jaarweek van 7 jaar op een totaal van 490 jaren, ‘Babylon’ door Gods oordelen gevallen zijn, de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan gevangen zijn, en Israel verlost van haar vijanden!

Zo worden er in de ‘heilsgeschiedenis van God’ vanaf 19-’67 (ook hier zien we weer die 19 van de cyclussen en de 67 van jaarweken in beeld komen!) die 7 x7 jaarweken of 49 jaar als het ware weer herhaald uit de Ezra en Nehemia tijd, waarbij op het 50e jaar een ‘Jubeljaar’ zich zal manifesteren in het jaar 2015 en exact uitkomend op een ‘Yom Kippur’!

Tijdens het zwaar beproefde leven van Job, was het volk Israel nog niet in beeld, maar de God van Job is ook de God van Israel. Het is daarom dan ook geheel in overeenstemming met het Woord van God dat de ervaringen van Job in de toekomst zouden worden beaamd door hen die uit Israel zijn. Zo lezen we in Jes.1:5-6 dat Israel, gelijkend aan Job, daar wordt gezien met ongeneeslijke wonden, en dat in het jaar van het welbehagen des Heren, we de blofte vinden, ‘ voor uw dubbele schaamte en schande zullen zij juichen over hun deel; daarom zullen zij in hun land erfelijk het dubbele bezitten; zij zullen eeuwige vreugde hebben (Jes.61:7).

Tenslotte spreekt Job opnieuw in zijn uiterste nood tot zijn mede broeders met de woorden, …‘hoe lang zullen jullie mijn woorden verbrijzelen? Reeds tien maal hebben julie mij beledigd; jullie schaamt je niet mij te kwellen, … om dan vervolgens te proclameren, … ‘Ik weet, dat mijn Ver(Losser) leeft en ten laatste zal Hij op het stof optreden, … en zal ik uit mijn vlees God aanschouwen (Job 19:3,25-26). Zo is het met Israel gegaan uit het stof van de vernietigingskampen, teruggebracht in het land, ‘Mijn land’ (Lev.25:23;Joel 3:11-3), om straks met ‘Geest vervuld’ een zegen te zijn voor al de volken der aarde (Gen.12:3), beginnende in Jeruzalem! (Jes.2:1-5;11:1-10).

Het zijn de 42 jaren die vanaf die andere ‘Yom Kippur (oorlog)’ van 6 oktober 1973 hun volheid bereiken in het ‘Year of Jubilee proclaimed’, waarin zon en maan eclipsen gesteld zijn als vaste tijden in de jaren 2014 en 2015, die aanwijzingen zijn voor de komende eindvervulling van de ‘Feesten des Heren’, vergezeld gaande met de 7 zegelen, 7 bazuinen en 7 schalen van oordeel! (Gen.1:14;Joel 2:28-32;Zach.12:10;Num.33:1-49;Matth.1:17;Opb.6:1-19:21).

Deze generatie en Mijn woorden

‘Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat alles geschiedt. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan’ (Luk.21:32-33;Matth.24:34). Is de duur van een geslacht dan 40, 50, 70, 100, of 120 jaar? Naar welk geslacht verwijzen de woorden ‘dit geslacht’? Voorzeker, dat is ‘dit geslacht’ die deze dingen zien gebeuren als vermeldt in de verzen 25-27, ‘En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. want de machten der hemelen zullen wankelen. en dan zullen zij de Zoon des Mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid’.

De oprichting van de staat Israel in 1948 en de hereniging (re-united) van de stad Jeruzalem in 1967 zijn bij uitstek de grote tekenen van deze tijd! Het is een ‘tijdspanne’ van 120 (50+70) jaar, die feitelijk begonnen is met de bekende profetische uitspraak van Theodor Herlz in 1897!

Rabbi Shlomo Goren heeft het goed verstaan toen hij met het lezen uit de Torah en het blazen op de sjofar, zei: “de Messiaanse tijd is aangebroken”! Nu is het wachten op het proclameren van een ander ‘Jubeljaar’ … ‘dan zult gij bazuingeschal doen rondgaan in de zevende maand op de tiende van de maand; op de Verzoendag door uw ganse land.’ (Lev.25:9). De ‘Yom Kippur’ van 2015 zal een bijzondere zijn. Het zal dan gaan om het losmaken van een verzegelde boekrol, die beschreven is van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen; waarbij gehoord zal worden: ‘ ween niet; zie, de leeuw uit de stam van Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zegels te openen’ (Openb.5:5). Het gaat hier om het Apocalyps worden van toekomst profetie!

Een volheid van tijd dient zich aan. In Gen. 6:3 vertelt God Noach iets wat betrekking heeft op deze tijd, als Hij zegt: ‘Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen 120 jaar zijn’. Er is niet zoveel verbeeldingskracht voor nodig om te begrijpen dat van 1897 die 120 jaren -in ‘t brandpunt van Israel en Jeruzalem- hun loop gaan krijgen, om straks in 2017 over tegaan in die nog openstaande laatste 3 jaar weken! De woorden van Jesjoea zijn in die zin ook overduidelijk: ‘want zoals het was in de dagen van noach, zo zal de komst van de Zoon des Mensen zijn’ (Matth.24:37-39).

Gelijkenissen, profetie, en typen zeggen ons dat het zal zijn ‘als in de dagen van Noach, toen de aarde verdorven (corrupt) was om haar te verdelgen (destroy) waar het Hebreeuwse woord hier ‘shachath’ is. ‘De enige remedie was om haar te vernietigen (de facto) daar zij reeds vernietigd was (de jure).’ Zo zien we dat bij het bazuinen van de zevende engel, ‘het wiel een gehele omwenteling heeft gemaakt’, zo ‘als het was als in de dagen van Noach, en we lezen in de ‘Apocalyps’ dat de tijd gekomen is om te ‘verderven wie de aarde (corrupt) verderven’ (Opb.11:18).

Daarbij genomen naderen we het Joodse kalenderjaar 5800 in 2039, waarin de naam Noach verscholen zit, geschreven als de ‘noen-cheth’ de 50 en de 8 dus 58, deze naam houdt verband met ‘vertroosting’, met andere woorden gezegd spreken we dus niet over de ondergang van de ‘planeet die aarde heet’, maar zien we uit naar het komen van een nieuwe ‘eeuw’ (gr. aioon) die van het Messiaanse Vrederijkna de verdwijning van de boze eeuw (gr. aioon) (Gal.1:4). Dan zal de stad Jeruzalem ‘genoemd worden: Begeerde, niet verlaten Stad’. En de naam der stad zal voortaan zijn: de Here is aldaar‘! (Jes.62:12;Ezech.48:35).

‘En er zal en rijsje voortkomen uit de tronk van Isai en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen. En op hem zal de Geest des HEREN rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des HEREN; ja, zijn lust zal zijn in de vreze des HEREN, Hij zal niet richten naar hetgeen zijn ogen zien, noch rechtspreken naar hetgeen zijn oren horen; want hij zal de geringen in gerechtigheid richten en over de ootmoedigen des lands in billijkheid rechtspreken, maar hij zal de aarde slaan met de roede zijns monds en met de adem zijner lippen de goddelozen doden. Gerechtigheid zal de gordel zijner lendenen zijn en trouw de gordel zijner heupen. Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich nederleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn, en een kleine jongen zal ze hoeden; de koe en de berin zullen samen weiden, haar jongen zullen zich tezamen nederleggen, en de leeuw zal stro eten als de rund; dan zal een zuigeling bij het hol van een adder spelen en naar het nest van een giftige slang zal een gespeend kind zijn hand uitstrekken. Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis des HEREN, zoals de wateren de bodem der zee bedekken. En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isai zullen zoeken, die zal staan als een banier der natien, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn.’ (Jes.11:1-10).

Gerard J.C. Plas

Deel deze informatie:
  • Print
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Twitter
  • email
  • Hyves
  • LinkedIn
  • Google Bookmarks
  • Google Buzz
  • NuJIJ
  • RSS
 Posted by at 07:50

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>